Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AS6579

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-02-2005
Datum publicatie
18-02-2005
Zaaknummer
15/094032-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op niet-ontvankelijheid van het Openbaar Ministerie vanwege strijd met artikel 126ff Sv. Verweer verworpen.

Verdachte heeft zich in zijn functie als medewerker van de bagageafhandeling van de KLM samen met anderen, waaronder andere KLM-medewerkers, in georganiseerd verband tenminste tien keer schuldig gemaakt aan het binnen Nederland brengen van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne en het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne. Verdachte vervulde in het kader van een criminele organisatie bij die invoer en die voorbereidingshandelingen een spilfunctie. De rechtbank Haarlem heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en een geldboete ter hoogte van 30.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/094032-03

Uitspraakdatum: 18 februari 2005

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 augustus 2004, 1 november 2004, 24 januari 2005 en de voortzetting daarvan op 25 januari 2005 en vervolgens op 4 februari 2005 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, zoals die tenlastelegging na wijziging daarvan ter terechtzitting van 24 januari 2005 is komen te luiden, dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2003 tot en met 1 september 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij

die wet behorende lijst I, te weten:

a. een (onbekende gebleven) hoeveelheid op of omstreeks 28 februari 2003 en/of

b. een of meer (onbekend gebleven) hoeveelhe(i)d(en) op of omstreeks 29 maart 2003 en/of

c. een (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks 17 mei 2003 en/of

d. een (eerste) (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks 2 juni 2003 en/of

e. een (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks 10 augustus 2003 en/of

f. een (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks 15 augustus 2003;

2. primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2003 tot en met 01 september 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, te weten:

a. een (tweede) (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks 2 juni 2003 en/of

b. een (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks 18 juni 2003 en/of

c. een hoeveelheid van ongeveer 23,8 kilo op of omstreeks 16 augustus 2003 en/of

d. een hoeveelheid van ongeveer 17,73 kilo op of omstreeks 18 augustus 2003;

2. subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2003 tot en met 01 september 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, (telkens)ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal, bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, opzettelijk

- (al dan niet versluierde) telefonische en/of directe contacten gehouden met een/of meer anderen en/of

- (al dan niet versluierde) afspraken gemaakt met een of meer anderen, gericht op het elkaar ontmoeten en/of elkaar spreken omtrent de uitvoering van een of meer van die te plegen misdrijf/misdrijven, en/of

- inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven met betrekking tot de uitvoering en/of

- zich naar Schiphol begeven en/of

- (andere) hand- en spandiensten verricht

in verband met de invoer van:

a. een (tweede) (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks 2 juni 2003 en/of

b. een (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks 18 juni 2003 en/of

c. een hoeveelheid van ongeveer 23,8 kilo op of omstreeks 16 augustus 2003 en/of

d. een hoeveelheid van ongeveer 17,73 kilo op of omstreeks 18 augustus 2003,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks 31 mei 2003 en/of 27 augustus 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

3. subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 mei 2003 tot en met 01 september 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal, bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, opzettelijk

- (al dan niet versluierde) telefonische en/of directe contacten gehouden met een/of meer anderen en/of

- (al dan niet versluierde) afspraken gemaakt met een of meer anderen, gericht op het elkaar ontmoeten en/of elkaar spreken omtrent de uitvoering van een of meer van die te plegen misdrijf/misdrijven, en/of

- inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven met betrekking tot de uitvoering en/of

- zich naar Schiphol begeven en/of

- (andere) hand- en spandiensten verricht

in verband met de invoer van:

a. een (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks de periode van 25 mei 2003 tot en met 01 juni 2003 en/of

b. een (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks de periode van 20 augustus 2003 tot en met 27 augustus 2003,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. meer subsidiair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 februari 2003 tot en met 03 februari 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij en/of zijn mededader(s) weet of ernstige reden heeft/hebben om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat/die feit(en)

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (zijn/hun) mededader(s) betreffende de wijze waarop de cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou worden gebracht, en/of

