Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO9902

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
24-05-2004
Zaaknummer
101855 - KG ZA 04-224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Lijfsdwang is toegestaan nu gedaagde na ontruiming steeds terugkeert naar woning en eerdere uitspraak van voorzieningenrechter naast zich neerlegt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Zaaknummer: 101855/KG ZA 04-224

Vonnisdatum: 19 mei 2004

713

RECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

procureur mr. W.M.U. van der Blom,

advocaat mr. H.A. van Hapert te Amsterdam,

-- tegen --

[gedaagde],

wonende, althans werkelijk verblijvende te [verblijfplaats],

gedaagde partij,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] respectievelijk [gedaagde].

1. Het verloop van het geding

Ter terechtzitting van 14 mei 2004 heeft [eiseres] gevraagd verstek te verlenen tegen [gedaagde], die niet is verschenen.

De raadsman van [gedaagde], mr. J.P. van Vulpen, heeft aan de voorzieningenrechter een schrijven d.d. 12 mei 2004 doen toekomen. Aan vorenbedoeld schrijven zijn de "korte aantekeningen" van mr. Van Vulpen als bijlage gehecht, welke aantekeningen de wederpartij eveneens voorafgaande aan de terechtzitting heeft ontvangen. De voorzieningenrechter heeft nota genomen van de aantekeningen en zal deze bij de beoordeling van het geschil in kort geding betrekken.

Voorts heeft mr. Van Hapert, volgens zijn zeggen met toestemming van mr. Van Vulpen, een faxbericht van laatstgenoemde d.d. 13 mei 2004 in het geding gebracht.

Nadat het verstek bij gebleken geldige wijze van dagvaarden was verleend, heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inleidende dagvaarding, waarvan afschrift aan dit vonnis is gehecht. Vervolgens heeft [eiseres] vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

a. Op 12 december 2003 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank vonnis gewezen in een eerder kort geding tussen partijen, waarbij [gedaagde] werd aangeduid als [gedaagde], alsmede tussen [eiseres] en A. [vader gedaagde] en rechthebbende van het appartementsrecht, plaatselijk bekend als [adres]. De voorzieningenrechter heeft in bedoeld vonnis ten aanzien van [gedaagde] onder meer als volgt beslist:

6.1 Gebiedt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te verlaten en daar niet meer naar terug te keren.

6.2 Machtigt [eiseres] om dit gebod zonodig met behulp van de sterke arm van justitie en politie ten uitvoer te leggen.

b. Het vonnis in kort geding is op 12 januari 2004 aan [gedaagde] betekend.

c. Op 13 januari 2004 heeft [eiseres] bij de politie aangifte gedaan van bedreiging door [gedaagde].

d. Na betekening van vorenbedoeld vonnis op 18 februari 2004, heeft de deurwaarder -in tegenwoordigheid van een ambtenaar als bedoeld in artikel 444 lid 2 Rv.- [gedaagde] in de ochtend van 26 februari 2004 uit de woning gezet.

e. Daar [gedaagde] zich weer toegang tot de woning had verschaft, heeft de deurwaarder op 30 maart 2004 zich -in tegenwoordigheid van een ambtenaar als bedoeld in artikel 444 lid 2 Rv.- naar de woning begeven. Omdat [gedaagde] niet in de woning bleek te zijn en naar mededeling van buurtbewoners zojuist even was weggegaan, zijn onder toezicht van de deurwaarder nieuwe sloten op de woning gezet, zulks teneinde [gedaagde] te beletten om zich toegang tot de woning te verschaffen.

f. Vervolgens heeft [gedaagde] zich wederom toegang tot de woning verschaft.

De vordering en de grondslag daarvan

3.1 [eiseres] vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met verlof tot dadelijke tenuitvoerlegging, de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toe te staan van het kort geding vonnis d.d. 12 december 2003 (zaaknr. 97078/KG ZA 03-599).

3.2 [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de rechterlijke beslissing(en) naast zich neer heeft gelegd en dat door [gedaagde] -niettegenstaande uitgeoefende executiemiddelen- (in toenemende mate) inbreuk wordt gemaakt op haar eigendomsrecht en haar recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en haar lichamelijke integriteit.

