Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AS4143

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-01-2005
Datum publicatie
28-01-2005
Zaaknummer
109038/ KG ZA 05-7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een leerling en zijn moeder stellen een groot aantal vorderingen in tegen de middelbare school waarop de leerling zit, daar er sprake zou zijn van onvoldoende begeleiding alsmede verwijtbare en vermijdbare negatieve gedragingen tegen hen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Zaaknummer: 109038/KG ZA 05-7

Vonnisdatum: 28 januari 2005

713

RECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

1. [eiser sub 1], voor wie in rechte optreedt zijn wettelijke vertegenwoordiger [wettelijk vertegenwoordiger],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisende partijen,

procureur mr. H. Oomen,

advocaat mr. L.H.W.M. Koenen te Franeker,

-- tegen --

1. de GEMEENTE HAARLEM, gevestigd te Haarlem,

als de in rechte aan te spreken rechtspersoon terzake aangelegenheden betreffende de Schoter Scholengemeenschap te Haarlem met als bevoegd gezag de Be-stuurscommissie Openbaar Voortgezet Onderwijs Haarlem te Haarlem,

2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats],

in zijn hoedanigheid van rector van de Schoter Scholengemeenschap,

3. [gedaagde sub 3], wonende te [woonplaats],

in zijn hoedanigheid van coördinator 2e klas, tevens lid van de schoolleiding van de Schoter Scholengemeenschap,

gedaagde partijen,

procureur mr. N.E.J. Franken.

Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid:

de eisende partijen als [eiser sub 1] respectievelijk de moeder alsmede tezamen en in enkelvoud als [eiser(s)], en de gedaagde partijen als resp. de Gemeente, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3].

1. Het verloop van het geding

1.1 Ter terechtzitting van 17 januari 2005 heeft [eiser(s)] overeenkomstig de dagvaar-ding gesteld en gevorderd als hierna onder 3. weergegeven en die vordering toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities. De gedaagde partijen hebben tegen deze vordering verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.2 Na verder debat in tweede termijn hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op 28 januari 2005.

2. De vaststaande feiten

2.1 In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

a. [eiser sub 1], veertien jaar oud, is als leerling ingeschreven op de Schoter Scholenge-meenschap (hierna ook aangeduid als: de school). Dit betreft een openbare school voor voorgezet onderwijs, met drie afdelingen, te weten: atheneum, havo en vmbo-t. [eiser sub 1] zit in de tweede klas van het vmbo-t.

b. [eiser sub 1] is een moeilijke leerling. In de brugklas is [eiser sub 1] in totaal 19 keer uit de klas gestuurd. In dit schooljaar is [eiser sub 1] voor de kerstvakantie 8 keer en na die vakantie 3 keer uit de klas gestuurd. Hij vertoont pestend gedrag naar (sociaal kwets-bare) medeleerlingen. Daarnaast hebben zich enkele incidenten voorgedaan waar-bij [eiser sub 1] in meer (een door [eiser sub 1] georganiseerde vechtpartij alsmede bedreiging door [eiser sub 1] van een medeleerling) of mindere mate (een kraak van de snoepauto-maat in de kantine) betrokken was. Het gedrag van [eiser sub 1] heeft geleid tot telefoontjes van verontruste ouders omdat hun kind niet meer naar school durfde en/of fysieke klachten vertoonde als gevolg van de pesterijen. Sommige ouders overwegen daarom hun kind van de school te halen.

c. Op initiatief van de moeder heeft [eiser sub 1] in de zomer van 2004 een therapie gevolgd in verband met zijn pestende gedrag. Na verwijzing door de huisarts wordt [eiser sub 1] vanaf oktober 2004 begeleid door een psycholoog.

d. De school wil [eiser sub 1] laten onderzoeken teneinde te achterhalen of hij in aanmerking komt voor ZMOK-onderwijs. De moeder wil geen medewerking verlenen aan een zodanig onderzoek.

e. De plaatsvervangend rector van de school heeft op 11 januari 2005 een brief met de volgende inhoud aan de Bestuurscommissie Openbaar Voortgezet Onderwijs Haarlem doen toekomen:

Hierbij verzoeken wij u een verwijderingsprocedure te starten vo[eiser sub 1]iser sub 1], leerling van klas 2K (vmbo-t).

De belangrijkste reden voor dit besluit is dat de moeder van [eiser sub 1] niet met ons meewerkt een oplossing te zoeken voor de grote problemen die [eiser sub 1] op school heeft en veroorzaakt.