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (zijn/hun) mededader(s) over het tijdstip waarop die koffers met cocaïne naar Nederland zou worden vervoerd, en/of

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (zijn/hun) mededader(s) betreffende de wijze waarop de cocaïne verder in Nederland vanaf de luchthaven Schiphol zou worden vervoerd over:

a. een (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks de periode van 25 mei 2003 tot en met 01 juni 2003 en/of

b. een (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks de periode van 20 augustus 2003 tot en met 27 augustus 2003;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 februari 2003 tot en met 03 februari 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij en/of zijn mededader(s) weet of ernstige reden heeft/hebben om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat/die feit(en)

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (zijn/hun) mededader(s) betreffende de wijze waarop de cocaïne binnen het grond gebied van Nederland zou worden gebracht, en/of

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (zijn/hun) mededader(s) over het tijdstip waarop die koffers met cocaïne naar Nederland zou worden vervoerd, en/of

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (zijn/hun) mededader(s) betreffende de wijze waarop de cocaïne verder in Nederland vanaf de luchthaven Schiphol zou worden vervoerd over:

a. een of meer (onbekend gebleven) hoeveelhe(i)d(en) op een of meer tijdstippen op of omstreeks de periode van 25 februari 2003 tot en met 27 maart 2003 en/of

b. een (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks de periode van 1 september 2003 tot en met 2 september 2003 en/of

c. een hoeveelheid van ongeveer 14 kilo op of omstreeks de periode van 19 september 2003 tot en met 20 september 2003 en/of

d. een (onbekend gebleven) hoeveelheid op of omstreeks de periode van 17 december 2003 tot en met 18 december 2003;

5.

hij in of omstreeks de periode vanaf 1 februari 2003 tot en met 3 februari 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of Suriname heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door hem, verdachte, en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) van cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel het plegen van pogingen daartoe en/of

- het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, tot het plegen van feiten bedoeld in artikel 2 juncto 10 derde en/of vierde lid van de Opiumwet, welke deelneming (onder meer) heeft bestaan uit het (al dan niet samen met een of meer andere deelnemer(s) van die organisatie):

- het plegen van genoemd(e) misdrijf/misdrijven, en/of

- hebben/onderhouden van (al dan niet versluierde) telefonische en/of directe contacten met een/of meer andere deelnemer(s) van die organisatie betreffende voornoemd(e) misdrijf/misdrijven, en/of

- maken van (al dan niet versluierde) afspraken met een of meer andere deelnemer(s) van die organisatie, gericht op het elkaar ontmoeten en/of spreken omtrent de voorbereidingen van een of meer van die te plegen misdrijf/misdrijven, en/of

- verschaffen van inlichtingen en/of het geven van aanwijzingen en/of opdrachten met betrekking tot de uitvoering van die misdrijven, en/of

- ophalen en/of in ontvangst nemen en/of vervoeren en/of overdragen van een of meer geldbedrag(en) van de afnemers(s)/koper(s) van die cocaïne, en/of

- verrichten van hand- en spandiensten.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging:

De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitnotities een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging voor de tenlastegelegde feiten, althans in ieder geval voor de feiten 1 onder d, e en f en 2 onder a, aangezien het opsporingsteam in strijd met artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering hoeveelheden cocaïne heeft doorgelaten. In dat kader acht de raadsman van belang dat geen of onvoldoende duidelijkheid is gegeven met betrekking tot de (resultaten van de) in de onderhavige strafzaak gehanteerde bijzondere opsporingsbevoegdheden, terwijl artikel 126ff mede ten doel heeft duidelijkheid te verschaffen omtrent de gehanteerde opsporingsmethoden, teneinde daarmee de integriteit van het overheidsoptreden te beschermen.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hiertoe het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat uit de tekst en wetsgeschiedenis van artikel 126ff Wetboek van Strafvordering niet blijkt dat die bepaling in het leven is geroepen in het belang van de verdachte, zodat deze zich niet op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten kan beroepen voor zijn betoog dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Voorts mist het verweer feitelijke grondslag nu omtrent de gehanteerde bijzondere opsporingsmethoden en de op grond daarvan verkregen wetenschap bij de opsporingsinstanties, met name in het ambtshandelingendossier verantwoording is afgelegd. Uit dat dossier blijkt onder meer dat bij de destijds bekende stand van zaken niet kan worden gezegd dat de officier van justitie en de opsporingsambtenaren voorafgaand aan de inbeslagname van cocaïne op 16 augustus 2003, beschikten over wetenschap dat er sprake was van invoer van cocaïne.

