Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AR6192

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-11-2004
Datum publicatie
23-11-2004
Zaaknummer
106902 - KG ZA 04-552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vordering ouders tot vernietiging uithuisplaatsing omdat zoon is geplaatst in justitiele jeugdinrichting in plaats van behandelinrichting afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 106902/KG ZA 04-552

Vonnisdatum: 23 november 2004

713

RECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

1. [eiser 1] en

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisende partijen,

advocaat en procureur mr. M.J. Dekker,

-- tegen --

1. BUREAU JEUGDZORG NOORD HOLLAND,

afdeling Jeugdbescherming, locatie Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

advocaat en procureur mr. H.R. Carrière,

2. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

vestiging Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

advocaat mr. C.M. Bitter,

procureur mr. M. Middeldorp,

gedaagde partijen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de ouders respectievelijk Jeugdzorg en de Raad.

1. Het verloop van het geding

Ter terechtzitting van 9 november 2004 hebben de ouders overeenkomstig de dagvaarding gesteld, overeenkomstig de in de ter zitting overgelegde pleitnotities neergelegde (aanvulling van) eis gevorderd en die vordering toegelicht aan de hand van die pleitnotities. Jeugdzorg en de Raad hebben tegen deze vordering verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

Na verder debat in tweede termijn hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op 23 november 2004 of zoveel eerder als mogelijk.

2. De vaststaande feiten

In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

a. [zoon] (hierna verder aangeduid als: [zoon]), geboren op [geboortedatum], is de zoon van de ouders.

b. Op 10 september 2004 heeft Bureau Jeugdzorg Kennemerland in samenspraak met de Jeugd Riagg Noord Holland Zuid een raadsmelding gedaan, met het verzoek om onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van [zoon], en te bezien of een ondertoezichtstelling noodzakelijk was.

c. In het rapport d.d. 24 september 2000 van de Raad komt, onder meer, het volgende voor:

11. Interpretatie en beantwoording van de onderzoeksvragen

Is hulpverlening aan [zoon] in een gedwongen kader, in de vorm van een ondertoezichtstelling, noodzakelijk?

Ja. De Jeugdriagg is van mening dat hulpverlening noodzakelijk is, maar dat deze in een ambulante vorm onvoldoende zin heeft. Dagbehandeling en uithuisplaatsing in het vrijwillig kader zijn geprobeerd en hebben ook geen positief resultaat gehad. Plaatsing van [zoon] in een gesloten setting is geïndiceerd omdat [zoon] zichzelf in zeer gevaarlijke situaties begeeft, en ook mensen in zijn omgeving in gevaar brengt. Gezien de nieuwe informatie die ouders op 24 september 2004 geven, dient [zoon] onmiddellijk beschermd te worden, en is het onverantwoord om langs de reguliere weg een ondertoezichtstelling te vragen. Plaatsing in een gesloten behandelingssetting is noodzakelijk ter bescherming en voorkoming van escalatie.

11.1 Juridische vertaling

De Raad verzoekt om een voorlopige ondertoezichtstelling, voorafgaand aan een definitieve ondertoezichtstelling omdat [zoon] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en daarbij acuut ernstig gevaar loopt binnen de vrijheid die hij momenteel heeft. Plaatsing in een gesloten behandelingssetting is noodzakelijk ter bescherming en voorkoming van escalatie.

11.2 Vertaling voor de hulpverlening

De gezinsvoogd zal [zoon] moeten plaatsen in een gesloten behandelingssetting en verder doen wat nodig is om [zoon] te beschermen en te helpen.

12. Bespreking onderzoeksresultaten

Met ouders is het advies besproken. Ouders kunnen zich hierin vinden, omdat zij zien dat het onontkoombaar is. Aan [zoon] zal, gezamenlijk met de gezinsvoogd worden uitgelegd welk besluit er is genomen en waarom. Dit gesprek zal heden plaatsvinden, zodra de beschikking en machtiging uithuisplaatsing is afgegeven.

13. Besluit

De kinderrechter verzoeken de minderjarige [zoon] onder toezicht te stellen van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling jeugdbescherming te Haarlem, voor de periode van één jaar en deze maatregel met onmiddellijke ingang voorlopig uit te spreken voor de duur van drie maanden.

