Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AR4582

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
26-10-2004
Zaaknummer
15/035471-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en doorijden na ongeval. De rechtbank heeft – naast met de ernst van de bewezen geachte feiten – rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte een eigen bedrijf heeft, waarin hij leiding geeft aan drie werknemers in vaste dienst. Een lange onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zou het voortbestaan van verdachte’s bedrijf ernstig in gevaar zal komen. Dit zou voor verdachte alsmede voor zijn personeel, door verlies van inkomsten, zeer negatieve consequenties hebben. De rechtbank legt dientengevolge onder andere Elektronisch Toezicht op.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/035471-04

Uitspraakdatum: 26 oktober 2004

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2004 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat hij:

1. primair

op 12 juni 2004 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurd voertuig, personenauto, over het lichaam van die [slachtoffer] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

op 12 juni 2004 te Purmerend als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Koemarkt, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten [slachtoffer], letsel was toegebracht.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1. primair

Poging tot doodslag.

2.

Overtreding van artikel 7, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sancties en van overige beslissingen

6.1. Hoofdstraffen

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 4 oktober 2004 is gebleken.

Bij de bepaling van de strafsoorten en -duur heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende overwogen.

Verdachte heeft zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij is, toen hij stapvoets reed en het latere slachtoffer, [slachtoffer], rechts voor zijn auto stond met zijn handen leunend op de motorkap, nadat hij had waargenomen dat die [slachtoffer] daar stond met spinnende wielen opgetrokken en heeft daarbij die [slachtoffer] overreden. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de auto van verdachte in ieder geval met één wiel over een been van het slachtoffer is gereden. Door dit rijgedrag heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer tengevolge van dit handelen zou komen te overlijden. Slechts door omstandigheden buiten de wil van verdachte gelegen, heeft zijn levensgevaarlijk handelen niet geleid tot de dood van die [slachtoffer]. Wel is door het ongeval ernstig letsel aan die [slachtoffer] toegebracht. Hij heeft onder meer een beenbreuk opgelopen, waardoor fixatie daarvan met een pen noodzakelijk bleek, alsmede een hersenschudding en een longkneuzing en hij moest op de afdeling intensive care in het ziekenhuis worden beademd. Hij kampt – zo is gebleken uit een door hem overgelegde verklaring – nog dagelijks met de lichamelijke, psychische en sociale gevolgen van dit feit.

Na het overrijden van die [slachtoffer] heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit bekend te maken. De rechtbank rekent het verdachte ten zeerste aan dat hij de verantwoordelijkheid voor zijn daad heeft trachten te ontlopen door snel weg te rijden, zonder zich om zijn slachtoffer te bekommeren. Verdachte kon na enkele dagen worden aangehouden uitsluitend als gevolg van een combinatie van opsporingsactiviteiten van de politie en afgelegde getuigenverklaringen. Mede op grond van de bij het cameratoezicht opgenomen videobeelden, konden zijn gedragingen worden vastgesteld. Geconfronteerd met de hem belastende feiten, heeft verdachte ook toen niet aanstonds openheid van zaken gegeven.

De rechtbank neemt ten gunste van verdachte in aanmerking dat hij zelf erg is geschrokken van hetgeen hij heeft aangericht en dat hij in gesprekken met de Reclassering heeft aangegeven nog dagelijks met het door hem – opzettelijk – veroorzaakte ongeval bezig te zijn. Verdachte heeft een brief aan het slachtoffer geschreven om zijn spijt te betuigen en het initiatief genomen tot het voeren van een persoonlijk gesprek met het slachtoffer. Bovendien heeft verdachte bereidheid getoond de door hem veroorzaakte schade te vergoeden.

De rechtbank heeft – naast met de ernst van de bewezen geachte feiten – rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte een eigen bedrijf heeft in de autohandel, waarin hij leiding geeft aan drie werknemers in vaste dienst. De rechtbank heeft er oog voor dat bij een lange onvoorwaardelijke vrijheidsstraf het voortbestaan van verdachte’s bedrijf ernstig in gevaar zal komen. Dit zou voor verdachte alsmede voor zijn personeel, door verlies van inkomsten, zeer negatieve consequenties hebben. Hoewel de door de officier van justitie gevorderde hoofdstraf door de rechtbank in beginsel een passende sanctie wordt geacht, zal de rechtbank in verband met verdachtes bedrijfsuitoefening de op te leggen vrijheidsstraf aanzienlijk beperken en bovendien bepalen dat een zeer groot deel daarvan in de voorwaardelijke vorm zal worden opgelegd, waaraan zij de bijzondere voorwaarde zal verbinden, dat verdachte voor na te noemen periode onder Elektronisch Toezicht zal worden gesteld, waartoe verdachte zich in gesprekken met de Reclassering bereid heeft verklaard. Het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dient er tevens toe verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een taakstraf van na te noemen duur passend en geboden.

6.2. Bijkomende straf

De rechtbank acht – gelet op de ernst van de door verdachte als bestuurder van een motorrijtuig begane misdrijven – een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur op haar plaats, welke ontzegging de rechtbank zal opleggen voor het onder 2 bewezen geachte feit.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van strafrecht: artikel 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45, 57 en 287

Wegenverkeerswet 1994: artikel 7, 176 en 179

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, waarbij de rechtbank een proeftijd van twee jaar vaststelt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijke gedeelte kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit of niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat:

– hij zich, aansluitend aan de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf, gedurende zes maanden, zal stellen onder Electronisch Toezicht met inachtneming van hetgeen in het rapport van de Reclassering Nederland, Regio Alkmaar-Haarlem van 4 oktober 2004 daaromtrent is geadviseerd;

– hij zich overigens gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die reclasseringsinstelling dit noodzakelijk of wenselijk oordeelt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Heft op de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip, waarop de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, gelijk wordt aan het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Veroordeelt verdachte voorts tot het verrichten van 240 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door 4 maanden hechtenis.

Ontzegt verdachte terzake van het onder 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, [slachtoffer], van:

– een broek, kleur: bruin, merk Fundamentals Comfort, maat 32/34

– een T-shirt, kleur: groen, merk: We Men, maat: XL, met borstopschrift

– een vest, kleur: bruin, Angelo Litrico, maat: L, blousemodel, styled at C&A

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Aardenburg, voorzitter,

mrs. Toeter en van Acker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Groot-Clements,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2004.