Over deze problematiek bestaat een uitgebreid dossier. Daaruit blijkt dat wij [eiser sub 1] op de Schoter Scholengemeenschap niet de begeleiding kunnen geven die hij nodig heeft om te functioneren op school.

Wij hebben de moeder van [eiser sub 1] ervan proberen te overtuigen dat voor [eiser sub 1] onderzocht moet worden welk type onderwijs het best bij hem past. Hiervoor hebben we in eerste instantie voorgesteld [eiser sub 1] door te verwijzen naar de Plaatsings Commissie Leerlingen in Haarlem. [eiser sub 1]’s moeder heeft dit geweigerd.

Vervolgens hebben wij aangegeven dat [eiser sub 1] moet worden aangemeld bij de Commissie van Indicatiestelling voor REC 4/5. Deze commissie zal dan na gedegen onderzoek bepalen of [eiser sub 1] in aanmerking komt voor passende begeleiding of ander onderwijs.

Wij ontvingen vandaag de schriftelijke bevestiging dat de moeder van [eiser sub 1] hiermee niet akkoord gaat. Wij zien nu geen andere mogelijkheden meer dan verwijdering van [eiser sub 1] van school en hebben bureau Leerplicht ingelicht over dit besluit.

Wij hopen dat u wilt instemmen met het verzo[eiser sub 1]iser sub 1] te verwijderen van de Schoter Scholengemeenschap.

(…)

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 [eiser(s)] vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- de Gemeente en [gedaagde sub 2] zal gebieden:

1. a. op kortst mogelijke termijn een begeleidingsplan voor [eiser sub 1] vast te stellen;

b. terstond na vaststelling van het sub a bedoelde plan aan [eiser sub 1] begeleiding conform dit plan te geven;

c. maandelijks een schriftelijke rapportage over de gegeven begeleiding aan [eiser sub 1] te verstrekken;

d. te participeren in een halfjaarlijkse evaluatie over de mate waarin is voldaan aan het hiervoor sub b genoemde gebod;

2. a. de benodigde financiële middelen (aan te trekken en vervolgens) aan te wenden om het onder 1 en 2 gevorderde mogelijk te maken;

b. de benodigde (en juiste) personen om het onder 1 gevorderde mogelijk te maken aan te stellen en te benoemen, waaronder in ieder geval:

- een vaste persoonlijke begeleider (mentor) van [eiser sub 1] op school (niet zijnde [gedaagde sub 3]);

- een deskundige (psycholoog o.i.d.) teneinde de school te adviseren terzake van de begeleiding van [eiser sub 1];

- een plaatsvervanger van [gedaagde sub 3] als contactpersoon van de school met [eiser sub 1] buiten de lessen;

c. de diverse soorten informatie, nodig voor het gevorderde onder 1, te verzamelen, te inventariseren en te analyseren, waaronder in ieder geval:

- de in te schatten negatieve gevolgen voor [eiser sub 1] bij vertrek in 2005 van de school;

- [eiser sub 1]’s problemen;

- de oorzaken van [eiser sub 1]’s problemen (waaronder de hierna te noemen gedragingen van de school alsmede de kenmerken, karaktereigenschappen en achtergronden van [eiser sub 1]);

- de gevolgen van [eiser sub 1]’s problemen voor [eiser sub 1] zelf respectievelijk voor de school;

- de mogelijkheden tot het oplossen/verminderen van die problemen;

d. te inventariseren:

- de plichten van de school jegens [eiser(s)] terzake van de begeleiding van [eiser sub 1] en zijn verblijf op school in ruime zin;

- de rechten van [eiser(s)] jegens de school terzake van de begeleiding van [eiser sub 1] en zijn verblijf op school in ruime zin;

e. tot het hebben van een positieve grondhouding en een positieve wil van de school jegens het verblijf van [eiser sub 1], alsmede daarmee in overeenstemming handelen;

3. a. er voor zorg te dragen dat wordt voorkomen dat [gedaagde sub 3] of een andere al dan niet aan de school verbonden volwassen persoon of ouder van een schoolgaand kind jegens [eiser sub 1] enigerlei vorm van psychisch of andersoortig geweld toe-past;

b. te verbieden dat enigerlei vorm van druk op [eiser(s)] wordt uitgeoefend, waaronder:

- het proberen om [eiser(s)] met oneigenlijke argumenten te dwingen te tekenen voor PCL dan wel op andere wijze trachten instemming of participatie te verkrijgen dat is gericht op een vertrek van [eiser sub 1] van school;