Op grond van het vorenoverwogene kan het verweer van de raadsman niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging leiden en indien en voorzover de rechtbank tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en strafoplegging komt, zal zij evenmin aanleiding vinden om op de voet van artikel 359a Wetboek van Strafvordering tot strafvermindering over te gaan.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat het openbaar ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd onder feit 3 primair, 3 subsidiair en 4 d. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

3.2 Aan de bewezenverklaring voorafgaande beschouwingen

Uit het van het onderhavige onderzoek opgemaakte strafdossier blijkt dat er in een aantal zaken, te weten onder meer op 16 en 18 augustus 2003 (zaaksdossiers 14 en 15), waarin ook de verdachte een rol zou hebben gespeeld, cocaïne bevattend materiaal in beslag is genomen.

Een aantal verdachten in het onderhavige onderzoek, onder wie verdachte, heeft verklaard dat zij zich bij de bagageafhandeling hebben schuldig gemaakt aan handelingen gericht op de invoer van cocaïne.

Behoudens uit enkele – overigens volstrekt ongeloofwaardige – andersluidende verklaringen, is uit het opgemaakte strafdossier niet gebleken dat de door de onderscheidene verdachten verrichte handelingen en gevoerde telefoongesprekken, zoals die in de bewijsmiddelen zullen worden opgenomen, op iets anders betrekking hebben dan op de invoer dan wel de voorbereide invoer van cocaïne.

In dat verband is van belang dat bij het ingestelde onderzoek is gebleken dat er veelal telefoongesprekken zijn gevoerd door verschillende verdachten, waarvan de inhoud door de deelnemers versluierd werd.

Ten slotte is uit het onderzoek gebleken dat door verdachten in dit onderzoek voor veelal geringe werkzaamheden aanzienlijke verdiensten zijn genoten.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat ook in die ten laste van verdachte bewezen geachte feiten, waarin niet door laboratoriumonderzoek is vastgesteld dat hetgeen werd ingevoerd cocaïne bevattend materiaal was en in de ten laste van verdachte bewezen geachte voorbereidingshandelingen, er telkens sprake was van invoer van cocaïne dan wel voorbereidingshandelingen gericht op de invoer daarvan.

De officier van justitie heeft in de tenlastelegging van de criminele organisatie opgenomen dat het oogmerk van de criminele organisatie – mede – was gericht op de poging tot invoer van cocaïne dan wel het plegen van voorbereidingshandelingen daartoe.

De rechtbank is van oordeel dat het zich niet wel laat denken dat het oogmerk van een criminele organisatie als door de officier van justitie in de tenlastelegging bedoeld op iets anders is gericht dan op de voltooide invoer van cocaïne.

Daarom zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde criminele organisatie voorzover die organisatie een ander oogmerk heeft dan de voltooide invoer van cocaïne.

3.3 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1a, b, c, d, e en f, 2 primair onder a, b, c, en d, 3 meer subsidiair onder a en b, 4 onder a, b en c en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

1. (zaaksdossiers 3, 6, 8, 10, 12 en 13)

hij in de periode van 1 februari 2003 tot en met 1 september 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, telkens tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:

a. een onbekend gebleven hoeveelheid op 28 februari 2003 en

b. een of meer onbekend gebleven hoeveelhe(i)d(en) op 29 maart 2003 en

c. een onbekend gebleven hoeveelheid op 17 mei 2003 en

d. een eerste onbekend gebleven hoeveelheid op 2 juni 2003 en

e. een onbekend gebleven hoeveelheid op 10 augustus 2003 en

f. een onbekend gebleven hoeveelheid op 15 augustus 2003;

