Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AP6831

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
05-07-2004
Zaaknummer
221003 CV EXPL 03-10219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexiazaak (winstverdubbelaar/verdriedubbelaar) Schorsing in afwachting van de uitkomst in de zaak Stichting Leaseverlies / Dexia afgewezen. Verzoek om voeging met die zaak tevens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Haarlem

sector kanton, locatie Haarlem

zaak/rolnummer: 221003 CV EXPL 03-10219

datum uitspraak: 12 mei 2004

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

DEXIA BANK NEDERLAND N.V.

rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchère N.V.

eveneens handelend onder de naam Legio, rechtsopvolgster van

Legio Lease B.V.

te Amsterdam

eisende partij

hierna te noemen Dexia

gemachtigde C.T Snijder

--tegen--

[gedaagde]

te [woonplaats]

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde mr M.J. Meijer

De procedure

Dexia heeft [gedaagde] gedagvaard op 22 oktober 2003. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. Dexia heeft een conclusie van repliek genomen; [gedaagde] heeft tenslotte een conclusie van dupliek ingediend.

De feiten

[gedaagde] heeft bij overeenkomst van 19 juni 1997 een zogenoemde “WinstVerdubbelaar” lease-overeenkomst gesloten met Legio-Lease B.V., een eerdere rechtsvoorgangster van Dexia.

De tussen partijen overeengekomen lease-som van de WinstVerdubbelaar bedraagt

f 22.027,50, te betalen in 60 maandtermijnen van f 150,53, op of omstreeks de 59e maand een bedrag van ƒ 100,-- en aan het einde van de lease-overeenkomst een bedrag van

f 12.895,70, welk bedrag ingevolge de overeenkomst in principe wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden.

[gedaagde] heeft op 17 juni 1999, in vervolg op de indiening van een door hem ondertekend aanmeldingsformulier bij Bank Labouchère N.V. (hierna: Labouchère) een zogenoemde “WinstVerDriedubbelaar” lease-overeenkomst gesloten met Labouchere, de rechtsvoorgangster van Dexia.

De tussen partijen overeengekomen lease-som van de WinstVerDriedubbelaar bedraagt

f 52.306,82 te betalen in 36 maandtermijnen van f 251,99, op of omstreeks de 35e maand een bedrag van ƒ 100,-- en aan het einde van de lease-overeenkomst een bedrag van

f 43.135,20, welk bedrag ingevolge de overeenkomst in principe wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden.

Op de beide overeenkomsten zijn de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van toepassing.

Door het verstrijken van de overeengekomen looptijd van de respectievelijke overeenkomsten zijn deze geëindigd en heeft Dexia aan [gedaagde] eindafrekeningen gestuurd; voor de WinstVerDriedubbelaar resulteert dit in een door [gedaagde] te betalen bedrag van € 2.971,31 en voor de WinstVerdubbelaar in een door [gedaagde] te betalen bedrag van € 245,67, totaal € 3.216,98.

[gedaagde] is ondanks aanmaning niet tot betaling overgegaan.

De vordering

Dexia vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van

€ 4.384,31, te weten de hoofdsom inclusief de contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten. Dexia stelt hiertoe dat [gedaagde] ondanks sommaties in gebreke is gebleven met betalen zodat hij naast de hoofdsom ook rente en incassokosten verschuldigd is geworden.

Het verweer

[gedaagde] betwist de vordering. Hij verwijst voor de inhoud van zijn verweer naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2003 (nr 253921 / HA ZA 02.2570). Daarnaast voert [gedaagde] aan dat hij had gerekend op een fors positief gespaard eindkapitaal, omdat dit hem door Dexia steeds was voorgespiegeld.

[gedaagde] verzoekt subsidiair aanhouding van deze procedure totdat in hoger beroep in de aangehaalde zaak te Amsterdam is beslist. [gedaagde] voert aan dat zijn zaak ook via de Stichting Leaseverlies loopt.

Bij dupliek voert [gedaagde] -via zijn raadsman- de volgende nadere verweren:

1- Dexia maakt misbruik van haar gezag/bevoegdheid door [gedaagde] als onervaren belegger eerst de twee overeenkomsten "aan te smeren" en hem vervolgens voor de restschuld in rechte te betrekken.

2- Dexia heeft niet voldaan aan haar informatieplicht door [gedaagde] geen volledige (geen brochure!) en juiste informatie te verschaffen.

Dexia heeft nagelaten om [gedaagde] voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst in te lichten over de risico's die aan de overeenkomst verbonden zijn.

Dexia heeft verzuimd om [gedaagde] gericht te vragen naar zijn financiële positie, zijn ervaring met beleggingen en financiële instrumenten en zijn beleggingsdoelstellingen, terwijl Dexia hiertoe verplicht is op grond van artikel 28 Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (thans Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002, hierna: NR); daarnaast had Dexia gedurende de looptijd van de overeenkomst moeten blijven toetsen of [gedaagde] wel aan zijn verplichtingen kon blijven voldoen.

Dexia heeft aldus haar informatieverplichting c.q. contractuele zorgplicht geschonden en daarmee wanprestatie gepleegd, althans onrechtmatig jegens [gedaagde] gehandeld, zodat zij schadeplichtig is tot het bedrag dat thans van [gedaagde] wordt gevorderd en die vordering door compensatie tenietgaat.

3- Daarnaast doet [gedaagde] een beroep op dwaling, omdat hij "geen enkel idee had waar het allemaal om ging".

