Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AS8300

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
28-02-2005
Zaaknummer
04-1205 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres woont samen met haar partner (samenlevingsovk opgemaakt). In juni 2003 verlaat zij de gezamelijke woning wegens huiselijk geweld en gaat naar kennissen in gemeente B., later naar een Blijf-van-mijn-lijf-huis in gemeente C.. Zij laat zich inschrijven in de gemeente gemeente B. resp. gemeente C., omdat zij anders niet in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering. Zij heeft geen contact meer met de partner. Eind oktober 2003 overlijdt de partner door zelfdoding. Eiseres vraagt een Anw uitkering aan, die haar wordt geweigerd, omdat er geen sprake (meer) is van een gezamenlijke huishouding in de zin van art. 3, derde lid, Anw. Eiseres is van mening dat er wél sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, doch dat deze tijdelijk onderbroken is en dat zij wel recht heeft op de uitkering. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, nu noch aan het huisvestingscriterium, noch aan het zorgcriterium is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

reg. nr: Awb 04 - 1205 ANW H

uitspraakdatum: 16 februari 2005

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. G.B.J. Montagne, advocaat te Haarlem,

-- tegen --

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB),

gevestigd te Leiden,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 3 februari 2004 heeft verweerder eiseres een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) geweigerd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 21 februari 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 juli 2004, aangevuld bij brief van 2 september 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 januari 2005, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Montagne voornoemd, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van der Nes, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank te Leiden.

2. Overwegingen

2.1. Eiseres heeft een affectieve relatie gehad me[A.]. Vanaf oktober 1997 heeft zij met [A.] samengewoond, laatstelijk op het adres [adres] te [gemeente A.]. In 1997 hebben zij een samenlevingsovereenkomst ondertekend bij de notaris. Eiseres heeft de gezamenlijke woning op 21 juni 2003 verlaten vanwege het gewelddadige gedrag van [A.]. Zij is eerst opgevangen door kennissen in [gemeente B.] en later in het Blijf-van-mijn-lijf-huis [adres] in [gemeente C.]. Op 24 juni 2003 en 8 september 2003 heeft eiseres zich ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) van de gemeente [gemeente B.], respectievelijk [gemeente C.]. Daarna heeft zij bij de politie aangifte gedaan van mishandeling, bedreiging en verkrachting door [A.]. Ter zitting is naar voren gekomen dat [A.] het pensioenfonds van zijn voormalige werkgever schriftelijk heeft bericht dat eiseres niet langer bij hem woonachtig is. Op 30 oktober 2003 is [A.] door zelfdoding overleden. Vervolgens heeft eiseres op 8 december 2003 een Anw-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 3 februari 2003 heeft verweerder de uitkering geweigerd, omdat eiseres ten tijde van zijn overlijden geen gezamenlijke huishouding meer voerde met [A.]. Nadat eiseres tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt, heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Ter zitting heeft eiseres meegedeeld (vooralsnog) geen aanvraag tot uitkering van de pensioengelden te hebben ingediend bij eerdergenoemd pensioenfonds.

2.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit zijn primaire standpunt gehandhaafd.

2.3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ten tijde van het overlijden van [A.] nog steeds een gezamenlijke huishouding met hem voerde, aangezien haar verblijf op een ander adres slechts van tijdelijke aard was. Hiertoe heeft eiseres betoogd dat zij ook in 2003 enige tijd in een Blijf-van-mijn-lijf-huis heeft verbleven en na enige tijd is teruggekeerd naar de gezamenlijke woning. Bovendien heeft zij noch de relatie met [A.] verbroken, noch de samenlevingsovereenkomst ontbonden. Dat zij zich heeft ingeschreven in de GBA van de gemeenten [gemeente B.] en [gemeente C.], had enkel te maken met het feit dat zij geen eigen middelen van bestaan had en een gemeente alleen een bijstandsuitkering verstrekt aan ingezetenen van die gemeente. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat zij het geld nodig had om de nachtvergoeding van het Blijf-van-mijn-lijf-huis te betalen en om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij beschikte niet (meer) over bankpassen van de gezamenlijke rekening. Tevens heeft eiseres meegedeeld dat zij vanaf de dag dat zij het huis in [gemeente A.] verliet, geen contact meer met [A.] heeft gehad.

