Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AR4392

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-10-2004
Datum publicatie
21-10-2004
Zaaknummer
235993 CV EXPL 04-2570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bank schadeplichtig vanwege zowel wanprestatie als misbruik van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Haarlem

Sector Kanton Locatie Zaandam

Zaak/Rolnummer: 235993 CV EXPL 04-2570

datum uitspraak: 7 oktober 2004

Vonnis

De kantonrechter in de rechtbank Haarlem, locatie Zaandam, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van:

Dexia Bank Nederland N.V.

te Amsterdam,

gemachtigde: deurwaarder C.T. Snijder,

verder te noemen: Dexia,

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M. Bonefaas,

verder te noemen: [gedaagde].

BESLISSING.

In conventie.

[gedaagde] wordt veroordeeld om aan Dexia te betalen de somma van € 2.473,44 met de wettelijke rente daarover vanaf 29 mei 2003 tot de dag dat alles betaald is.

Dit vonnis wordt tot zover uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

In conventie en in reconventie.

Hetgeen over en weer meer of anders is gevorderd wordt afgewezen.

Iedere partij draagt de eigen proceskosten.

*******************

Verloop van de Procedure.

Dexia heeft op gronden zoals in de dagvaarding vermeld een vordering ingesteld bij de sector civiel van deze rechtbank tegen [gedaagde] (vordering in conventie).

Vervolgens heeft [gedaagde] een incidentele conclusie houdende een verzoek tot verwijzing ex artikel 71 lid 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering genomen en heeft de sector civiel de zaak, nadat Dexia had geantwoord in het incident, naar de sector kanton van deze rechtbank, locatie Zaandam, verwezen, met veroordeling van Dexia in de kosten welke in het incident waren gevallen.

Daarop heeft Dexia het verwijzingsvonnis aan [gedaagde] doen betekenen, waarna [gedaagde] op de daartoe bepaalde dag heeft geconcludeerd voor antwoord. Dit antwoord houdt een tegenvordering in (vordering in reconventie).

Vervolgens is schriftelijk voort geprocedeerd. Dexia heeft daarbij haar vordering voorwaardelijk gewijzigd.

Tenslotte is de uitspraak op vandaag bepaald.

De inhoud van alle processtukken, waaronder begrepen de door partijen overge-legde producties, wordt als hier overgenomen beschouwd.

Beoordeling van het geschil.

In conventie en in reconventie.

De vorderingen.

Dexia vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoer-baar bij voorraad, [gedaagde] (bij wijze van nakoming van de door haar met Dexia gesloten aandelenlease- overeenkomst) zal veroordelen aan Dexia te betalen de somma van € 24.249,04 met (verdere) rente en proceskos-ten.

Alleen voor het geval enig deel van de hierna weer te geven tegenvordering mocht worden toegewezen vordert Dexia toepassing van het bepaalde in artikel 6.278 van het Burgerlijk Wetboek.

[gedaagde] maakt primair aanspraak op nakoming door Dexia van de aan de vordering in conventie ten grondslag gelegde aandelenlease-overeenkomst en vordert op die grond veroordeling van Dexia tot betaling van € 18.745,21 althans enig ander door de kantonrechter in redelijkheid te bepalen bedrag, met rente en

maakt subsidiair aanspraak op honorering van haar beroep op dwaling en vordert op die grond veroordeling van Dexia tot terugbetaling van € 8.160,84 met rente en (aanvullende) schadevergoeding zoals in de conclusie van antwoord omschreven, dan wel vordert zij meer subsidiair veroordeling van Dexia tot betaling van een schadevergoeding groot € 22.422,13 alsmede € 8.160,84 met rente alles met proceskosten.

De verweren.

De verweren over en weer strekken tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van de respectieve vorderingen.

Oordeel van de kantonrechter.

Vaststaande feiten.

In deze procedure mag worden uitgegaan van de volgende feiten, nu deze niet, dan wel onvoldoende betwist haar gebleven.

1. Op of omstreeks 30 mei 2000 is een overeenkomst tussen partijen (voor wat betreft Dexia geldt telkens dat daarmee tevens haar rechts-voorganger(s) wordt/worden bedoeld) tot stand gekomen, welke in de kern ertoe strekte dat [gedaagde] gedurende een looptijd van 36 maanden een gedurende die termijn op te bouwen pakket aandelen van Dexia “leaste” (aankoopwaarde was in totaal fl. 85.711,98 = € 38.894,40) tegen een als “rente” aangeduide vergoeding van in totaal fl. 17.984,12 = € 8.160,84. De maandlast bedroeg fl. 499,56 = € 226,69 welke als “rente” wordt aangemerkt. Aan het eind van de looptijd moest fl. 85.611,98 plus een laatste termijn van fl. 100,-- worden terugbetaald, hetgeen in totaal neerkomt op fl. 85.711,98 = € 38.894,40 = de oorspronkelijke aankoop-waarde, waarop in mindering moest strekken de opbrengst van het alsdan door Dexia te verkopen aandelenpakket.

2. Voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst is [gedaagde], die geen enkele ervaring heeft op beleggingsgebied noch daaromtrent enige opleiding heeft genoten en die over weinig vermogen beschikt, door het invullen van een aanmeldingsbon, afkomstig uit een krantenadvertentie, zelf het initiatief genomen om in te stappen. Dexia heeft haar toen de overeenkomst ter ondertekening toegestuurd, vergezeld van een fiscale opinie en een rekenvoorbeeld. Door of namens Dexia is toen geen nader onderzoek ingesteld naar de financiële positie van [gedaagde], anders dan door een toetsing bij het BKR te Tiel. Evenmin is navraag gedaan naar het door deze gewenste risicoprofiel noch naar diens financiële mogelijkheden om een wellicht tegenvallend beleggingsresultaat te dragen.

3. Bij het einde van de looptijd heeft Dexia het aandelenpakket verkocht voor € 16.426,89. Na aftrek van de hiervoor onder 2. bedoelde oorspronkelijke aankoopwaarde van € 38.894,40 en een volgens Dexia onbetaald gebleven maandelijkse “rentetermijnen” ad € 226,69 resteerde een negatief, door [gedaagde] te betalen saldo ad € 22.694,20. Niettegenstaande herhaalde aanmaning heeft [gedaagde] geweigerd dat saldo te voldoen.

Beoordeling van het geschil.

Dexia wenst in de onderhavige procedure in wezen betaling te verkrijgen van voormeld negatief saldo, vermeerderd met rente en gevorderde buitengerechtelijke kosten. De daartegen door [gedaagde] gevoerde verweren en de daarmee samenhangende tegenvorderingen worden, voor zover voor de einduitslag van belang, hierna besproken.

Ten eerste stelt [gedaagde] zich (onder verwijzing naar de Haviltex-doctrine) primair op het standpunt dat de tussen partijen gesloten overeenkomst aldus moet worden uitgelegd, dat zij na afloop van de overeengekomen looptijd van 36 maanden recht kon doen gelden op de volgens haar toegezegde belastingvrije uitbetaling van ƒ 41.309,-- = € 18.745,21. Dexia heeft in die visie dus niets van [gedaagde] te vorderen, maar het omgekeerde is juist het geval! [gedaagde] heeft laatstgenoemd bedrag van Dexia te vorderen, hetgeen zij in reconventie ook doet.

Dit primaire standpunt kan niet worden aanvaard. Hoewel onmiddellijk aan [gedaagde] moet worden toegegeven dat de in juichende bewoordingen gestelde reclame-uitingen van Dexia inderdaad een zeer gunstig beleggingsresultaat voorspiegelden, kon en mocht zij daaruit in redelijkheid niet afleiden dat deze ook werden gegarandeerd, laat staan dat het door [gedaagde] gevorderde bedrag werd gegarandeerd. Met name aan de hand van het met de overeenkomst toegestuurde rekenvoorbeeld had zij kunnen begrijpen dat ook minder resultaat kon worden behaald, ja zelfs een negatief resultaat!

Ten tweede stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de overeenkomst op grond van dwaling moet worden vernietigd, hetgeen enerzijds tot gevolg zou hebben dat [gedaagde] uit dien hoofde niets meer aan Dexia is verschuldigd en anderzijds, dat [gedaagde] recht heeft op terugbetaling van hetgeen zij inmiddels aan rente heeft betaald, vermeerderd met een nog nader te berekenen aanvullende schadevergoeding. Bij [gedaagde] zou door toedoen van Dexia een juiste voorstelling van zaken hebben ontbroken doordat zij door Dexia in de waan is gebracht en/of gelaten dat zij na drie jaar een hoog, belastingvrij bedrag zou ontvangen. In elk geval zou door Dexia bij haar de indruk zijn gewekt dat zij haar inleg niet kon verliezen en zelfs opgescheept kon blijven met een restschuld.

Ook dit subsidiaire standpunt kan niet worden aanvaard omdat uit de door Dexia vooraf verstrekte schriftelijke informatie wel degelijk viel af te leiden dat [gedaagde] dit risico liep. Indien [gedaagde] zich daarin onvoldoende heeft verdiept, dan dient dat in het kader van het leerstuk van de dwaling voor haar risico te blijven. Dat [gedaagde] zich door de (achteraf gezien) veel te optimistische toonzetting van die informatie heeft laten overhalen om toch in deze constructie te stappen levert geen dwaling op. Niet gebleken is dat door of namens Dexia in deze leugenachtige of anderszins onware, dan wel bewust onvolledige informatie is verstrekt.