De kinderrechter voor de minderjarige [zoon] een machtiging uithuisplaatsing af te geven voor de duur van de ondertoezichtstelling in een gesloten inrichting.

14. Belanghebbenden

Vader, moeder, [zoon].

d. Naar aanleiding van het telefonisch verzoek van de Raad, heeft de kinderrechter van deze rechtbank op 24 september 2004 (bij twee afzonderlijke beschikkingen) beslist dat:

- [zoon] met ingang van die datum voorlopig onder toezicht werd gesteld voor de duur van drie maanden (hierna aangeduid als: de VOTS);

- Jeugdzorg werd benoemd tot gezinsvoogdij-instelling, en

- machtiging werd verleend tot plaatsing van [zoon] met ingang van 24 september 2004 tot 24 december 2004 in een gesloten voorziening voor crisisopvang, als bedoeld in artikel III lid 1 van de Bijlage behorende bij de Wet op de Jeugdhulpverlening, (hierna aangeduid als: de MUHP).

e. De ouders zijn op 28 september 2004 door de inmiddels door Jeugdzorg aangestelde gezinsvoogd op de hoogte gebracht dat er een plek was voor [zoon] op Eikenstein te Zeist. De ouders hebben diezelfde dag inlichtingen ingewonnen over Eikenstein, toen werd hen duidelijk dat Eikenstein een justitiële jeugdinrichting (jeugdgevangenis) betreft.

f. Ondanks de bezwaren van de ouders, heeft plaatsing van [zoon] op Eikenstein doorgang gevonden. Met ingang van 29 september 2004 verblijft [zoon] op Eikenstein.

g. Op 5 oktober 2004 zijn beide verzoeken van de Raad ter terechtzitting behandeld. [zoon] heeft ter gelegenheid van die zitting aangegeven dat hij niet naar huis terugwilde en het naar zijn zin had op Eikenstein.

h. De GZ-psycholoog van de Jeugd Riagg Noord Holland Zuid heeft d.d. 2 november 2004 een brief met betrekking tot de plaatsing van [zoon] opgesteld, waarin het volgende staat vermeld:

[...]

Gezien het bovenstaande hebben wij vanuit de Jeugdriagg-NHZ dan ook het dringende advies [zoon] over te plaatsen naar een niet justitiële besloten behandelsetting, waar (voor zijn eigen veiligheid) de mogelijkheid bestaat zijn vrijheid aan banden te leggen.

i. Op 9 november 2004 was er (nog) geen hoger beroep ingesteld tegen de MUHP.

3. De vordering en de grondslag daarvan

De ouders vorderen (na aanvulling van eis), zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- de MUHP in het kader van de VOTS zal vernietigen, danwel zal intrekken en bekorten, en zal bepalen dat [zoon] zo spoedig mogelijk bij zijn ouders zal worden geplaatst;

- Jeugdzorg zal verplichten zich tot het uiterste in te spannen om zo spoedig mogelijk voor een zogenaamd Plan van Aanpak en voor passende ambulante hulp zorg te dragen in aanvulling op de opvang van [zoon] bij zijn ouders en de school, en

- Jeugdzorg zal verplichten te zoeken naar een goede behandelinrichting, die aansluit op de behandelbehoefte van [zoon],

met veroordeling van gedaagden in de kosten.

De ouders leggen aan hun vordering ten grondslag dat

- zij door de Raad onjuist zijn geïnformeerd en misleid omtrent de VOTS en de MUHP;

- Jeugdzorg hen onder druk heeft gezet om [zoon] naar Eikenstein te brengen, terwijl Jeugdzorg wist dat de ouders onjuist waren geïnformeerd en tot die tijd een verkeerde veronderstelling van zaken hadden over de behandeling van [zoon];

- Jeugdzorg zeer onzorgvuldig heeft gehandeld door [zoon] in Eikenstein te plaatsen terwijl er geen onderzoek is gedaan naar de door de ouders aangedragen alternatieven;

- Jeugdzorg oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de MUHP, gezien de jonge leeftijd van [zoon], het negatieve advies van de Jeugdriagg (zie hiervoor onder 2.h), en het feit dat er grote risico’s kleven aan samenplaatsing van civiel- en strafrechtelijk geplaatste jeugdigen in jeugdgevangenissen.