- het afdwingen van feitelijke verklaringen of conclusies c.q. eigen oordelen terzake van feiten;

c. te verbieden met negatieve prikkels te reageren op [eiser sub 1]’s gedrag, behoudens voor zover dit in overeenstemming is met het begeleidingsplan en met instandhouding van de eigen beslissingsvrijheid van de school ingeval van ernstig onacceptabel gedrag van [eiser sub 1];

d. te verbieden zich negatief te gedragen jegens [eiser sub 1];

e. te verbieden om in het huidige schooljaar een exit- of verwijderingstraject tegen [eiser sub 1] te starten;

4. a. op kortst mogelijke termijn een dyslexie begeleidingsplan voor [eiser sub 1] vast te stellen;

b. (onderzoek te doen naar de noodzaak tot) correctie van [eiser sub 1]’s rapportcijfers gegeven het dyslexieprobleem;

c. [eiser sub 1] in een rustigere klas toe te laten terstond na een daartoe strekkend verzoek van [eiser(s)];

5. a. om in overleg met [eiser(s)]:

- de waarheid en werkelijkheid vast te stellen van de gang van zaken op school vanaf september 2003 tot heden met name terzake van het gedrag van [eiser sub 1] en de begeleiding van de school;

- het schooldossier van [eiser sub 1] vervolgens te corrigeren en zonodig aan te vullen;

b. te verbieden dat het schooldossier met betrekking tot [eiser sub 1] wordt vervalst;

c. de moeder een brief te doen toekomen met het besluit tot schorsing van [eiser sub 1] op 3 december 2004 voor één dag in verband het snoepautomaat-incident;

- [gedaagde sub 3] zal verbieden:

- om jegens [eiser sub 1] enigerlei vorm van psychisch of andersoortig geweld toe te passen, alsmede

- om buiten klasverband of anders dan per ongeluk in of buiten de school in de buurt van [eiser sub 1] te komen c.q. [eiser sub 1] aan te spreken, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

met veroordeling van de Gemeente, als meest gerede partij, in de kosten van de procedure.

3.2 [eiser(s)] legt zakelijk weergegeven aan de vordering ten grondslag dat de school [eiser sub 1] niet althans niet voldoende begeleidt en dat er sprake is van een scala aan verwijtbare en vermijdbare negatieve gedragingen van de school en/of [gedaagde sub 3] jegens [eiser sub 1] en de moeder. [eiser(s)] ontkent niet dat [eiser sub 1] bij tijd en wijle problemen veroor-zaakte maar stelt zich op het standpunt dat deze problemen sterk worden overtrokken, mede omdat de school aldus een dossier wenst op te bouwen dat zij vervolgens kan en wil gebruiken om te komen tot verwijdering van [eiser sub 1] van school.

3.3 Ter terechtzitting heeft de moeder aangegeven het conflict van partijen te willen oplossen door mediation.

4 Het verweer en de slotsom daarvan

De gedaagde partijen hebben tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van [eiser(s)] in de kosten van het geding. Op dit verweer zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van het ge-schil nader worden ingegaan.

5 De gronden van de beslissing

Ontvankelijkheid

5.1 Het gevorderde onder 3.e strekt tot het verkrijgen van een verbod om een traject in gang te zetten dat moet leiden tot verwijdering van [eiser sub 1] van de school. In dit onder-deel van de vordering is [eiser(s)] niet ontvankelijk. Tegen een op grond van de Wet op het Voortgezet Onderwijs genomen verwijderingsbesluit staat op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht bezwaar en beroep open, met de mogelijkheid om con-nex daaraan een voorlopige voorziening te vragen. Deze rechtsgang, die voldoende rechtsbescherming biedt, zou worden doorkruist indien de mogelijkheid zou openstaan om op basis van een verbodsvordering als hier ingesteld al bij voorbaat in kort geding getoetst te krijgen of er voldoende aanleiding is om een besluit als bedoeld voor te be-reiden (en te nemen).

