Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO9728

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
230107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Werknemer neemt tijdens lunchpauze pakje frisdrank mee uit het magazijn naar de kantine. Volgt schorsing en ontslag op staande voet. De versie van werknemer luidt anders dan die van vier andere medewerkers, die min of meer gelijkluidend verklaren. Dat werknemer de Nederlandse taal niet machtig is ontslaat hem er niet van zich aan de bij werkgever geldende regels te houden, zeker niet nu werkgever haar werknemers altijd in de gelegenheid stelt om via iemand die het Nederlands beheerst een gesprek met haar aan te gaan. Volgt afwijzing van de gevorderde voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Haarlem

sector kanton, locatie Haarlem

zaak/rolnummer: 230107/VV EXPL 04-62

datum uitspraak: 10 maart 2004

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

in de zaak van

[EISER]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [EISER]

gemachtigde mr. M.J.E.J. Coenraad

--tegen--

de naamloze vennootschap

KIJKGRIJP DEKAMARKT N.V.

te Velsen

gedaagde partij

hierna te noemen Dekamarkt

gemachtigde mr. A.J.P. Schram

De procedure

[EISER] heeft Dekamarkt op 25 februari 2004 gedagvaard. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2004, waarbij de gemachtigden zich hebben bediend van pleitnotities. Dekamarkt heeft nog stukken in het geding gebracht.

De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen door en namens partijen is verklaard.

De feiten

1. [EISER] is op 20 februari 2001 bij Dekamarkt in dienst getreden in de functie van magazijnmedewerker, aanvankelijk voor bepaalde en vanaf 16 maart 2002 voor onbepaalde tijd.

2. Op 11 februari 2004 heeft [EISER] tijdens de lunchpauze een pakje frisdrank uit het magazijn gepakt en dit meegenomen naar de kantine met de bedoeling het daar op te drinken. Dekamarkt heeft [EISER] diezelfde dag geschorst wegens het onrechtmatig nuttigen van goederen, die eigendom zijn van Dekamarkt.

3. Op 12 februari 2004 heeft naar aanleiding van de gebeurtenis op 11 februari 2004 een gesprek plaatsgevonden tussen [EISER], de afdelingschef R. Kay, de productieleider R. Meier en de personeelsfunctionaris A. Kaaij. Voorts was aanwezig de heer Lumeka, orderverzamelaar, die heeft gefungeerd als tolk.

4. Bij brief van dezelfde datum heeft Dekamarkt aan [EISER] meer het volgende medegedeeld:

"Hierbij bevestigen wij dat wij u [...…] met ingang van donderdag 12 februari 2004 op staande voet ontslagen bent.

De reden voor het ontslag is gelegen in het feit dat u op woensdag 11 februari 2004 op heterdaad bent betrapt op het onrechtmatig nuttigen van goederen, die eigendom zijn van Dekamarkt.

[...…]

Nadat u betrapt bent [...…] heeft er op donderdag een gesprek plaatsgevonden met u […...].

"Tijdens dit gesprek […...] heeft u toegegeven dat u onrechtmatig goederen van Dekamarkt heeft toegeëigend.

[...…]

U zult begrijpen dat wij uw gedrag niet kunnen accepteren. Temeer omdat wij u in het verleden al eerder waarschuwingen hebben verstuurd wegens het overtreden van de geldende regels binnen Dekamarkt."

5. Bij brief van 13 februari 2004 heeft [EISER] de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen en zich beschikbaar gehouden voor de bedongen arbeid.

De vordering

[EISER] vordert bij wijze van voorlopige voorziening (samengevat) veroordeling van Dekamarkt tot wedertewerkstelling op straffe van een dwangsom en tot doorbetaling van het loon vanaf 12 februari 2004. [EISER] stelt daartoe het volgende.

[EISER] betwist zich aan diefstal schuldig te hebben gemaakt. Hij heeft het pakje frisdrank gepakt omdat hij om gezondheidsredenen altijd iets moet drinken bij de lunch en omdat de frisdrankautomaat die dag ten gevolge van een stroomstoring niet werkte. Hij heeft dit in alle openheid gedaan en heeft niet getracht het pakje frisdrank te verbergen. Ook zijn collega's waren ervan op de hoogte dat hij een pakje frisdrank uit het magazijn ging halen. [EISER] was van plan het pakje frisdrank af te rekenen, maar heeft de kans niet gekregen om dat aan Dekamarkt uit te leggen. Hij betwist te hebben toegegeven dat hij het pakje frisdrank heeft gestolen. Uit de omstandigheid dat hij zijn excuses heeft aangeboden, kan zulks niet worden afgeleid. Van belang is voorts, dat [EISER] de Nederlandse taal niet machtig is, zodat ook het bedrijfsreglement waarop Dekamarkt zich beroept, niet van toepassing is.