4. Het verweer en de slotsom daarvan

Zowel Jeugdzorg als de Raad hebben tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van de ouders in de kosten van het geding. Op dit verweer zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. De gronden van de beslissing

Het gaat in dit kort geding om een door de ouders gevraagde onmiddellijke vernietiging van de voor tenuitvoerlegging vatbare beschikking van de kinderrechter van 24 september 2004 (zie hiervoor onder 2.d).

Vooropgesteld wordt dat in kort geding voor het ingrijpen in de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking als de onderhavige slechts ruimte is, indien die beschikking op een juridische of feitelijke misslag berust, dan wel indien er nieuwe feiten zijn aangevoerd die meebrengen dat boven redelijke twijfel is verheven dat een tegen die beschikking ingesteld hoger beroep tot een andere uitspraak zal leiden en tenuitvoerlegging van die beschikking daarom misbruik van bevoegdheid oplevert (vergelijk: HR 22 april 1983, NJ 1984, 145).

De ouders vs. de Raad

De Raad heeft als verweer aangevoerd dat het door de ouders gevorderde niet ziet op bevoegdheden van de Raad. De Raad kan aan het gevorderde geen uitvoering geven, indien hij daartoe inhoudelijk al aanleiding zou zien. Het verweer van de Raad slaagt. De Raad heeft terecht betoogd dat zijn directe bemoeienis stopt met de beslissing(en) van de kinderrechter en dat de uitvoering van die beslissing(en) berust bij Jeugdzorg. Bij gebreke van een deugdelijke grondslag zal de vordering jegens de Raad worden afgewezen.

Juridische of feitelijke misslag

De ouders hebben betoogd dat zij door de Raad zijn misleid en dat hun standpunt inzake de melding aan de Raad en de indiening van een verzoek gesloten uithuisplaatsing anders zou hebben geluid c.q. zij en de jeugdriagg hun informatie anders zouden hebben verstrekt indien zij er van op de hoogte waren geweest dat deze machtiging er toe zou leiden dat [zoon] zou worden geplaatst in een justitiële jeugdinrichting. Voor zover dit betoog van de ouders er toe strekt dat de beschikking van de kinderrechter van 24 september 2004 waarin machtiging werd verleend om [zoon] uit huis te plaatsen in een gesloten inrichting, welke beslissing is gehandhaafd bij beschikking van 5 november 2004, berust op een feitelijke of juridische misslag omdat de Raadsrapportage die aan die beschikkingen ten grondslag lag (ten onrechte) melding maakte van de instemming van de jeugdriagg en de ouders met de plaatsing, wordt als volgt overwogen.

De Raad heeft erkend dat hij de ouders onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat [zoon] in verband met capaciteitsgebrek in de behandelinrichtingen eerst in een justitiële opvanginrichting zou worden geplaatst. Volgens de Raad heeft dit voor zijn beoordeling van [zoon]s situatie en de visie op de noodzaak van uithuisplaatsing echter geen verschil gemaakt, omdat de Raad op basis van de in de rapportage beschreven situatie en de tijdens het onderzoek verkregen informatie er van overtuigd was dat de uithuisplaatsing dringend noodzakelijk was. De Raad achtte het niet langer verantwoord dat [zoon] thuis zou blijven. Anders dan de ouders stellen, heeft de Raad, naar zijn zeggen, ook niet overwogen om het verzoek tot uithuisplaatsing in te trekken, toen bleek dat de ouders het daarmee niet (langer) eens waren.

