Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AS2934

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-01-2005
Datum publicatie
20-01-2005
Zaaknummer
236706 CV EXPL 04-2668
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Bank is zorgplicht niet naar behoren nagekomen. Op grond van redelijkheid en billijkheid dient daarom 75% van de restschuld voor rekening van de bank te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 115

Uitspraak

Zaak-/rolnummer: 236706 CV EXPL 04-2668 1

Datum vonnis: 20 januari 2005

Rechtbank Haarlem

sector kanton, locatie Zaandam

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

in de zaak van:

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: C.Th. Snijder,

--tegen--

[gedaagde],

zichzelf noemend: [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. S.A. van den Broek.

Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid:

- eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie: Dexia;

- gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie: [gedaagde].

1. Het verloop van de procedure.

Verwezen wordt naar het vonnis van de sector civiel van deze rechtbank van 21 april 2004 (en de daarin genoemde stukken), waarin de zaak naar de sector kanton is verwezen.

Hierna is de zaak aangebracht op de rolzitting van de sector kanton van 27 mei 2004.

Het verdere verloop van de zaak blijkt uit:

- de tussenbeslissing van de kantonrechter van 10 juni 2004,

- de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte voorwaardelijke wijziging van eis, met producties,

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie, tevens houdende akte verzet tegen voorwaardelijke wijziging van eis, met producties,

- de conclusie van dupliek in reconventie, met producties.

Uitspraak is (nader) bepaald op vandaag.

[gedaagde] heeft niet kunnen reageren op de bij dupliek in reconventie nog in het geding gebrachte producties. Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen en beslist, is er geen aanleiding [gedaagde] daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen.

2. De feiten.

De volgende feiten zijn komen vast te staan omdat deze zijn erkend, dan wel omdat deze niet, althans onvoldoende, zijn betwist.

2.1 Dexia is rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., die op haar beurt rechtsopvolgster is van Legio Lease B.V. De kantonrechter zal hierna steeds spreken over “Dexia”, waarmee dan Dexia en/of haar rechtsvoorgangsters worden bedoeld.

2.2 Tussen Dexia en [gedaagde] is op 1 juli 1999 een overeenkomst met contractnummer 74214207 totstandgekomen welke door Dexia WinstVerDriedubbelaar werd genoemd. Hieraan voorafgaand heeft [gedaagde] op 27 juni 1999 een door haar ondertekende aanmeldingsbon voor de WinstVerDriedubbelaar aan Dexia toegezonden. Op deze bon staat:

“JA, ook ik wil al over drie jaar een hoog belastingvrij bedrag uitbetaald krijgen.

Koop nu voor mij het eerste pakket aandelen ABN-AMRO, Ahold en ING. (...)

Stuur mij zo spoedig mogelijk het leasecontract, de garantie van Bank Labouchere en de fiscale opinie (...). Na akkoordbevinding stuur ik een getekend exemplaar retour en de zaak is rond. (...)”.

2.3 In de lease-overeenkomst is – onder meer – opgenomen:

“ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

1. Lessee least van Legio-Lease, gelijk deze aan lessee verleast, de hierna te noemen aandelen/effecten, verder ook te noemen de “waarden” (…)

totaal aankoopbedragen € 38.913,60 (...)

totaal te betalen rente tijdens looptijd van deze lease-overeenkomst € 8.164,84 (...)

totaal overeengekomen leasesom € 47.078,44 (...)

2. Deze lease-overeenkomst wordt aangegaan voor een ononderbroken periode van 36 maanden (…)

3. De lease-som bedraagt:

a. Het totaal van 36 gelijke maandtermijnen van zegge: f 499,80 (€ 226,80)

b. Een bedrag van f 100,-- (…) op of omstreeks de 35e maand.

c. Aan het einde van de lease-overeenkomst het restant van zegge: f 85.654,29 (€ 38.868,29)

Dit restant wordt in principe verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden.

(...)

10. Lessee verklaart door ondertekening van deze lease-overeenkomst bekend te zijn met de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van Legio-lease zoals die zijn afgedrukt aan ommezijde, alsmede de toepasselijkheid daarvan op deze lease-overeenkomst te aanvaarden”.

2.4 De looptijd van de overeenkomst is op 1 juli 2002 verstreken. Dexia heeft vervolgens een eindafrekening aan [gedaagde] gezonden, waaruit blijkt dat de verkoopopbrengst van de door [gedaagde] geleasde effecten € 33.283,47 was en dat ten laste van [gedaagde] een bedrag van € 6.083,73 resteert. [gedaagde] heeft daarop € 226,80 in mindering voldaan, zodat € 5.856,93 onbetaald is gebleven.