Ten derde beroept [gedaagde] zich op het niet naleven van de door Dexia in acht te nemen bijzondere zorgplicht en schending van de voor haar gelden gedragsregels, alles zoals in de conclusie van antwoord nader uitgewerkt, op welke grond [gedaagde] aanspraak meent te kunnen maken op de door haar geleden schade bestaande uit de reeds door haar betaalde inleg (rente) alsmede de overgebleven restschuld. In verband daarmee beroept [gedaagde] zich in zoverre (ook) op verrekening.

Dit meer subsidiaire standpunt treft in zoverre doel, dat ik het met [gedaagde] eens ben dat het, na aanmelding van [gedaagde] voor deelname aan de aangeboden aandelenlease, op de weg van Dexia had gelegen om zich tenminste rekenschap te geven van de vraag of [gedaagde] naar redelijke verwachting over voldoende draagkracht zou beschikken om de maandelijks verschuldigde rentetermijnen te betalen alsmede een eventuele restschuld na afloop van het contract te voldoen. Deze verplichting vloeit reeds voort uit het gewone recht, zodat in het midden kan blijven of het bepaalde in artikel 28 van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999, waarin deze zorgplicht terugkeert, nu wel of niet verbindend is en of Dexia bij het aanbieden van de in deze procedure bedoelde aandelenlease nu wel of niet aan die regeling was gebonden. Overigens meen ik dat die regeling wel degelijk verbindend is en dat Dexia daaraan wel degelijk was gebonden, in welk verband ik verwijs naar de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 30 juni 2004 (NJ Feitenrechtspraak, afl. 31, 410).

Onweersproken is gebleven dat Dexia zich die rekenschap in het geheel niet heeft gegeven. Het enkel toetsen van de voorgenomen transactie aan van het BKR te Tiel verkregen informatie was onder de gegeven omstandigheden in elk geval onvoldoende. Aldus bezien heeft Dexia in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die van haar als professionele en terzake deskundige dienstverlener mocht worden verwacht, waardoor zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (al dan niet pre-)contractuele zorgplicht jegens [gedaagde].

Waar de hiervoor bedoelde zorgplicht (in het bijzonder) strekt tot bescherming van [gedaagde] tegen de uiteindelijk overgebleven (onverwacht hoge) restschuld, komt alleen dát gevolg als schade voor vergoeding in aanmerking. Van terug-betaling van inmiddels betaalde rentetermijnen kan geen sprake zijn. Het schadebedrag wordt daarom vastgesteld op een bedrag gelijk aan de restschuld = € 22.467,51. Ingevolge het bepaalde in artikel 6.101 van het Burgerlijk Wetboek dient een deel van deze schade voor eigen rekening van [gedaagde] te blijven. Gegeven de enorme bedragen die met deze transactie waren gemoeid had het immers ook op háár weg gelegen om zich nader te verdiepen in de risico’s die daaraan wellicht verbonden waren en had zij zich ook zèlf dienen af te vragen of zij wel bereid en/of in staat was die te dragen. Ik zal de mate van eigen schuld in dit concrete geval naar redelijkheid en billijkheid begroten op 10%, hetgeen ertoe leidt dat de door Dexia te vergoeden schade wordt vastgesteld op € 22.467,51 -/- 10% = € 20.220,76. Dit aan [gedaagde] toekomende schadebedrag is als verrekend te beschouwen met de vordering van Dexia in conventie, zodat Dexia nog slechts van [gedaagde] heeft te vorderen de somma van € 2.246,75 (restschuld) + € 226,69 (onbetaalde rentetermijn) = € 2.473,44, met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2003. De vordering in conventie is in zoverre toewijsbaar.

De door Dexia bedoelde contractuele rente gold enkel voor wat betreft de berekening van de door [gedaagde] te betalen rente over de leasesom en is geen overeengekomen vertragingsrente.

Toepassing van het bepaalde in artikel 6.278 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek komt gelet op het voorgaande niet (meer) aan de orde.

Een zelfde uitkomst zou zijn bereikt indien toepassing was gegeven aan het leerstuk van misbruik van omstandigheden. Weliswaar is daarop niet met zoveel woorden een beroep gedaan, maar zonder buiten de grenzen van de rechtsstrijd te treden ben ik toch gehouden om te onderzoeken of, zonodig onder aanvulling van rechtsgronden, de vordering van Dexia niet op die rechtsgrond behoort te falen. Zo’n geval doet zich hier voor. Hetgeen daaromtrent hierna wordt overwogen moet worden geacht de beslissing in deze zaak afzonderlijk te kunnen dragen.