Terecht heeft de Raad er op gewezen dat de kinderrechter vervolgens de visie van de Raad heeft onderschreven en conform de verzoeken van de Raad heeft beslist. De kinderrechter heeft zijn oordeel in eerste instantie uitsluitend op de rapportage van de Raad gebaseerd, maar heeft vervolgens deze beslissing gehandhaafd nadat hij de belanghebbenden had gehoord, en daarbij kennis had genomen van de bezwaren van de ouders en in de wetenschap dat [zoon] in afwachting van plaatsing in een behandelinrichting eerst in een crisisopvang binnen een justitiële jeugdinrichting was geplaatst. Bij zijn beoordeling heeft de kinderrechter, naar blijkt uit het VOTS-dossier waarvan de voorzieningenrechter ambtshalve kennis heeft genomen, in aanmerking genomen dat [zoon] ter zitting te kennen heeft gegeven het naar zijn zin te hebben op Eikenstein en niet terug naar huis te willen, omdat hij verwachtte dat het dan snel weer mis zou gaan.

Dat de beschikking van de kinderrechter zou berusten op een feitelijke of juridische misslag is de voorzieningenrechter derhalve niet gebleken.

De ouders vs. Jeugdzorg

Uit voormeld oordeel omtrent de beschikking van de kinderrechter vloeit reeds voort dat de beslissing van Jeugdzorg om gebruik te maken van de MUHP, niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Overigens heeft Jeugdzorg in dit kader nog aangevoerd dat hij zich -alvorens tot plaatsing over te gaan- in algemene zin heeft doen voorlichten door de jeugdriagg over de aanwezigheid van een contra-indicatie voor plaatsing van een kind met een hechtingsstoorrnis in een gesloten jeugdinrichting, op welke vraag volgens Jeugdzorg ontkennend werd geantwoord.

Nieuwe feiten

Voorop gesteld wordt dat de ouders, voor zover zij van mening zijn dat de uithuisplaatsing moet worden beëindigd of bekort wegens gewijzigde omstandigheden, de procedure op grond van art. 1:263 BW hadden kunnen volgen. Weliswaar kan in die procedure de rechter pas benaderd worden nadat de gezinsvoogdij-instelling schriftelijk op het verzoek van de ouders tot beëindiging c.q. bekorting van de uithuisplaatsing heeft beslist, doch -afgezien van het feit dat de wet voor die beslissing een korte termijn stelt- staat daar tegenover dat voormelde procedure gevoerd wordt voor de bodemrechter aan wie, naast een uitgebreidere mogelijkheid tot feitenonderzoek, een ruimere bevoegdheid tot heroverweging van de eerdere beslissing toekomt dan de kort geding rechter. Nu de ouders daar niet voor gekozen hebben, dient voor de vraag of het eerste onderdeel van de vordering kan worden toegewezen in dit geding als criterium te gelden of nieuwe feiten zijn aangevoerd die meebrengen dat boven redelijke twijfel is verheven dat een tegen de MUHP ingesteld (hoger) beroep tot een andere uitspraak zal leiden en tenuitvoerlegging van die beschikking door Jeugdzorg daarom misbruik van bevoegdheid oplevert.

De ouders stellen in dit kader onder meer dat zij sinds kort boven hun winkel wonen zodat zij [zoon] te allen tijde kunnen opvangen alsmede dat er een “vangnet” is gecreëerd van familie en bekenden. Voorts kan [zoon] terug naar zijn oude school en naar de naschoolse opvang. Zowel de school als de naschoolse opvang kennen [zoon] al twee jaar en zouden geen risico nemen als de veiligheid van [zoon] en zijn klasgenootjes niet gewaarborgd was. Daarnaast is ambulante hulpverlening mogelijk, aldus nog steeds de ouders, door de Jeugdriagg of een gezinscoach. De ouders hebben voorts gewezen op het onderzoek door het Verwey Jonker instituut en de daarin vermelde negatieve effecten van (langdurige) samenplaatsing van civiel- en strafrechtelijk geplaatste jongeren. Tevens hebben zij gewezen op het advies van de jeugdriagg d.d. 2 november 2004. Tenslotte hebben zij verklaard dat [zoon] aan hen te kennen heeft gegeven dat hij het inmiddels niet meer naar zijn zin heeft op Eikenstein omdat hij zich bedreigd voelt door zijn oudere, strafrechtelijk geplaatste, groepsgenoten.