3. De vorderingen in conventie en reconventie

3.1 Dexia vordert in conventie veroordeling van [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 7.246,68, vermeerderd met de contractuele rente ad

0,96 % per maand, althans de wettelijke rente over € 5.856,93 vanaf 7juni 2003 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Dexia stelt daartoe (samengevat en na voorwaardelijke wijziging van eis) dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit de aandelenlease-overeenkomst door het restant van de geleende hoofdsom (na aftrek van de verkoopopbrengst van de door haar geleasde effecten), vermeerderd met de contractuele rente ad 0.96 % per maand niet te betalen. De vordering is tevens vermeerderd met buitengerechtelijke kosten, omdat Dexia zich genoodzaakt heeft gezien haar vordering ter incasso uit handen te geven.

3.2 Voorwaardelijk, voor het geval de vordering in reconventie geheel of ten dele mocht worden toegewezen, vordert Dexia veroordeling van Jacobs tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde van de in artikel 1 van de overeenkomst genoemde effecten minus de waarde daarvan op de datum van verkoop, althans de datum van vernietiging of ontbinding van de overeenkomst. Dexia baseert deze vordering op artikel 6:278 BW.

3.3 [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering in conventie en vordert in reconventie:

Primair

A) voor recht te verklaren dat de tussen partijen gesloten lease-overeenkomst is vernietigd op grond van dwaling;

B) met veroordeling van Dexia tot terugbetaling van € 8.210,22 ter zake van door [gedaagde] betaalde inlegpremies, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van dagvaarding;

C) voor recht te verklaren dat de restschuld ad € 5.856,93 vermeerderd met rente en kosten, in totaal € 7.246,68 uitsluitend ten laste van Dexia komt;

Subsidiair:

A) veroordeling van Dexia tot betaling van € 8.210,22 aan schadevergoeding op grond van wanprestatie en/of onrechtmatige daad;

B) voor recht te verklaren dat de restschuld ad € 5.856,93 vermeerderd met rente en kosten, in totaal € 7.246,68, uitsluitend ten laste van Dexia komt;

Meer subsidiair:

het door [gedaagde] te betalen deel van de restschuld overeenkomstig de bestendige jurisprudentie van de Klachtencommissie DSI te bepalen op € 5.837,04;

met veroordeling van Dexia in de proceskosten in conventie en reconventie.

4. De verweren in conventie en reconventie

Partijen hebben elkaars vorderingen over en weer bestreden. Daarop zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van de geschillen nader worden ingegaan.

5. De beoordeling van het geschil in conventie en reconventie

5.1 De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2 [gedaagde] voert het verweer dat zij de aandelenlease-overeenkomst heeft gesloten onder invloed van dwaling. Hieraan legt [gedaagde] - kort gezegd - het volgende ten grondslag. Zij heeft zich met gebruikmaking van een inschrijvingsformulier bij Dexia aangemeld voor de WinstVerDriedubbelaar. Naar aanleiding hiervan heeft zij de overeenkomst, de bijzondere voorwaarden, de fiscale opinie en een prognosevoorbeeld ontvangen.

De brochure over de WinstVerDriedubbelaar heeft zij niet ontvangen.

Bij het sluiten van de overeenkomst verkeerde zij in de (achteraf onjuist gebleken) veronderstelling dat de koersen van de aandelen aanzienlijk zouden stijgen. Dexia heeft onvoldoende dan wel onjuiste informatie verschaft, waardoor [gedaagde] niet wist dat zij met geleend geld zou beleggen. [gedaagde] dacht dat zij alleen met de ingelegde bedragen zou gaan beleggen en die inleg in ieder geval aan het einde van de looptijd zou terug ontvangen. Dexia heeft [gedaagde] er niet op gewezen dat zij een lening aanging en uiteindelijk een schuld zou kunnen resteren; daarentegen heeft Dexia de verwachting gewekt dat [gedaagde] een driedubbele winst zou behalen.

5.3 Overwogen wordt als volgt. Niet is gebleken dat door of namens Dexia onjuiste dan wel (bewust) onvolledige informatie is verstrekt. [gedaagde] heeft niet weersproken dat zij op 27 juni 1999, alvorens de overeenkomst te ondertekenen, op eigen

initiatief een aanmeldingsbon uit een advertentie in de Telegraaf over de WinstVerDriedubbelaar heeft ingevuld en ondertekend naar Dexia heeft gestuurd. Hoewel die advertentie een sterk aanprijzend karakter en een over het geheel genomen bijzonder optimistische toonzetting heeft, blijkt daaruit immers ook voldoende duidelijk dat er een risico van koersdalingen en een restschuld bestaat.