2. primair (zaaksdossiers 10, 11, 14 en 15)

hij in de periode van 1 juni 2003 tot en met 1 september 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, telkens tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:

a. een tweede onbekend gebleven hoeveelheid op 2 juni 2003 en

b. een onbekend gebleven hoeveelheid op 18 juni 2003 en

c. een hoeveelheid van ongeveer 23,8 kilo op 16 augustus 2003 en

d. een hoeveelheid van ongeveer 17,73 kilo op 18 augustus 2003;

3. meer subsidiair (zaaksdossiers 9 en 16)

hij in de periode van 25 mei 2003 tot en met 1 september 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- zich en een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en/of

- een of meer voorwerp(en) voorhanden heeft gehad waarvan hij en/of zijn mededader(s) we(e)t(en) of ernstige reden heeft/hebben om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van die feiten

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens)

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (een of meer van) zijn/hun mededader(s) betreffende de wijze waarop de cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou worden gebracht, en/of

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (een of meer van) zijn/hun mededader(s) over het tijdstip waarop die cocaïne naar Nederland zou worden vervoerd, en/of

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (een of meer van) zijn/hun mededader(s) betreffende de wijze waarop de cocaïne verder in Nederland vanaf de luchthaven Schiphol zou worden vervoerd over:

a. een onbekend gebleven hoeveelheid in of omstreeks de periode van 25 mei 2003 tot en met 1 juni 2003 en

b. een onbekend gebleven hoeveelheid in of omstreeks de periode van 20 augustus 2003 tot en met 27 augustus 2003;

4. (zaaksdossiers 3, 4, 5, 17 en 19)

hij in de periode van 25 februari 2003 tot en met 22 september 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, telkens

- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en/of

- een of meer voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en), voorhanden heeft gehad waarvan hij en zijn mededader(s) we(e)t(en) of ernstige reden heeft/hebben om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van die feiten

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens)

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (een of meer van) zijn/hun mededader(s) betreffende de wijze waarop de cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou worden gebracht, en/of

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (een of meer van) zijn/hun mededader(s) over het tijdstip waarop die cocaïne naar Nederland zou worden vervoerd, en/of

- (telefonische) contact(en) gezocht en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met (een of meer van) zijn/hun mededader(s) betreffende de wijze waarop de cocaïne verder in Nederland vanaf de luchthaven Schiphol zou worden vervoerd over:

a. onbekend gebleven hoeveelheden op verschillende tijdstippen in de periode van 25 februari 2003 tot en met 27 maart 2003 en

b. een onbekend gebleven hoeveelheid in de periode van 1 september 2003 tot en met 2 september 2003 en

c. een hoeveelheid van ongeveer 14 kilo in of omstreeks de periode van 19 september 2003 tot en met 20 september 2003;

5.

hij in de periode vanaf 1 februari 2003 tot en met 3 februari 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en te Amsterdam, en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door hem, verdachte, en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het binnen het grondgebied van Nederland brengen mede als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet van cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, welke deelneming heeft bestaan uit het samen met een of meer andere deelnemer(s) van die organisatie:

- plegen van genoemde misdrijven en

- het hebben/onderhouden van (al dan niet versluierde) telefonische en directe contacten met een of meer andere deelnemer(s) van die organisatie betreffende voornoemde misdrijven, en

- het maken van afspraken met een of meer andere deelnemer(s) van die organisatie, gericht op het elkaar ontmoeten en/of spreken omtrent de voorbereidingen van een of meer van die te plegen misdrijven, en/of

- het verschaffen van inlichtingen en/of het geven van aanwijzingen en/of opdrachten met betrekking tot de uitvoering van die misdrijven, en

- het ophalen en/of in ontvangst nemen en/of vervoeren en/of overdragen van een of meer geldbedrag(en) van de afnemers(s)/koper(s) van die cocaïne, en