2. De gronden van de beslissing

In zijn "korte aantekeningen" heeft mr. Van Vulpen erkend dat [gedaagde] zich via een dakraam weer heeft gevestigd in de woning. Mr. Van Vulpen stelt dat de bedoeling van het kort geding vonnis van 12 december 2003 was, dat [gedaagde] [eiseres] niet meer zou lastig vallen en dat hij de verkoop van de woning niet zou belemmeren. Volgens mr. Van Vulpen is van die twee zaken geen sprake meer en is er derhalve geen reden voor toepassing van gijzeling. Hij kwalificeert dit als misbruik van recht.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat mr. Van Vulpen in dit betoog uitgaat van een onjuiste lezing van het kort geding vonnis van 12 december 2003. De bedoeling van dit vonnis is geen andere dan als opgenomen onder 6.1 en 6.2 van dat vonnis.

Ten aanzien van de gevorderde lijfsdwang overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Lijfsdwang is een uiterste drukmiddel, waarmee wordt beoogd te bewerkstelligen dat degene die verboden handelingen verricht, deze handelingen in het vervolg zal nalaten.

In het onderhavige geval is voldoende aanleiding om aan het (eerder) door de voorzieningenrechter uitgesproken gebod het dwangmiddel van lijfsdwang te verbinden. Immers, vast staat dat [gedaagde] geen gehoor heeft gegeven aan het in het vonnis 12 december 2003 neergelegde gebod om de woning aan de [adres] te verlaten en daar niet meer naar terug te keren alsmede dat de tenuitvoerlegging van het vonnis met behulp van de sterke arm van justitie en politie geen effect heeft gesorteerd.

Nu voorts niet te verwachten valt dat [gedaagde] gevoelig is voor andere dwangmiddelen, zoals bijvoorbeeld een dwangsom, en deze daarom onvoldoende uitkomst zullen bieden, zal de vordering tot tenuitvoerlegging bij lijfsdwang worden toegewezen op de wijze zoals hierna omschreven.

[eiseres] heeft nog aangevoerd dat justitie bij de laatste ontruiming gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om [gedaagde] een openstaande straf van één dag te laten uitzitten. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden om direct na zijn vrijlating terug te keren naar de woning, aldus [eiseres]. In het licht daarvan en gezien alle overige feiten en omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de eerste periode van gijzeling vast te stellen op zeven dagen. Indien en voor zover [gedaagde] vervolgens wederom in strijd met het in het vonnis van 12 december 2003 neergelegde gebod de woning aan de [adres] zal betrekken, zal de periode van gijzeling telkens maximaal veertien dagen bedragen. De (totale) gijzelingsduur mag op de voet van artikel 589 lid 1 Rv. de periode van één jaar niet overschrijden.

[eiseres] heeft verlof tot dadelijke tenuitvoerlegging gevorderd daar de aanwezigheid van [gedaagde] in de woning een gevaarlijke situatie met zich brengt en betekening wellicht tot een escalatie zal kunnen leiden. Dit onderdeel van [eiseres]s vordering zal worden afgewezen daar bij de belangenafweging niet kan worden voorbijgegaan aan het belang van [gedaagde] om door middel van betekening kennis te nemen van het feit dat tenuitvoerlegging bij lijfsdwang door de voorzieningenrechter is toegestaan.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

3. De beslissing (bij verstek)

De voorzieningenrechter:

Verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde.

Machtigt [eiseres] één dag na betekening van dit vonnis om [gedaagde] in gijzeling te doen stellen voor de duur van maximaal zeven dagen voor de eerste keer en vervolgens telkens voor de duur van maximaal veertien dagen voor iedere keer, dat hij het in het kort geding vonnis van 12 december 2003 onder 6.1 neergelegde gebod niet naleeft, zulks tot een maximum van in totaal één jaar;

Bepaalt dat geen volgende gijzeling mag plaatsvinden dan in het geval dat [gedaagde] na de vorige gijzeling opnieuw het in het kort geding vonnis van 12 december 2003 onder 6.1 neergelegde gebod niet naleeft;

Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van [eiseres] begroot op € 275,40 aan verschotten en € 454,- aan salaris voor de procureur.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, voorzieningenrechter van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 19 mei 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.