Zo is daarin vermeld:

“Zou de verkoop van de aandelen onverhoopt minder opbrengen dan de aankoopprijs, dan zou u het verschil moeten bijbetalen.”

Ook bevat de advertentie de in een kader geplaatste waarschuwing:

“Let op! Beleggen bij wie en in welke vorm dan ook brengt financiële risico’s met zich mee.(...) Beleggen geeft u kans op een hoger, maar ook op een lager gemiddeld rendement. Dit risico is voor u.

De waarde van uw belegging kan fluctueren. (...) Wij wijzen erop, dat de gehanteerde rendementen zijn gebaseerd op rendementen uit het verleden. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.”

Tevens kan uit de advertentie, de aandelenlease-overeenkomst en de fiscale opinie worden afgeleid dat sprake was van belegging met geleend geld. Zo wordt in de advertentie tweemaal expliciet meegedeeld dat het maandbedrag alleen uit “rente” bestaat. Ook in de overeenkomst wordt gesproken over de lease van aandelen en een bedrag aan te betalen “rente”. Uit de overeenkomst blijkt tevens hoe de leasesom is opgebouwd, dat deze moet worden terugbetaald en zal worden verrekend met de verkoopopbrengst van de aandelen.

Verder staat in de fiscale opinie dat de investering in de aandelenaankoop geschiedt:

“ in de vorm van een driejarige aflossingsvrije lening op normale condities, tegen een voor drie jaar vast maandelijks rentebedrag, voor de deelnemer gefinancierd”.

5.4 De beslissing om in aandelen te beleggen brengt een eigen verantwoordelijkheid voor de belegger mee. Van [gedaagde] mocht dan ook worden verwacht dat zij het haar gedane aanbod en de haar ter ondertekening toegezonden overeenkomst met de nodige aandacht en oplettendheid zou bestuderen. Maatstaf daarbij is de verwachting van een niet ter zake deskundige, doch aandachtige en oplettende consument. Daarnaast is algemeen bekend dat aandelen sterk in waarde kunnen fluctueren, zodat [gedaagde] de informatie waarover zij beschikte ook in dat licht had moeten bezien. Het enkele feit dat [gedaagde] de lease-overeenkomst is aangegaan met (toekomst)verwachtingen ten aanzien van de koersontwikkeling die achteraf niet gerechtvaardigd bleken en zij zich kennelijk door de (achteraf bezien) veel te optimistische toonzetting van de advertentie tot de aandelenlease-constructie heeft laten overhalen, dient voor haar rekening en risico te blijven. Het beroep op dwaling stuit hierop af.

5.5 [gedaagde] voert subsidiair aan - en legt dit tevens aan haar subsidiaire vordering in reconventie ten grondslag - dat Dexia is tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen door bij de totstandkoming van de overeenkomst geen informatie te hebben ingewonnen over de inkomens- en vermogenspositie van [gedaagde] teneinde te beoordelen of [gedaagde] de financiële lasten, voortvloeiende uit het contract, kon dragen. [gedaagde] beroept zich in dit verband onder meer op artikel 28 van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (1999).

5.6 Dit verweer treft in zoverre doel dat het, nadat [gedaagde] zich bij Dexia had aangemeld voor deelname aan de WinstVerdriedubbelaar, op de weg van Dexia had gelegen zich tenminste rekenschap te geven van de vraag of [gedaagde] naar redelijke verwachting over voldoende draagkracht zou beschikken om niet alleen de rentetermijnen te betalen, maar ook een eventuele restschuld na verkoop van de aandelen te voldoen. Deze verplichting vloeit onder meer voort uit de in artikel 28 van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (1999) gecodificeerde zorgplicht.

5.7 Het standpunt van Dexia dat artikel 28 NR onverbindend is wordt verworpen, evenals haar betoog dat zij bij het aanbieden van de WinstVerDriedubbelaar niet aan de in de NR vervatte zorgplicht was gehouden. In het voetspoor van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2004 (NJF 2004, 410) en de daaromtrent gedane uitspraken van de Klachtencommissie van het DSI van 5 februari 2004 (NJF 2004, 446) wordt geoordeeld dat Dexia aan de in de NR gecodificeerde zorgplicht gehouden was, waaraan niet afdoet dat zij een kant-en-klaar effectenproduct aan een breed publiek aanbood.