Naar mijn oordeel kan op grond van de vaststaande feiten immers worden aangenomen dat wegens het verzaken van de op Dexia rustende (pre)contractuele zorgplicht in deze (tevens) sprake is van een geval van misbruik van omstandigheden, zoals voorzien in artikel 3.44 van het Burgerlijk Wetboek, terwijl het ervoor moet worden gehouden dat [gedaagde] wenst te worden bevrijd van de voor haar nadelige gevolgen daarvan.

Het gaat in deze om een overeenkomst waarbij een op dit terrein onbetwist onervaren consument zich met een voor de gemiddelde consument zeer groot bedrag aan “geleend geld” op de aandelenmarkt begaf. Het was Dexia als deskundige op dit terrein bekend, althans het behoorde haar bekend te zijn, dat een dergelijke “belegging” naar zijn aard grote risico’s met zich meebrengt, die voor de gemiddelde consument als hoogst roekeloos moet worden aangemerkt. Naar mijn oordeel had Dexia in de gegeven omstandigheden ook in het kader van de toepassing van genoemd leerstuk deze overeenkomst dan ook niet, althans niet zonder meer mogen afsluiten, zonder eerst te onderzoeken of betrokkene zich wel bewust was van de risico’s die zij nam en of zij financieel wel in staat zou zijn om eventueel tegenvallende koersfluctuaties op te vangen. Op Dexia rustte de (pre)contractuele zorgplicht, waarvan het bepaalde in artikel 3.44 van het Burgerlijk Wetboek mede een uitwerking geeft, om [gedaagde] te behoeden voor overhaaste stappen. Dat heeft zij niet gedaan. Integendeel, de van Dexia uitgaande juichende berichten wezen vrijwel alléén op de volgens Dexia te verwachten koerswinsten en bevorderden dus als het ware juist het veel te lichtvaardig totstandkomen van de overeenkomst, zonder dat daarin enige echte moeite werd gedaan om [gedaagde] te waarschuwen tegen onkunde, onervarenheid en lichtzinnigheid. Het enkel toetsen van de voorgenomen transactie aan van het BKR te Tiel verkregen informatie was onder de gegeven omstandigheden in elk geval (weer) onvoldoende.

Dat betekent dat de overeenkomst ook met toepassing van het leerstuk van misbruik van omstandigheden niet, althans niet ongewijzigd in stand kan blijven. Waar de kern van het aan Dexia gerichte verwijt hierin ligt besloten, dat zij [gedaagde] ervan had behoren te weerhouden om in feite op de beurs te gaan te speculeren met een voor iemand in haar positie veel te grote som “geleend geld”, meen ik dat er ook met toepassing van meergenoemd leerstuk geen aanleiding bestaat om de overeenkomst op die grond geheel te vernietigen, waarna [gedaagde] dan recht zou hebben op restitutie van de inmiddels betaalde rentebedragen. Het gaat er immers niet om dat [gedaagde] die renteverplichting niet kon dragen, maar om het gegeven dat het risico op koersverlies voor haar te groot was. Ik meen dan ook dat bij toepassing van het leerstuk van misbruik van omstandigheden kan en moet worden volstaan met wijziging van de gevolgen van de overeenkomst en wel aldus, dat [gedaagde] het koersverlies niet geheel hoeft te dragen, doch slechts voor 90%, maar overigens wel ten volle aan haar renteverplichtingen moet voldoen. Daarmee is, rekening gehouden met haar eigen rol in het geheel, het nadeel voldoende opgeheven.

Toepassing van het bepaalde in artikel 6.278 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek is hier wetsystematisch reeds niet aan de orde, nu dat teveel zou afdoen aan de wettelijke bescherming waarop [gedaagde] gelet op het voorgaande nu juist mocht rekenen. Uiteraard deed deze bescherming zich pas voelen toen uitkwam dat [gedaagde] koersverlies ging lijden. Subsidiair dient toepassing van laatstgenoemde wetbepaling achterwege te blijven omdat dit in het licht van het voorgaande tot een in redelijkheid onaanvaardbaar eindresultaat zou leiden, te weten dat het nadeel van de aan Dexia toe te rekenen misbruik van omstandigheden, gelegen in de onverantwoorde blootstelling van [gedaagde] aan koersverliezen, daardoor geheel en al op [gedaagde] zou worden afgewenteld.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar omdat niet is gebleken dat de buitengerechtelijke werkzaamheden méér hebben omvat dan de gebruikelijke voorbereidende werkzaamheden waarvoor de proceskosten-veroordeling reeds een vergoeding pleegt in te sluiten.

Het voorgaande leidt samenvattend tot de volgende uitkomst.

[gedaagde] dient nog aan Dexia te betalen de somma van € 2.473,44 plus rente.

Het in conventie en reconventie over en weer meer of anders gevorderde moet worden afgewezen.

Omtrent de proceskosten moet worden beslist zoals hiervoor bij de beslissing is bepaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.Visser, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 oktober 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.