Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2005:AS1938

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-01-2005
Datum publicatie
10-01-2005
Zaaknummer
109023 - KG ZA 05-6
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bevel tot (gedeeltelijke) staking van werkzaamheden in verband met het ontbreken van ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Zaaknummer: 109023/KG ZA 05-6

Vonnisdatum: 7 januari 2005

713

RECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

WESTERHOUT BLIJFT,

gevestigd te Beverwijk,

eisende partij,

procureur mr. W.G. Fischer,

-- tegen --

1. 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BUSINESS PARK IJMOND B.V.,

gevestigd te Velsen-Noord,

procureur mr. M.E. Biezenaar,

2. de Gemeente Heemskerk,

gevestigd te Heemskerk,

gemachtigde: mr. J.G.A. Tuithof,

gedaagde partijen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Westerhout Blijft respectievelijk BPIJ en de Gemeente.

1. Het verloop van het geding

6.1 Ter terechtzitting van 6 januari 2005 heeft Westerhout Blijft overeenkomstig de dagvaarding gesteld en gevorderd, en die vordering toegelicht. De Gemeente en BPIJ hebben tegen deze vordering verweer gevoerd, de laatste aan de hand van overgelegde pleitnotities.

6.2 Zowel Westerhout Blijft als BPIJ hebben in de eerste termijn nadere producties overgelegd (diverse foto’s en een college advies aan de gemeente Heemskerk respectievelijk diverse foto’s en de statuten van Westerhout Blijft) die zij elkaar niet eerder hebben doen toekomen. De voorzieningrechter heeft aan partijen gevraagd of zij akkoord gaan met het eerst nu overleggen van deze producties. Partijen hebben hierop aangegeven akkoord te zijn met de inbreng van de producties.

6.3 Na verder debat in tweede termijn heeft Westerhout Blijft de vordering jegens de Gemeente verminderd tot nihil en haar vordering tegen BPIJ aldus verminderd, dat deze is komen te luiden als hierna onder 3. weergegeven. Vervolgens hebben Westerhout Blijft en BPIJ vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op 7 januari 2005, nu BPIJ heeft medegedeeld dat het voornemen bestaat op 10 januari 2005 na te noemen stortingswerkzaamheden te hervatten.

2. De vaststaande feiten

In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

a. Van het Business Park IJmond maakt het deelgebied Noordgebied te Heemskerk deel uit.

b. De bestemming van het Noordgebied is zware industrie.

c. BPIJ is voornemens om medio 2005 een aanvang te maken met de ontwikkeling van het Noordgebied.

d. Sinds 23 november 2004 stort BPIJ zand/grond, afkomstig van elders, op een deel van het Noordgebied.

3. De vordering en de grondslag daarvan

1. 3.1 Westerhout Blijft vordert na vermindering c.q. wijziging van eis, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad BPIJ zal veroordelen om de werkzaamheden, zoals die zijn aangevangen op 23 november 2004 op het Noordgebied te staken en gestaakt te houden tot het moment dat zij zal beschikken over een ontheffing als bedoeld in artikel 74/75 van de Flora- en Faunawet, met veroordeling van BPIJ in de kosten van het geding.

3.2 Westerhout Blijft legt aan haar vordering ten grondslag dat BPIJ in het duingebied tussen het Corusterrein en het duingebied dat door PWN wordt beheerd, het Noordgebied, werkzaamheden verricht zonder de daartoe op de voet van de Flora- en Faunawet benodigde ontheffing te hebben verkregen. Dit terwijl in dit deel van het duingebied rugstreeppadden en andere amfibieën voorkomen, die op de voet van bedoelde wetgeving een beschermde status kennen.

4. Het verweer van BPIJ en de slotsom daarvan

BPIJ heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van Westerhout Blijft in de kosten van het geding.

5. De gronden van de beslissing

5.1 BPIJ heeft zich primair op het standpunt gesteld dat Westerhout Blijft niet-ontvankelijk is in haar vordering. BPIJ heeft daartoe aangevoerd dat het behouden van het duingebied in de gemeente Heemskerk niet behoort tot de statutaire doeleinden van Westerhout Blijft.

5.2 Westerhout Blijft heeft op dit punt aangevoerd dat ter gelegenheid van haar algemene ledenvergadering van 20 december 2004 reeds een voorstel van het bestuur tot een ruimere statutaire doelomschrijving door de leden is aangenomen. Een en ander is sedertdien echter nog niet geformaliseerd. Voorts stelt Westerhout Blijft dat zij zich steeds heeft bezig gehouden met het “Plan Groot Westerhout”, waartoe ook de duinverbinding tussen Velsen en Heemskerk behoort.

5.3 Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Voldoende aannemelijk is geworden dat Westerhout Blijft zich al eerder het behoud van de duinverbinding tussen Heemskerk en Velsen heeft aangetrokken, ook in (bestuursrechtelijke) procedures. Voorts valt het behoud van het duingebied te Beverwijk daarvan ook niet geheel los te zien, mede gelet op de plannen voor de Westelijke randweg. Hierdoor zijn onvoldoende termen aanwezig om Westerhout Blijft in dit geding niet-ontvankelijk te verklaren.

6.4 Voor zover BPIJ nog heeft aangevoerd dat Westerhout Blijft niet-ontvankelijk is gezien de bestemming van het Noordgebied, wordt overwogen dat de toepasselijkheid van de Flora- en Faunawet niet afhankelijk is van de bestemming van bepaalde terreinen. Dat het Noordgebied bestemd is voor zware industrie en niet behoort tot een groene bufferzone, doet dan ook in dit geding niet ter zake.