Jeugdzorg heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat zij beseft dat de huidig opvang van [zoon] op Eikenstein niet de beste opvang is, maar dat bij de afweging van de nadelen van thuisplaatsing en de nadelen verbonden aan voortzetting van de plaatsing op Eikenstein, de plaatsing op Eikenstein de minst kwade oplossing is. Jeugdzorg acht het risico dat [zoon] bij ambulante opvang wederom vervalt in weglopen, agressief en misschien zelfs crimineel gedrag te groot, terwijl Jeugdzorg als verantwoordelijke voor de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling niet de mankracht heeft om [zoon] in zijn thuissituatie zodanig in de gaten te houden dat zij problemen kan voorkomen. Jeugdzorg blijft in samenspraak met de ouders zoeken naar de mogelijkheid van thuisopvang in afwachting van een definitieve plaatsing in een besloten behandelsetting. Tot op heden konden, aldus Jeugdzorg, door de ouders onvoldoende waarborgen worden geboden op opvang thuis risicoloos te laten zijn. Jeugdzorg acht de kans dat een goede vorm van thuisopvang kan worden gevonden overigens klein, gelet op de geschiedenis van [zoon] en het zeer tijdelijke karakter van de naschoolse opvang.

Met inachtneming van het hiervoor (zakelijk weergegeven) debat van partijen, wordt overwogen dat door de ouders onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat boven redelijke twijfel is verheven dat een tegen de beschikking MUHP ingesteld (hoger) beroep tot een andere uitspraak zal leiden alsmede dat de tenuitvoerlegging van die beschikking door Jeugdzorg daarom misbruik van bevoegdheid oplevert.

Daartoe is het volgende redengevend. De ouders hebben bij de onderbouwing van hun stelling dat [zoon] gelet op zijn leeftijd en hechtingsstoornis niet thuishoort op Eikenstein, vooral in algemene zin verwezen naar de nadelen die blijkens het door hen aangehaalde onderzoek en andere publicaties verbonden zijn aan een (langduriger) plaatsing van civielrechtelijk geplaatsten in een justitiële opvanginrichting, waarbij zij zowel gewezen hebben op het nadeel van de samenplaatsing met strafrechtelijk geplaatste jongeren als op het uitblijven van behandeling. Deze reële en inmiddels breed gedragen bezwaren, nemen niet weg dat onder omstandigheden plaatsing in een justitiële opvanginrichting noodzakelijk kan zijn indien de risico’s van thuisplaatsing te groot zijn. Dit betekent dat steeds in concreto een afweging moet worden gemaakt tussen de nadelen en risico’s verbonden aan (verdere) plaatsing in de justitiële opvanginrichtng en de nadelen en risico’s van een plaatsing thuis in afwachting van het beschikbaar komen van een behandelplaats.