Ten gronde

5.2 De inzet van het geding betreft een wijziging van de manier waarop de school omgaat met [eiser sub 1], een binnen haar school niet, althans niet zonder problemen functionerende leerling. Gegeven de aard van deze problematiek komt in de keuze van de te treffen maatregelen aan de school een zekere, op sommige punten zelfs aanzienlijke, mate van vrijheid toe om eigen oordelen te vormen en, daarop gebaseerd, eigen keuzen te maken omtrent de aangewezen gedragslijn. Een en ander impliceert dat de noodzaak en zin van de maatregelen die de school naar aanleiding van het overtreden van door haar gestelde gedrags- en andere regels jegens [eiser sub 1] heeft genomen, de aard en mate van begeleiding die zij aan [eiser sub 1] heeft verschaft en de keuze om bepaalde vormen van begeleiding niet te verschaffen door de rechter slechts marginaal kunnen worden getoetst.

5.3 Tegen de achtergrond van het hiervoor geschetste uitgangspunt, zullen de nog niet behandelde onderdelen van de vordering worden besproken, waarbij de volgende ru-bricering zal worden gebruikt:

- intensieve begeleiding (het gevorderde onder 1 en 2);

- negatief gedrag (het gevorderde onder 3.a tot en met 3.d);

- verbod verwijderingsbesluit (het gevorderde onder 3.e);

- dyslexie (het gevorderde onder 4);

- [eiser sub 1]’s dossier (het gevorderde onder 5.a en b), en

- de schorsingsbrief (het gevorderde onder 5.c).

Intensieve begeleiding (het gevorderde onder 1 en 2)

5.4 De Gemeente en [gedaagde sub 2] hebben tegen dit onderdeel gemotiveerd aangevoerd dat de school een instelling voor regulier onderwijs is en dat het karakter van regulier on-derwijs meebrengt dat de school beperkingen kent in haar mogelijkheden om begelei-ding te bieden aan moeilijke leerlingen. De Gemeente en [gedaagde sub 2] stellen dat de school de haar ter beschikking staande mogelijkheden in voldoende mate ten behoeve van [eiser sub 1] heeft aangewend. In het eerste schooljaar hebben de mentor van de brug-klas alsmede een leerlingbegeleidster regelmatig gesprekken gevoerd met [eiser sub 1]. [eiser sub 1] diende in dat kader onder meer een gedragschrift bij te houden. In het tweede schooljaar heeft [gedaagde sub 3] zowel met [eiser sub 1] als met de moeder diverse gesprekken gevoerd teneinde omtrent [eiser sub 1]’s gedrag afspraken te maken. Een en ander heeft echter niet of nauwelijks effect gesorteerd.

5.5 De Gemeente en [gedaagde sub 2] stellen dat de school de door [eiser(s)] gevorderde mate van begeleiding als reguliere onderwijsinstelling met beperkte mogelijkheden op dit punt niet kan geven. Binnen de regio bestaan daarvoor andere voorzieningen. Tenein-de te onderzoeken welke vorm van onderwijs het meest geschikt is voor [eiser sub 1], regulier onderwijs eventueel in combinatie met ambulante zorg dan wel speciaal onderwijs, dient [eiser sub 1] getest te worden, waar aan de moeder echter niet wil meewerken. De Gemeente en [gedaagde sub 2] concluderen uit de mate van begeleiding die door [eiser(s)] in dit geding wordt gevorderd dat [eiser(s)] zelf ook van opvatting is dat [eiser sub 1] intensieve begeleiding nodig heeft.

5.6 Deze laatste conclusie is door [eiser(s)] niet weersproken. Binnen de organisatie van het in Nederland aangeboden voortgezet onderwijs kan bij die stand van zaken niet worden gezegd dat de school onredelijk handelt door zich in haar benadering van de door [eiser sub 1] tentoongespreide gedragsproblemen te laten leiden door de gedachte dat [eiser sub 1] een mate van begeleiding vordert die de grenzen van de mogelijkheden van de school te buiten gaat. Bij een en ander wordt nog aangetekend dat [eiser(s)] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de school qua begeleiding van [eiser sub 1] binnen de grenzen van haar mogelijkheden ondermaats heeft gepresteerd. De tot intensivering van de begeleiding strekkende voorzieningen zijn daarom niet toewijsbaar.

Het negatief gedrag (het gevorderde onder 3.a tot en met 3.d)

5.7 Ten aanzien van deze onderdelen wordt als volgt overwogen.

Het ligt niet in de macht van de Gemeente en [gedaagde sub 2] om negatief gedrag van niet aan de school verbonden personen en/of ouders van leerlingen jegens [eiser sub 1] te voorkomen. Wat de school zelf betreft is niet aannemelijk geworden dat er sprake is ge-weest van negatief gedrag jegens [eiser sub 1] en/of de moeder of dat dit dreigt. Niet uitge-sloten is dat het gedrag van [eiser sub 1] en de attitude van de moeder dienaangaande op sommige momenten bij de betrokkenen irritatie heeft veroorzaakt, en dat die irritatie invloed heeft gehad op de op die momenten jegens [eiser sub 1] en de moeder ingenomen houding, maar het is minstgenomen overtrokken om daarop met het vragen van voorzieningen als hier besproken te reageren. Die voorzieningen zullen dan ook worden geweigerd.