- het verrichten van hand- en spandiensten.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1a, b, c, d, e en f, 2 primair onder a, b, c, en d, 3 meer subsidiair onder a en b, 4 onder a, b en c en 5 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 (periode tot 17 maart 2003):

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A (oud), van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 1 (periode vanaf 17 maart 2003) en 2 primair:

telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3 meer subsidiair:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen of vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4 (periode tot 17 maart 2003):

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en door voorwerpen of vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

ten aanzien van feit 4 (periode vanaf 17 maart 2003):

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en door voorwerpen of vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:

het deelnemen aan een organisatie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties en van overige beslissingen

Hoofdstraffen

De officier van justitie heeft ten aanzien van de onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde feiten oplegging gevorderd van een gevangenisstraf van 10 (tien) jaar met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede oplegging van een geldboete van € 90.000,- (negentig duizend) , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 360 (driehonderdzestig) dagen hechtenis.

De rechtbank heeft zich, bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het door de Reclassering Nederland, Unit Amsterdam, door L. van Esch uitgebrachte rapport van 3 mei 2004 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen in georganiseerd verband tenminste tien keer schuldig gemaakt aan het binnen Nederland brengen van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne en het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne. Daarnaast heeft hij zich nog een aantal keren met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne.

Cocaïne is schadelijk voor de gezondheid van personen. De activiteiten van verdachte en zijn mededaders, waardoor aanzienlijke hoeveelheden cocaïne binnen Nederland zijn gebracht, vormen een gevaar voor de volksgezondheid.

Verdachte vervulde in het kader van een criminele organisatie bij die invoer en die voorbereidingshandelingen een spilfunctie. Zijn rol heeft er meer in het bijzonder in bestaan dat hij voor degenen die met inschakeling van medewerkers van de bagageafhandeling cocaïne in Nederland wilden invoeren als aanspreekpunt fungeerde voor het regelen van de onderschepping van de cocaïne die op Schiphol in de bagage was aangekomen. Hij maakte daartoe afspraken met die personen omtrent de tijdstippen, waarop en de vluchten, waarvan cocaïne onderschept kon worden, ontving informatie van die personen omtrent de te onderscheppen cocaïne en zorgde voor de inschakeling van KLMmedewerkers van de bagageafhandeling die voor die onderschepping moesten zorgdragen.

Voorts speelde hij een rol bij het van airside naar landside brengen van de onderschepte cocaïne.

Tenslotte verzorgde hij veelal de betalingen van de KLM medewerkers die bij de onderschepping van de cocaïne een rol vervulden.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij bij zijn criminele activiteiten uit louter winstbejag misbruik heeft gemaakt van zijn functie als medewerker van de bagageafhandeling van de KLM.

Met zijn handelen heeft hij daardoor niet alleen ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn werkgever, de KLM, in zijn integriteit moet kunnen stellen, maar ook heeft hij ernstige schade toegebracht aan de goede naam van de KLM en de luchthaven Schiphol.

Op grond van al het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Naast gevangenisstraf acht de rechtbank – gelet op het door verdachte beoogde winstbejag – oplegging van een geldboete van na te noemen hoogte passend en geboden, waarbij de rechtbank voor wat betreft de hoogte daarvan rekening houdt met het gegeven dat de officier van justitie tevens een ontnemingsvordering tegen verdachte heeft ingediend.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

23, 24, 24c, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en

2 (oud), 2, 10 (oud), 10 en 10a van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder 3 primair, 3 subsidiair, 4 d tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1a, b, c, d, e en f, 2 primair onder a, b, c, en d, 3 meer subsidiair onder a en b, 4 onder a, b en c en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1a, b, c, d, e en f, 2 primair onder a, b, c, en d, 3 meer subsidiair onder a en b, 4 onder a, b en c en 5meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 30.000,- (dertig duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen hechtenis.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Toeter, voorzitter,

mrs. Van Andel en Van Mierlo, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. Van Os en Van Weelden,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 februari 2005.