Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:BD5411

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-10-2004
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
15/094020-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich vanaf 1 januari 1999 gedurende een langere periode samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een substantiële hoeveelheid hasj en een poging daartoe. Een en ander geschiedde in het kader van een criminele organisatie die uit winstbejag opereerde en waarin verdachte een belangrijke rol vervulde. Deze criminele organisatie hield zich bezig met (internationaal) transport, opslag van en handel in hasj. Daartoe heeft de organisatie door middel van aankoop en onderhoud van boten ervoor gezorgd dat de transporten konden worden uitgevoerd. De organisatie onderhield hiervoor contacten in binnen- en buitenland en zorgde voor vervoer van leden naar de desbetreffende boten voor de te verrichten werkzaamheden, waarvoor de leden ook werden betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/094020-04

Uitspraakdatum: 15 oktober 2004

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 september en 1 oktober 2004 in de zaak tegen:

[verdachte],

[geboortedatum] te [geboorteplaats],

[adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Noord - HvB De Blokhuispoort, Leeuwarden.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I a t/m c aan dit vonnis gehecht en maakt

daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

- Op grond van de in het arrest van de Hoge Raad, HR 15 oktober 2002, NJ 2003/85 neergelegde rechtsregel moet het handelen van buitenlandse autoriteiten,

waaronder de politie, in het voortraject, zoals dat zich buiten Nederland heeft afgespeeld, door de Nederlandse rechter kunnen worden gecontroleerd en

getoetst, welke toetsing in ieder geval dient te geschieden aan de hand van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, alsook aan de hand van de

vraag of verdachten door de infiltranten tot andere handelingen zijn gebracht dan waarop hun opzet was gericht.

- De verdediging is van mening dat zulks in het onderwerpelijke geval eens te meer klemt, nu verdachten in de zaak "Fingers" een zogeheten guilty plea hebben

gevoerd, welke tot gevolg heeft gehad dat de politie- en burgerinfiltratie in deze zaak op geen enkele wijze door de Schotse rechter is getoetst.

- Het Openbaar Ministerie is belast c.q. verplicht om tot een zodanige samenstelling van het dossier te komen dat de rechter in staat is te toetsen of het

handelen van politie-infiltranten naar Nederlands recht toelaatbaar is. Het onderhavige dossier bevat evenwel onvoldoende stukken om deze toetsing te

verrichten en ondanks herhaalde schriftelijke verzoeken daartoe, heeft de officier van justitie geen nadere stukken aan het dossier toegevoegd.

Derhalve is sprake van schending van artikel 6 EVRM, hetgeen verval van vervolgingsrecht tot gevolg moet hebben. Subsidiair verzoekt de raadsman om

aanhouding van de behandeling ter terechtzitting en terugwijzing naar de rechter-commissaris teneinde de vereiste stukken alsnog aan het dossier toe te laten

voegen en een drietal getuigen in Groot-Brittannië te laten horen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Vooropgesteld zij dat het ontbreken van - volgens de verdediging noodzakelijke - stukken

in dit geval niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie nu geen sprake is van een onherstelbaar verzuim in de zin van artikel 359a

Sv.

Bovendien volgt uit voornoemd arrest van de Hoge Raad, dat het handelen van de buitenlandse autoriteiten niet aan een toetsing op alle onderdelen aan de

Nederlandse voorschriften behoeft te worden onderworpen. Het staat de buitenlandse autoriteiten vrij volgens hun eigen voorschriften, die kunnen afwijken van

de Nederlandse regels, te handelen. Van belang hierbij is dat het, in navolging van hetgeen de officier van justitie stelt, in casu gaat om een geciviliseerd

land. De gehanteerde voorschriften zijn gecontroleerd, zoals blijkt uit het proces-verbaal d.d. 16 december 2003 (zaaksdossier 3, pagina 685), waarin wordt

gerelateerd dat de informatie door de genoemde opsporingsautoriteiten buiten Nederland op rechtmatige wijze is verkregen. Ook overigens is naar het oordeel

van de rechtbank voldoende materiaal over het feitelijk verloop van de infiltratie in het dossier aanwezig om de noodzakelijke toetsing op proportionaliteit

en subsidiariteit en toetsing aan het zogeheten Talloncriterium uit te voeren. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding voor aanhouding van de zaak, noch

acht zij het horen van de betreffende getuigen noodzakelijk.

De rechtbank verklaart ook overigens dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de

vervolging.