Het ontslag op staande voet ontbeert derhalve een dringende reden.

Het ontslag op staande voet is bovendien niet onverwijld gegeven. [EISER] is op 11 februari 2004 zonder meer naar huis gestuurd en ook in het gesprek op 12 februari 2004 is hem niet medegedeeld op grond van welke gedraging hem ontslag op staande voet werd gegeven. Dat vernam [EISER] pas uit de brief van 12 februari 2004.

Tenslotte betwist [EISER] dat hij eerder de binnen Dekamarkt geldende regels heeft overtreden. Tegen de waarschuwingen, die hij overigens niet alle heeft ontvangen, heeft [EISER] destijds niet geprotesteerd wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal. Nu er geen sprake is van herhaald gedrag, kunnen deze waarschuwingen niet als reden voor het ontslag op staande voet dienen. Het enkele incident met het pakje frisdrank is daarvoor ook niet voldoende.

Het ontslag op staande voet is, gelet op het bovenstaande, nietig.

[EISER] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering, aangezien hij kostwinner is voor zijn gezin.

Het verweer

Dekamarkt heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

De kantonrechter is van oordeel dat het, gelet op het geen in deze procedure is komen vast te staan, vooralsnog niet aannemelijk is dat [EISER] in een bodemprocedure het gelijk aan zijn zijde zal vinden. Zij overweegt daartoe het volgende.

Dekamarkt heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van de zaak schriftelijke verklaringen overgelegd van vier van haar medewerkers omtrent het incident op 11 februari 2004. Deze verklaringen houden alle een min of meer gelijkluidende versie in van de gebeurtenissen op 11 en 12 februari 2004, welke versie in tegenspraak is met de lezing die [EISER] ervan geeft. Voor zover, gelet op de betwisting door [EISER] van de gang van zaken bij de op die dagen met hem gehouden gesprekken, een nader onderzoek nodig zou zijn, biedt de onderhavige procedure daarvoor geen gelegenheid, gelet op het spoedeisend karakter daarvan.

Van belang is voorts dat de personeelsfunctionaris A. Kaaij, aanwezig bij de mondelinge behandeling, de stelling van [EISER], dat het wel vaker voorkomt dat werknemers iets uit beschadigde colli pakken om dit later af te rekenen, gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft [EISER] zelf verklaard dat normaliter alleen iets tegen betaling uit de frisdrank-automaat kon worden gehaald en dat hij dacht, dat hij het pakje frisdrank kon betalen als iemand hem ernaar zou vragen.

Dat [EISER], naar hij stelt de Nederlandse taal niet machtig is, ontslaat hem niet van zijn verplichting zich aan de bij Dekamarkt geldende regels te houden, te minder nu Dekamarkt onbetwist heeft gesteld, dat er in haar organisatie vele verschillende nationaliteiten zijn vertegenwoordigd en dat het altijd mogelijk is om in aanwezigheid van een tolk, althans van iemand die het Nederlands wel beheerst, een gesprek met de leiding aan te gaan, indien bepaalde zaken niet duidelijk zijn. Nu gesteld noch gebleken is dat [EISER] om enige andere reden niet van het bedrijfsreglement op de hoogte kon zijn, leidt dit ertoe dat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter artikel 8.8 van dit reglement, dat ziet op de gevolgen van diefstal - waaronder ook wordt verstaan het zonder toestemming van of namens de bedrijfsleider meenemen van goederen toebehorend aan de werkgever - onverkort op de arbeidsovereenkomst met [EISER] van toepassing is.

Dekamarkt heeft onbetwist verklaard, dat om redenen van zorgvuldigheid een ontslag op staande voet nooit eerder wordt gegeven dan nadat op instigatie van de leidinggevende door personeelszaken een gesprek met de betrokken werknemer is gearrangeerd. Nu het gesprek met [EISER] daags na het gebeuren op 11 februari 2004 heeft plaatsgevonden en ook de brief waarbij het ontslag op staande voet aan [EISER] wordt bevestigd op diezelfde dag is geschreven, kan van een niet onverwijld gegeven ontslag op staande voet in het onderhavige geval geen sprake zijn.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering zal worden afgewezen.

De proceskosten komen voor rekening van [EISER] omdat deze in het ongelijk is gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

- weigert de gevorderde voorlopige voorziening;

- veroordeelt [EISER] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Dekamarkt tot en met vandaag worden begroot op € 360,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Harts en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.