6.5 BPIJ stelt zich op het standpunt dat zij geen ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet nodig heeft omdat op het gedeelte van het Noordgebied waar thans wordt gewerkt geen beschermde diersoorten aanwezig zijn. De werkzaamheden bestaan uit het storten van grond die elders wordt afgegraven. Gezien de bestaande bodemsamenstelling en de sanering in de afgelopen jaren, is het terrein ongeschikt als biotoop voor rugstreeppadden. Ook voor andere dieren, zoals kikkers, egels en andere padden is het terrein ongeschikt als overwinteringsgebied omdat er onvoldoende begroeiing en beschutting is te vinden, aldus nog steeds BPIJ.

6.6 Westerhout Blijft heeft hiertegen aangevoerd dat de dieren die een winterslaap houden, zoals padden, kikkers en egels, zulks doen door zich tot 60 centimeter in de grond in te graven. Padden trekken bij de zogenaamde paddentrek van hun vochtige verbijfplaats in de zomer naar zandvlakten zoals deze. Door de werkzaamheden van BPIJ worden de aldaar waarschijnlijk in de grond aanwezige dieren gedood danwel wordt hun rust verstoord. Bovendien zijn er blijkens een melding aan het Natuurloket in de zomer van 2004 (roepende) rugstreeppadden in het Noordgebied waargenomen.

6.7 Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Uit de door BPIJ overgelegde Scan natuur- en soortenbeleid Business Park IJmond, deelgebied Noordgebied van 13 november 2002 blijkt dat de gewone pad (Bufo bufo) aldaar is aangetroffen alsmede dat het gebied mogelijk geschikt is voor meer soorten amfibieën, waaronder mogelijk de rugstreeppad (Bufo calamita). Om grotere zekerheid op dit punt te verkrijgen, zal uitgebreider veldonderzoek nodig zijn, aldus de auteurs van de Scan. Voorts heeft BPIJ ter terechtzitting aangegeven dat zij de saneringswerkzaamheden op het in geding zijnde terrein omstreeks september/oktober 2003 heeft beëindigd en dat zij op 23 november 2004 is aangevangen met de huidige werkzaamheden. Dit betekent dat er gedurende meer dan een jaar op bedoeld terrein niet of nauwelijks werkzaamheden zijn uitgevoerd. Een en ander brengt mee dat de kans groter dan verwaarloosbaar gering is dat door de Flora- en Faunawetgeving beschermde dieren van het terrein gebruik zijn gaan maken, al dan niet ten behoeve van de winterslaap. Daarbij wordt allereerst gedoeld op het gedeelte van het terrein, zoals gearceerd op de aan dit vonnis gehechte en daarvan een onverbrekelijk deel vormende kaart. Dit relatief kleine gedeelte wordt immers aan drie zijden omsloten door aldaar van oudsher aanwezige bossages en struiken, waar zich ook een water bevindt. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het wel degelijk op de weg van BPIJ had gelegen om in ieder geval voor dit gedeelte van het terrein vooraf nader deugdelijk onderzoek te laten verrichten c.q. een ontheffing aan te vragen. Maar ook voor de andere delen van het terrein kan zonder nader onderzoek niet worden gezegd dat zich daar geen beschermde diersoorten bevinden. Dit voert tot het volgende.

6.8 Vaststaat dat op het onderhavige terrein inmiddels een grote hoeveelheid grond is gestort. BPIJ heeft aangegeven dat zij haar werkzaamheden aldaar voor twee/derde heeft voltooid. De door Westerhout Blijft gevraagde voorziening zal worden toegewezen voor zover het betreft eerder bedoeld, op de aangehechte kaart gearceerd gedeelte. In dat gearceerde gebied mogen derhalve geen werkzaamheden meer verricht worden totdat daarvoor alsnog een passende ontheffing is verkregen. Op het niet-gearceerde gedeelte van het terrein zal BPIJ uitsluitend nog grond mogen storten binnen de omtrek van dat deel van het terrein waarop zij sedert 23 november 2004 al gestort heeft; de resterende een/derde hoeveelheid te storten grond kan zij aldus – voor zoveel mogelijk – bovenop de op dat deel van het terrein reeds gestorte grond deponeren. Er mag derhalve (ook) geen grond worden gestort op het tot op heden nog onbenutte deel van het niet-gearceerde gedeelte van het terrein. Ook in zoverre komt de gevorderde voorziening dus voor toewijzing in aanmerking.

6.9 In het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen BPIJ en Westerhout Blijft te compenseren, zoals hierna te melden. Waar Westerhout Blijft ter zitting heeft erkend dat zij de Gemeente ten onrechte heeft gedagvaard, zal Westerhout Blijft in de gedingkosten van de Gemeente worden verwezen.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van BPIJ

6.10 Verbiedt BPIJ, zolang zij niet beschikt over een afdoende ontheffing als bedoeld in de artikelen 74/75 van de Flora- en Fauanawet, op het Noordgebied nog grond te (doen) storten, behoudens binnen de omtrek van dat deel van het op de aan dit vonnis gehechte kaart niet-gearceerde gedeelte van het terrein, waarop zij sedert 23 november 2004 reeds heeft gestort of heeft doen storten.

6.11 Verklaart dit verbod uitvoerbaar bij voorraad.

6.12 Compenseert de proceskosten tussen Westerhout Blijft en BPIJ aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

6.13 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Ten aanzien van de Gemeente

6.14 Veroordeelt Westerhout Blijft in de gedingkosten van de Gemeente tot aan deze uitspraak begroot op € 241,- aan verschotten.

6.15 Verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga, voorzieningenrechter van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 7 januari 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.