3. Bewijs

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat:

1.

hij in de periode van 01 juni 1999 tot en met 31augustus 1999 in de gemeente Wieringermeer tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het

grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 8.500 kilogram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep,

hashish, waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij en zijn mededaders omstreeks de maand juni 2000 te Lelystad en elders in Nederland en in Marokko en in Portugal en in Spanje en in Groot-Brittannië

tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door hem, verdachte, en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met

anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 8.690 kilogram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep, hashish, waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

met een schip genaamd "Red Scorpion" naar Marokko en Portugal en Spanje zijn gevaren en voornoemde hoeveelheid hashish in voornoemd schip hebben geladen en

vervolgens met voornoemde hoeveelheid hashish via de wateren van Groot-Brittannië in de richting van Nederland zijn gevaren, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in de periode van 01 januari 1999 tot en met 07 oktober 2003 te Volendam en te Amsterdam en in de gemeente Wieringermeer en elders in Nederland en in

Marokko en in Portugal en in Spanje en in Groot-Brittannië, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

misdrijven, namelijk

- het medeplegen van het opzettelijk verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben van middelen, vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is

de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2 en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden

vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A (oud) van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A (oud) van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 4:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sancties en van overige beslissingen

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de

omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is

gebleken.

Bij de bepaling van de strafsoort en - duur heeft de rechtbank meer in het bijzonder het navolgende overwogen.

Verdachte heeft zich vanaf 1 januari 1999 gedurende een langere periode samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het binnen het grondgebied van

Nederland brengen van een substantiële hoeveelheid hasj (feit 1) en een poging daartoe (feit 2).

Een en ander geschiedde in het kader van een criminele organisatie (feit 4) die uit winstbejag opereerde en waarin verdachte een belangrijke rol vervulde.

Deze criminele organisatie hield zich bezig met (internationaal) transport, opslag van en handel in hasj. Daartoe heeft de organisatie door middel van

aankoop en onderhoud van boten ervoor gezorgd dat de transporten konden worden uitgevoerd. De organisatie onderhield hiervoor contacten in binnen- en

buitenland en zorgde voor vervoer van leden naar de desbetreffende boten voor de te verrichten werkzaamheden, waarvoor de leden ook werden betaald. Voor de

niet geslaagde transporten werden door de organisatie maandelijks gelden uitgekeerd aan de vrouwen van de gearresteerde bemanningsleden, mits zij geen

verklaringen aflegden ten nadele van de organisatie. Ook wisselden de leden van de organisatie frequent van mobiele telefoons om ontdekking van de

werkzaamheden voor de organisatie te voorkomen en/of te beletten.

De verdachte werkte nauw samen met zijn broer en medeverdachte [medeverdachte], waarbij zij als rechterhand van de organisator van de hasjtransporten

functioneerden. Zij waren betrokken bij de diverse transporten als bemanningsleden dan wel als lossers en brachten nieuwe bemanningsleden voor de boten aan.

Zij hielpen bij de aankoop en het onderhoud van de diverse boten. Tevens hebben zij betalingen verricht voor de ligplaatsen van de boten alsmede voor de

reparaties daarvan. Zij hadden hierbij een sturende rol ten opzichte van de leden van de organisatie die onder hen stonden.

Aldus heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van een markt voor drugs in Europa. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen oog

heeft gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel van dergelijke exorbitant grote hoeveelheden softdrugs met zich brengt. Het betreft hier een

stof waarvan de wetgever onder meer de handel daarin heeft verboden. Met de productie van en handel in hasj pleegt bovendien veel criminaliteit gepaard te

gaan.

Een organisatie als de onderhavige ondermijnt de rechtsorde, gelet op haar criminele oogmerk en de daarmee

samenhangende handelingen. Hierbij dienen in aanmerking te worden genomen de enorme winsten die door een dergelijk samenwerkingsverband plegen te worden

behaald. Wel laat de rechtbank in het voordeel van verdachte meewegen dat bij deze criminele organisatie niet gebleken is van enig geweld.

Bij de bepaling van de straf zal de rechtbank mee laten wegen dat de feiten die betrekking hebben op de boottransporten gedateerd zijn.

Het plegen van bovengenoemde misdrijven rechtvaardigt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van niet geringe duur. Naast deze vrijheidsstraf, acht de

rechtbank een geldboete van na te noemen hoogte passend en geboden. De rechtbank legt een hogere geldboete op dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank overweegt daarbij dat door een criminele organisatie als de onderhavige grote winsten worden gegenereerd, waarvan aannemelijk is dat verdachte

daarin heeft kunnen meedelen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 23, 24, 24c, 45, 47, 57, 140

Opiumwet: 3 (oud), 11 (oud), 12

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 3 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) JAAR.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de

tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering

is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 100.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 jaar hechtenis.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Cox, voorzitter,

mrs. Kingma en Mateman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. Boes en Wu,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2004.