Dyslexie (het gevorderde onder 4)

5.8 Deze onderdelen van de vordering zullen bij gebreke van voldoende feitelijke grondslag eveneens worden afgewezen. Daartoe wordt overwogen dat de Gemeente en [gedaagde sub 2] niet weersproken hebben aangevoerd dat de school heeft onderkend dat [eiser sub 1] dyslectisch is en dat de daarvoor binnen de school bestaande faciliteiten ter [eiser sub 1]’s beschikking zijn gesteld. Waar wordt aangedrongen op het plaatsen van [eiser sub 1] in een rustiger klas, hebben de Gemeente en [gedaagde sub 2] aangevoerd dat de school [eiser sub 1] bij de overgang naar het tweede jaar bewust in de huidige klas heeft geplaatst omdat zij er van uitging dat de leerlingen in die klas meer tegenwicht aan [eiser sub 1] zouden bieden. Deze redengeving valt binnen de aan de school voorbehouden vrijheid om terzake pedagogisch verantwoorde afwegingen te maken. De school heeft daarbij rekening te houden met meer belangen dan alleen het belang van [eiser sub 1].

[eiser sub 1]’s dossier (het gevorderde onder 5.a en b)

5.9 [eiser(s)] stelt zich voorts op het standpunt dat in het schooldossier van [eiser sub 1] niet de volledige c.q. niet de relevante c.q. niet de juiste informatie ter zake van [eiser sub 1] en zijn gedragingen aanwezig is. De school vormt bewust een met de waarheid strijdig dossier ten einde het door haar beoogde verwijderingstraject te faciliteren, aldus [eiser(s)], bij monde van haar raadsman.

De Gemeente en [gedaagde sub 2] hebben hiertegen aangevoerd dat het dossier van [eiser sub 1] integraal is overgelegd en dat er van negatieve dossiervorming geen sprake is.

Ook deze onderdelen van de vordering zullen worden afgewezen daar [eiser(s)] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de school het dossier van [eiser sub 1] bewust heeft vervalst of daarop uit is. De aantijging is onzinnig.

Schorsingsbrief (het gevorderde onder 5.c)

5.10 [eiser(s)] stelt dat de school [eiser sub 1] op 3 december 2004 voor één dag heeft geschorst, zoals door de leerplichtambtenaar aan de moeder is bevestigd. Van dit be-sluit heeft de moeder geen schriftelijke kennisgeving ontvangen, zodat haar de mogelijkheid voor het indienen van bezwaar wordt ontnomen.

De Gemeente en [gedaagde sub 2] hebben hiertegen aangevoerd dat niet [eiser sub 1] maar een an-dere leerling in verband met het “snoepautomaat-incident” is geschorst en dat er ken-nelijk sprake is geweest van een misverstand bij de leerplichtambtenaar. Van een schorsingsbesluit ter zake van [eiser sub 1] is geen sprake geweest. Wel heeft [gedaagde sub 3] aan de moeder gevraagd om [eiser sub 1] één dag thuis te houden in verband met een naar het incident te verrichten onderzoek. Dit betrof echter geen schorsingsbesluit, aldus de Ge-meente en [gedaagde sub 2].

Nu deze uitleg onvoldoende is bestreden hebben de Gemeente en [gedaagde sub 2] daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat de school geen schorsingsbesluit ten aanzien van [eiser sub 1] heeft genomen. Aldus ontbeert ook dit onderdeel van de vordering van [eiser(s)] feitelijke grondslag, met afwijzing als gevolg.

De vordering tegen [gedaagde sub 3]

5.11 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser(s)] gesteld dat [gedaagde sub 3] zich een aantal malen schuldig heeft gemaakt aan psychisch geweld jegens [eiser sub 1]. Ter onder-bouwing hiervan heeft [eiser(s)] aangevoerd dat [gedaagde sub 3] onder meer de volgende mededelingen aan [eiser sub 1] heeft gedaan: “als je niet van school gaat, dan wordt je door enkele ouders van scholieren in elkaar geslagen” (of woorden van gelijke strekking) en “hetzelfde bedreigende en intimiderende gedrag dat jij naar mijn oordeel toepast op anderen, pas ik nu ook toe op jou.”

