Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO9320

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
70556/ HA ZA 00-1527, 79230/HA ZA 01-1574, 79267/HA ZA 01-1578
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal van geldzak bij afhandeling van vlucht op Schiphol. Geldzak had eigenlijk als waardezending moeten zijn vervoerd, maar door vergissing is sprake geweest van reguliere zending. Werknemers van grondafhandelingsbedrijf hebben geldzak opzettelijk in vrachtruim achtergelaten teneinde deze later op te halen en te behouden. Daarnaast was op luchtvrachtbrief een te lage waarde van de zending vermeld om risico diefstal te verkleinen onder de afspraak dat in geval van diefstal geen beroep op die te lage waarde zou worden gedaan. Een en ander is door de luchtvervoerder betwist. Het grondafhandelingsbedrijf heeft betwist dat de diefstal door haar werknemers is gepleegd in het kader van de uitoefening van hun dienstbetrekking. Laatstgenoemd verweer wordt verworpen. Bewijsopdracht aan ladingbelanghebbenden ter zake van voornoemde afspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Zaaknrs/rolnrs: 70556/HA ZA 00-1527, 79230/HA ZA 01-1574 en 79267/HA ZA 01-1578

Vonnisdatum: 12 mei 2004

688

VONNIS VAN DE RECHTBANK TE HAARLEM,

ENKELVOUDIGE KAMER,

in de zaak met zaak-/rolnummer 70556/HA ZA 00-1527 (hierna ook: "de hoofdzaak") van:

1. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging

UNIQA SACHVERSICHERUNG AG, (rechtsopvolger van "Versicherungs

Anstalt der Österreichischen Bundeslander Versicherungsaktiengesellschaft"),

gevestigd te Wenen, Oostenrijk,

2. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging

ERSTE BANK DER ÖSTERREICHISCHEN SPARKASSEN AG,

gevestigd te Wenen, Oostenrijk,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRINK'S NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Houten en mede gevestigd te Haarlemmerliede,

eiseressen in de hoofdzaak,

procureur (thans) mr. M. Middeldorp (voorheen mr. P.Heidinga),

-- tegen --

1. de rechtspersoon naar het recht van Oostenrijk AUSTRIAN AIRLINES ÖSTERREICHISCHE LUFTVERKEHRS-AKTIENGESELLSCHAFT,

gevestigd te Wenen, Oostenrijk,

gedaagde sub 1 in de hoofdzaak,

procureur mr. J.A. van den Berg,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AERO GROUNDSERVICES B.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer, kantoorhoudende te Luchthaven Schiphol,

gedaagde sub 2 in de hoofdzaak,

procureur mr. P. Ingwersen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CARGO SERVICE CENTER NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer,

gedaagde sub 3 in de hoofdzaak,

4. de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V., tevens h.o.d.n. KLM Cargo,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde sub 4 in de hoofdzaak,

procureur mr. Th.J. Douma.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Uniqa c.s. respectievelijk gedaagden, terwijl eiseres sub 1 afzonderlijk zal worden aangeduid als Uniqa, eiseres sub 2 als EBDÖS, eiseres sub 3 als Brink's en gedaagde sub 1 als Austrian Airlines, gedaagde sub 2 als AG, gedaagde sub 3 CSCN, gedaagde sub 4 als KLM en gedaagden sub 3 en sub 4 gezamenlijk als CSCN+KLM.