Subsidiair voert [gedaagde] aan dat de boeterente onredelijk bezwarend is en dat slechts één standaard sommatiebriefje aan hem is gestuurd. [gedaagde] doet een beroep op matiging van rente en buitengerechtelijke incassokosten tot in totaal € 100,-- . Daarnaast verzoekt [gedaagde] matiging van de hoofdsom tot 15% van de ontstane restschuld op grond van de redelijkheid en billijkheid.

[gedaagde] verzoekt -bij wijze van voorlopige voorziening- schorsing van de procedure totdat onherroepelijk uitspraak is verkregen in de zaak Stichting Leaseverlies versus Dexia, aanhangig bij de rechtbank Amsterdam (AN 7990/HA ZA 02.2570) en uitspraak is gedaan door de geschillencommissie onder leiding van ex-ombudsman mr Oosting.

Tenslotte verzoekt [gedaagde] -met een beroep op de rechtsgelijkheid- de zaak te verwijzen naar de rechtbank Amsterdam dan wel deze procedure te voegen met de bij de rechtbank Amsterdam aanhangige, hierboven aangehaalde zaak tussen Stichting Leaseverlies en Dexia.

De beoordeling van het geschil

[gedaagde] heeft bij dupliek, bij wijze van voorlopige voorziening, schorsing van dit geding verzocht. Daartoe stelt [gedaagde] dat eerst onherroepelijk in rechte moet komen vast te staan of aandelenlease-overeenkomsten op grond van dwaling vernietigd moeten worden.

[gedaagde] heeft zijn beroep op dwaling niet met feiten onderbouwd, zodat in zijn geval de aandelenleaseovereenkomsten niet op deze grond vernietigd kunnen worden. Dit brengt mee dat -reeds zonder dat Dexia op het verzoek van [gedaagde] wordt gehoord- de gevraagde voorziening moet worden geweigerd. [gedaagde] heeft immers in zoverre geen belang bij de onherroepelijke uitspraak in het geding tussen Stichting Leaseverlies en Dexia. Ook overigens is geen sprake van één van de wettelijke gronden voor schorsing, zodat de vordering ook daarop afstuit.

[gedaagde] vordert bij dupliek vervolgens verwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam teneinde aldaar gevoegd behandeld te worden met de onder rolnummer

AN 7990/HA ZA 02-2570 aanhangige procedure tussen

de Stichting Leaseverlies en Dexia. [gedaagde] stelt hiertoe dat de tegen hem aangespannen zaak dezelfde problematiek betreft en dat de geschilpunten identiek zijn.

De vordering tot verwijzing moet worden afgewezen nu niet is voldaan aan de voorwaarde gesteld in artikel 220 lid 3 Rv, dat deze vordering moet worden ingesteld voor alle weren. Ook overigens is de onderhavige zaak niet verknocht aan die welke in Amsterdam aanhangig is. De door de Stichting Leaseverlies tegen Dexia ingestelde vordering betreft een groepsactie uit onrechtmatige daad, de door Dexia tegen [gedaagde] ingestelde eis betreft een vordering uit een overeenkomst.

Bij dupliek verzoekt [gedaagde] voeging van deze zaak met de voornoemde procedure in Amsterdam. Dit verzoek wordt afgewezen; voeging moet worden gevorderd vóór alle weren, en de vordering voldoet overigens niet aan de vereiste connexiteit, zoals hiervoor al is geoordeeld ten aanzien van de vordering tot verwijzing. Tenslotte zijn de zaken niet voor dezelfde rechter aanhangig.

Niet is (onderbouwd) gesteld of gebleken dat [gedaagde] door Dexia is overvallen met één van de lease-overeenkomsten. Dexia heeft [gedaagde] met de WinstVerDriedubbelaar in 1999 bovendien schriftelijk benaderd. Het verweer van [gedaagde] dat de leaseovereenkomsten hem zijn "aangesmeerd" wordt derhalve als niet onderbouwd verworpen. De vraag of Dexia misbruik heeft gemaakt van haar gezag of bevoegdheid staat dientengevolge bij gebreke van een feitelijke grondslag niet ter beoordeling.

Het door [gedaagde] gevoerde verweer dat Dexia hem als (potentiële) contractspartij onvoldoende heeft geïnformeerd over de risico's van de onderhavige lease-overeenkomsten, en dat Dexia is tekortgeschoten in haar contractuele zorgplicht, is eerst bij dupliek nader met feiten onderbouwd. [gedaagde] heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat hij de brochure van de WinstVerDriedubbelaar niet bij het aanmeldingsformulier heeft ontvangen.

Het door de rechtbank Amsterdam in het hiervoor genoemde vonnis van 12 november 2003 in rechtsoverweging 14 in meer algemene zin gegeven oordeel over de reikwijdte van de informatieverplichting van Dexia, alsook de omstandigheid dat het genoemde verweer van [gedaagde] eerst bij dupliek nader is uitgewerkt, brengt mee dat aan Dexia de gelegenheid moet worden geboden om zich bij akte uit te laten over het verweer van [gedaagde] dat Dexia is tekortgeschoten in haar contractuele zorgplicht c.q. haar informatieverplichting uit hoofde van artikel 28 NR, en ook overigens (bij voorkeur aan de hand van de hierboven gegeven weergave van de weren van [gedaagde]) haar stellingen nader kan onderbouwen. Dexia wordt verzocht zich bij die akte tevens uit te laten over de mogelijkheid van aanhouding van (de uitspraak in) deze zaak totdat in hoger beroep op voornoemd vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2003 zal zijn beslist.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

- verwijst de zaak naar de rol van 9 juni 2004 voor het nemen van een akte door Dexia;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Dubois en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.