5.8 Niet is gebleken dat Dexia haar zorgplicht naar behoren is nagekomen. Voor zover Dexia informatie bij het BKR in Tiel heeft ingewonnen, kan dat niet als voldoende worden aangemerkt. Dexia heeft aldus in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die van haar als professionele en ter zake deskundige dienstverlener mocht worden verwacht, waardoor zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (al dan niet pre-)contractuele zorgplicht jegens [gedaagde].

5.9 Vervolgens is de vraag welke gevolgen aan de schending van de zorgplicht moeten worden verbonden. Waar die zorgplicht juist strekt tot bescherming tegen een (onverwachte, hoge) restschuld, dient de “remedie” tegen de schending ervan ook tot dat deel van de verplichtingen van [gedaagde] uit de overeenkomst beperkt te blijven. Iedere verderstrekkende consequentie van de schending van de zorgplicht (waaronder in dit geval te verstaan: de in reconventie door [gedaagde] gevorderde schadevergoeding ) stuit hierop af. Deze vorderingen zullen worden afgewezen. Wel zullen de in verband daarmee gestelde feiten en omstandigheden, de negatieve financiële gevolgen voor [gedaagde] daaronder begrepen, worden verdisconteerd in het oordeel in conventie omtrent de verplichtingen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans tussen partijen hebben te gelden.

5.10 Immers, door haar zorgplicht jegens [gedaagde] niet na te komen is Dexia aansprakelijk voor het als gevolg daarvan door [gedaagde] ondervonden nadeel. Daarbij dient echter voorop gesteld te worden dat [gedaagde] ook een eigen verantwoordelijkheid draagt voor de gevolgen van haar keuze tot deelname aan de WinstVerDriedubbelaar. Voorts dient rekening gehouden te worden met de overige omstandigheden van het geval.

5.11 Een en ander brengt met zich dat het onverkort toepassen van alle tussen partijen geldende bedingen tot onaanvaardbare gevolgen zal leiden, zoals bedoeld in art.6:248 lid 2 BW. De verplichtingen van [gedaagde] uit de overeenkomst dienen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te worden beperkt, zoals hierna zal worden bepaald.

5.12 Onder het aan de zijde van [gedaagde] in aanmerking te nemen nadeel wordt in dit geval verstaan de restschuld, dat wil zeggen het bedrag dat [gedaagde] op grond van de overeenkomst na afloop daarvan nog zou moeten betalen nadat zij alle tijdens de looptijd daarvan verschuldigd geworden termijnbedragen zou hebben betaald. Dit nadeel wordt vastgesteld op € 5.856,93. Geoordeeld wordt dat op grond van de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 75% van dit nadeel voor rekening van Dexia dient te komen en de overige 25%

(= € 1.464,23) voor rekening van [gedaagde] dient te blijven. Hierbij worden als relevante omstandigheden in aanmerking genomen: de mate waarin Dexia is tekortgeschoten in haar zorgverplichtingen, de beperkte financiële ruimte van [gedaagde] (zoals blijkt uit de door haar overgelegde stukken), de kennis en ervaring die bij [gedaagde] op beleggingsgebied verondersteld mogen worden op het moment dat zij aan dit product deelnam en de door Dexia gebruikte verkoopmethode.

De ingangsdatum van de contractuele rente over € 1.464,23 zal worden vastgesteld op de dag van de eindafrekening, dus 1 juli 2002.

5.13 Aangezien de aandelenlease-overeenkomst niet (geheel of ten dele) zal worden vernietigd, behoeft het voorwaardelijke beroep van Dexia op artikel 6:278 BW geen bespreking.

5.14 De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar, nu niet is gebleken dat het door Dexia ingeschakelde incassobureau meer heeft gedaan dan het versturen van een (herhaalde) standaard aanmaning. Daarvoor pleegt een eventuele proceskostenveroordeling reeds een vergoeding in te sluiten.

5.15 Al hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

5.16 Gezien de samenhang tussen de conventie en reconventie enerzijds, en anderzijds de omstandigheid dat partijen over en weer op punten in het gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Dexia van € 1.464,23, te vermeerderen met de contractuele rente ad 0,96 % per maand over dat bedrag vanaf 1 juli 2002 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

- wijst het gevorderde af;

in conventie en in reconventie

- compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Stolp en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.