Alsmede in de zaak met zaak-/rolnummer 79230/HA ZA 01-1574 van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AERO GROUNDSERVICES B.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer, kantoorhoudende te Luchthaven Schiphol,

eiseres in vrijwaring,

procureur mr. P. Ingwersen,

-- tegen --

1. de rechtspersoon naar het recht van Oostenrijk AUSTRIAN AIRLINES

ÖSTERREICHISCHE LUFTVERKEHRS-AKTIENGESELLSCHAFT,

gevestigd te Wenen, Oostenrijk,

gedaagde partij in vrijwaring sub 1,

procureur mr. J.A. van den Berg,

2. de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V., tevens h.o.d.n. KLM Cargo,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde partij in vrijwaring sub 2,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CARGO SERVICE CENTER NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer,

gedaagde partij in vrijwaring sub 3,

procureur mr. T.J. Douma.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als AG respectievelijk gedaagden, terwijl gedaagden in vrijwaring ieder afzonderlijk zullen worden aangeduid als Austrian Airlines resp. KLM resp. CSCN.

Alsmede in de zaak met zaak-/rolnummer 79267/HA ZA 01-1578:

de rechtspersoon naar het recht van Oostenrijk AUSTRIAN AIRLINES ÖSTERREICHISCHE LUFTVERKEHRS-AKTIENGESELLSCHAFT,

gevestigd te Wenen, Oostenrijk,

eiseres in vrijwaring,

procureur mr. J.A. van den Berg,

-- tegen --

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AERO GROUNDSERVICES B.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer, kantoorhoudende te Luchthaven Schiphol,

gedaagde in vrijwaring,

procureur mr. P. Ingwersen,

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Austrian Airlines respectievelijk AG.

1. De (verdere) loop van het geding

In de zaak met zaak-/rolnummer 70556/HA ZA 00-1527

1.1 Voor de verdere loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende zich in het griffiedossier bevindende gedingstukken, waarop vonnis is gevraagd:

- het op 9 oktober 2001 gewezen tussenvonnis met de daarin genoemde gedingstukken;

- de conclusie van antwoord van de zijde van CSCN+KLM,

- de conclusie van antwoord van de zijde van Austrian Airlines met 1 productie,

- de conclusie van antwoord van de zijde van AG;

- de conclusie van repliek met 4 producties;

- de conclusie van dupliek van de zijde van CSCN+KLM,

- de conclusie van dupliek van de zijde van AG;

- de conclusie van dupliek van de zijde van Austrian Airlines.

1.2 De onderhavige procedure is gevoegd met 2 vrijwaringprocedures en wel procedures met zaak-/rolnummer 79230/HA ZA 01-1574 resp. met zaak-/rolnummer 79267/ HA ZA 01-578.

In de zaak met zaak-/rolnummer 79230/HA ZA 01-1574

1.3 Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende zich in het griffie

dossier bevindende gedingstukken, waarop vonnis is gevraagd:

- de op 9 november 2001 uitgebrachte dagvaardingen met bijlage ten aanzien van Austrian Airlines en CSCN;

- de conclusie van eis met de daarbij gevoegde dagvaarding d.d. 29 november 2001 ten aanzien van KLM;

- de conclusie van antwoord in vrijwaring van de zijde van KLM en CSCN;

- de conclusie van antwoord in vrijwaring van de zijde van Austrian Airlines met 4 producties;

- de conclusie van repliek in vrijwaring;

- de conclusie van dupliek in vrijwaring van de zijde van KLM en CSCN;

- de conclusie van dupliek in vrijwaring van de zijde van Austrian Airlines met 2 producties.

In de zaak met zaak-/rolnummer 79267/HA ZA 01-1578

1.4 Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende zich in het griffiedossier bevindende gedingstukken, waarop vonnis is gevraagd:

- de op 8 november 2001 uitgebrachte dagvaarding;

- de conclusie van eis;

- de conclusie van antwoord in vrijwaring met 1 productie;

- de conclusie van repliek in vrijwaring met 4 producties;

- de conclusie van dupliek in vrijwaring;

- een nadere conclusie in vrijwaring van de zijde van Austrian Airlines;

- een antwoordconclusie bij nadere conclusie in vrijwaring van de zijde van AG.