[gedaagde sub 3] heeft in algemene bewoordingen weersproken dat er sprake is van een negatieve houding of negatief gedrag van hem of andere docenten jegens [eiser sub 1]. Op de school worden alle leerlingen bejegend met inachtneming van dezelfde, normale omgangsvormen. Indien een leerling zich niet houdt aan de op school geldende regels en omgangsvormen, wordt daartegen opgetreden door het opleggen van pedagogische en disciplinaire maatregelen. [gedaagde sub 3] stelt dat hij heeft geprobeerd om een oplossing te vin-den voor de onderhavige situatie met [eiser sub 1] maar dat dit niet als het uitoefenen van druk mag worden gekwalificeerd. Dat er met de moeder wel eens verhitte discussies over [eiser sub 1] zijn gevoerd, zoals [gedaagde sub 3] ter terechtzitting heeft beaamd, ligt aan de weigerachtige en niet constructieve houding van de moeder, aldus nog steeds [gedaagde sub 3].

5.12 Ten eerste wordt op dit punt overwogen dat [eiser(s)] zijn stelling dat er in algemene zin sprake zou zijn van toepassen van geweld door [gedaagde sub 3] jegens [eiser sub 1] op geen enkele wijze heeft onderbouwd, laat staan tegenover betwisting aannemelijk heeft gemaakt.

Met het gestelde psychische geweld wordt kennelijk gedoeld op de hiervoor weergegeven, aan [gedaagde sub 3] toegeschreven uitlatingen. Al aangenomen dat deze zo zijn gedaan, dienen zij in een breder verband te worden gewaardeerd. Waar aannemelijk is dat [gedaagde sub 3] vanuit zijn rol als coördinator veel te stellen heeft met de problemen die [eiser sub 1] al gedurende langere tijd veroorzaakt, zal wel eens wat gezegd zijn wat achteraf meer als uiting van irritatie dan als waarschuwing of als aankondiging van een bewust gekozen gedragslijn moet worden gezien. Kwalificatie van deze uitlatingen als uitingen van psychisch geweld van [gedaagde sub 3] jegens [eiser sub 1] is overtrokken en de in dat verband gevraag-de voorzieningen zijn daarom onnodig.

Mediation

5.13 De moeder heeft ter terechtzitting aangedrongen op oplossing van het geschil door mediation. Daarop is aan [gedaagde sub 2] gevraagd of de school (nog) bereid is om dat pad in te slaan. Hij heeft geantwoord dat bij de school, mede vanwege het weinig con-structieve optreden van de raadsman van [eiser(s)], die bereidheid ontbreekt. Nu dit één van de voorwaarden is waaraan moet zijn voldaan, wil mediation succesvol kunnen zijn, wordt het voorstel van de moeder verder gepasseerd.

Ten overvloede overweging

5.14 De moeder lijkt zich in haar stellingname ten aanzien van [eiser sub 1]’s gedragsproblemen, de reactie van de school daarop en de gedachten van de school omtrent de te volgen weg naar een structurele oplossing te baseren op een beeld van het speciaal onderwijs waarin, getuige de door haar raadsman voor het ZMOK-onderwijs gebezigde term “psychopatenschool”, de kleur zwart overheersend is. Het is zeer de vraag of dit beeld wel spoort met de werkelijkheid. Met het oog op het onderwijsbelang van haar zoon wordt de moeder in overweging gegeven zich in ieder geval te informeren omtrent de aard van de beschikbare onderwijsmogelijkheden buiten de onderhavige school, alvorens een afwijzend standpunt in te nemen, bijvoorbeeld door contact te zoeken met ouders die kinderen met vergelijkbare gedragsproblemen in het speciaal onderwijs hebben.

Slotsom en proceskosten

5.15 De gevraagde voorzieningen zullen alle worden geweigerd. [eiser(s)] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

6.2 Veroordeelt [eiser(s)] in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van gedaagden begroot op € 214,- aan verschotten en € 816,- aan salaris voor de procureur.

6.3 Verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter van deze recht-bank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 28 januari 2005, in tegenwoordigheid van de griffier. Bij ontstentenis van mr. A.H. Schotman is dit vonnis ondertekend door mr. A.C. Monster.