2.4. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat om een gezamenlijke huishouding aan te kunnen nemen, zowel voldaan moet zijn aan het huisvestingscriterium, als aan het zorgcriterium. Primair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aan het huisvestingscriterium heeft voldaan. Hiertoe is overwogen dat eiseres niet alleen op andere adressen stond ingeschreven, maar ook feitelijk niet meer in de woning aan de [adres] in [gemeente A.] woonde. Niet gezegd kan worden dat de onderbreking in de gezamenlijke huishouding van kennelijk tijdelijke aard was. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan het zorgcriterium. Door de toekenning van een bijstandsuitkering genoot eiseres immers een eigen inkomen, waarbij dit inkomen niet is aangewend voor de gezamenlijke huishouding.

2.5. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht en op goede gronden heeft beslist eiseres een uitkering ingevolge de Anw te weigeren. De rechtbank overweegt als volgt.

2.6. Ingevolge artikel 1, onder d, Anw wordt onder nabestaande verstaan: de echtgenoot van degene, die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van de Anw.

2.7. Krachtens artikel 3, eerste lid, onder a, Anw wordt met de echtgenoot gelijk gesteld de geregistreerde partner. Het tweede lid bepaalt voorts dat als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge het derde lid is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.8. De rechtbank overweegt allereerst dat eiseres ingevolge artikel 3 Anw niet op basis van de gesloten samenlevingsovereenkomst met een echtgenoot gelijk kan worden gesteld. Hieruit volgt dat aan de samenlevingsovereenkomst niet de waarde kan worden toegedicht, die eiseres daar aan toegedicht had willen zien.

2.9. In dit geding ligt derhalve de vraag voor of eiseres ten tijde van het overlijden van [A.] een gezamenlijke huishouding met hem voerde, zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, Anw. Van een gezamenlijke huishouding is sprake wanneer aan zowel het huisvestingscriterium, als aan het zorgcriterium is voldaan. Het huisvestingscriterium houdt in dat de gerechtigde zijn hoofdverblijf in dezelfde woning dient te hebben als de andere betrokken persoon. Om te voldoen aan het zorgcriterium dienen de betrokken personen blijk te geven zorg voor elkaar te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.10. De rechtbank overweegt dat eiseres niet aan huisvestingscriterium heeft voldaan, omdat zij ten tijde van het overlijden van [A.] reeds vier maanden niet meer haar hoofdverblijf had in de voormalige gezamenlijke woning. Zij woonde immers feitelijk in [gemeente B.] respectievelijk [gemeente C.]. Bovendien heeft zij zich reeds op 24 juni 2004 bij de gemeente [gemeente A.] laten uitschrijven. Dat zij zich heeft uitgeschreven, enkel om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de omstandigheden dat eiseres ten tijde van het overlijden van [A.] reeds vier maanden niet meer in de voormalige gezamenlijke woning in [gemeente A.] verbleef, dat zij bij de politie aangifte van mishandeling, bedreiging en verkrachting tegen [A.] heeft gedaan en dat zij gedurende eerdergenoemde periode van vier maanden geen contact heeft gehad met [A.], vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat haar verblijf elders niet slechts van tijdelijke aard was. Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat eiseres geen enkele concrete aanwijzing of omstandigheid heeft aangevoerd, die haar stelling zou kunnen ondersteunen dat er sprake was van een tijdelijke onderbreking van de samenleving.

2.11. Evenmin heeft eiseres voldaan aan het zorgcriterium. Uit het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat eiseres geen toegang meer had tot de gezamenlijke rekening en dat zij in haar eigen middelen van bestaan moest voorzien. Daartoe heeft zij een bijstandsuitkering aangevraagd en ontvangen. Aangezien eiseres deze uitkering noch heeft aangewend ter verzorging van [A.], noch op andere wijze aan de verzorging van [A.] heeft bijgedragen, kan niet worden gezegd dat eiseres en [A.] elkaar verzorgden.

2.12. Het voorgaande in overweging nemende, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, Anw. Derhalve heeft verweerder terecht en op goede gronden overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een Anw-uitkering.

2.13. Het beroep is mitsdien ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.M. Rutten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.M. Marsé als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.