Reeds het ontbreken van informatie op een aantal essentiële punten maakt dat deze afweging zonder nader onderzoek, waarvoor dit geding zich niet leent, niet gemaakt kan worden; laat staan dat thans voldoende informatie voor handen is om te concluderen dat aan bovenvermeld -in kort geding geldend- criterium is voldaan. Van de zijde van de ouders is ter onderbouwing van hun vordering slechts weinig concrete informatie over de huidige situatie van [zoon] op Eikenstein naar voren gebracht en voor zover zij dat hebben gedaan, zijn door Jeugdzorg bij deze informatie serieuze kanttekeningen geplaatst. Zo stelt Jeugdzorg dat [zoon] op Eikenstein twee gezichten laat zien: in aanwezigheid van zijn ouders vertelt hij dat hij het moeilijk heeft op Eikenstein en zich bedreigd voelt, terwijl hij in de groep juist aansluiting zoekt. Het gebrek aan informatie doet zich ook voor ten aanzien van de kans van slagen van een thuisplaatsing. Het is duidelijk dat de ouders er alles aan gelegen is om een thuisplaatsing mogelijk te maken en dat zij ook reeds maatregelen hebben getroffen om uitgebreid toezicht op [zoon] uit te oefenen, maar voor thuisplaatsing is evenzeer nodig dat [zoon] bereid en in staat is zijn gedrag aan te passen en zich open te stellen voor ambulante hulp. Tegenover de stelling van Jeugdzorg dat zij het risico van terugval of verder afglijden van [zoon] in de thuissituatie gelet op de voorgeschiedenis erg groot achten, hebben de ouders op voormelde punten nauwelijks informatie verschaft, terwijl dit in het kader van deze procedure wel op hun weg had gelegen. Dit geldt te meer nu [zoon] op de zitting van de kinderrechter van 5 oktober 2004 een andere inschatting van de mogelijkheid van thuisplaatsing maakte dan zijn ouders. Recente informatie van [zoon] zelf dan wel de advocaat die aan hem inzake de MUHP is toegevoegd, ontbreekt in deze procedure. Voor zover de ouders zich beroepen doen op het schrijven van de jeugdriagg d.d. 2 november 2004, wordt overwogen dat daaruit niet valt af te leiden dat bij gebreke van een passende behandelplaats voor [zoon], thuisplaatsing verantwoord wordt geacht, althans de voorkeur verdient boven voortzetting van het verblijf op Eikenstein. Gelet op al het vorenstaande zal het eerste onderdeel van de vordering worden afgewezen.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat op redelijk korte termijn een beslissing van de kinderrechter is te verwachten omtrent een (definitieve) ondertoezichtstelling. Indien Jeugdzorg in dat kader een verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing indient, zal alsnog een integrale afweging van belangen op basis van toereikende informatie dienen plaats te vinden. Daarbij is het in het licht van het door de ouders aangehaalde onderzoek en andere publicaties inzake de nadelen van langdurige opvang van civielrechtelijk geplaatste in justitiële jeugdinrichtingen, van belang dat de kinderrechter op dat moment kan beschikken over concrete informatie over de situatie en het gedrag van [zoon] op Eikenstein, waarbij een rapportage vanuit Eikenstein onontbeerlijk lijkt. Het ligt in die procedure in de lijn dat Jeugdzorg voor die rapportage zorg draagt en vervolgens mede op basis van die informatie inzicht geeft in de door hem gemaakte belangenafweging.

Ter gelegenheid van de terechtzitting hebben de ouders aangegeven dat het tweede en derde onderdeel van hun vordering moeten worden gelezen in onderlinge samenhang met het eerste onderdeel. De afwijzing van het eerste onderdeel brengt in dat licht ook de afwijzing van het tweede en derde onderdeel met zich.

Ten overvloede wordt ten aanzien van het derde onderdeel van de vordering nog overwogen dat Jeugdzorg gemotiveerd heeft aangevoerd dat door de Minister van Justitie aangestelde selectiefunctionarissen zijn belast met de plaatsing in behandelinrichtingen. Jeugdzorg stelt daar geen invloed op te hebben.

De ouders hebben ter gelegenheid van de terechtzitting het aanbod van Jeugdzorg om te zoeken naar een plek in een justitiële jeugdinrichting waar civielrechtelijk en strafrechtelijk geplaatste jeugdigen niet (meer) worden samengeplaatst, afgeslagen. De ouders hebben slechts voor ogen de plaatsing van [zoon] in een besloten behandelinrichting die aansluit bij de behandelingsbehoefte van [zoon]. In beginsel staan alle bij dit geschil en bij [zoon] betrokken partijen deze oplossing voor. Echter, partijen worden hier geconfronteerd met een maatschappelijk probleem, te weten een tekort aan plaatsen in besloten behandelinrichtingen voor jeugdigen. Weliswaar hebben de ouders betoogd dat het in deze procedure om [zoon] gaat en niet om de andere 700 kinderen op de wachtlijsten, maar dat doet er niet aan af dat het gebrek aan besloten behandelplaatsen ook van invloed is op [zoon]s situatie.

De ouders zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Weigert de gevorderde voorzieningen.

Veroordeelt de ouders in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van Jeugdzorg begroot op nihil aan verschotten en € 816,- aan salaris voor de procureur en aan de zijde van de Raad begroot op nihil aan verschotten en € 816,- aan salaris voor de procureur.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Kok, voorzieningenrechter van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 23 november 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.