2. De vaststaande feiten

In alle zaken

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweersproken inhoud van overgelegde producties, staat in dit geding het volgende vast:

a. op of omstreeks 16 februari 1998 heeft Austrian Airlines een luchtvrachtbrief met nummer 257-53728135 uitgegeven voor het vervoer door de lucht van 3 stuks "LEGAL BANK NOTES VAL" van Wenen naar Amsterdam (hierna: "de luchtvrachtbrief");

b. de luchtvrachtbrief vermeldt als afzender EBDÖS, als geadresseerde Brink's en als vervoerder Austrian Airlines;

c. voornoemde lading, bestaande uit 3 geldzakken, is op 16 februari 1998 op de luchthaven Schiphol aangekomen aan boord van de door Austrian Airlines uitgevoerde vlucht OS 487;

d. van de 3 door Austrian Airlines ten vervoer in ontvangst genomen geldzakken zijn slechts 2 geldzakken uitgeleverd aan de (vertegenwoordiger van de) op de vrachtbrief genoemde geadresseerde;

e. op 18 februari 1998 is door of namens Brink's aan ieder der gedaagden een schriftelijk protest verzonden ter zake van de niet-uitlevering van 1 geldzak;

f. Uniqa heeft de door EBDÖS geleden schade vergoed uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst en is gesubrogeerd in de rechten van EBDÖS;

g. op 17 april 1998 heeft ESIS International Inc. in opdracht van Uniqa een expertiserapport uitgebracht;

h. op het vervoer van de onderhavige geldzakken is van toepassing het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (het Verdrag van Warschau), zoals gewijzigd bij het Haags Protocol 1955 (hierna: het VvW/HP).

In de zaken met zaak-/rolnummers 79230/HA ZA 01-1574 en 79267/HA ZA 01-1578

2.2 In deze zaken staat op voormelde grondslag eveneens vast:

i. AG heeft vlucht OS 487 afgehandeld;

j. de door AG verrichte afhandelingwerkzaamheden betreffende voornoemde vlucht

zijn uitgevoerd op basis van de door partijen gesloten Standard Ground Handling

Agreement d.d. 15 september 1997 (hierna: "SGHA");

k. art. 8 SGHA bepaalt voor zover van belang:

In this Article, all references to the Carrier or the Handling Company shall include their

employees, servants, agents and subcontractors.

8.1 The Carrier shall not make any claim against the Handling Company ans shall indemnify

it (subject as hereinafter provided) against any legal liability for claims or suits, inclu-

ding costs and expenses incidental thereto. In respect of:

(a) (…) loss of (…) cargo (…) carried or to be carried by the Carrier; and

(…)

(d) damage to or loss of property owned or operated by, or on behalf of, the Carrier and

any consequential loss (…)

arising from a act or omission of the Handling Company in the performance of this

Agreement unless done with intent to cause damage, death, delay, injury or loss or

recklessly and with the knowledge that damage, death, delay, injury or loss would pro-

bably result.

3. De vordering

In de zaak met zaak-/rolnummer 70556/HA ZA 00-1527

3.1 Uniqa c.s. vorderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis primair Austrian Airlines, subsidiair AG, CSCN en KLM hoofdelijk, althans subsidiair AG, althans CSCN, althans KLM te veroordelen om aan hen, althans aan Uniqa, althans EBDÖS, althans Brink's te betalen aan bedrag van ATS 3.328.036,62, althans de tegenwaarde daarvan in Nederlandse courant, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 16 februari 1998 althans met ingang van 18 februari 1998 althans met ingang van de dag der dagvaarding, in alle gevallen tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van primair Austrian Airlines en subsidiair AG, CSCN en KLM hoofdelijk, althans subsidiair AG, althans CSCN, althans KLM in de kosten van het geding.

3.2 Aan hun vordering tegen Austrian Airlines hebben Uniqa c.s. een toerekenbaar tekortschieten ten grondslag gelegd in de nakoming van de luchtvervoerovereenkomst en de daarop toepasselijke bepalingen van het VvW/HP. De vordering tegen AG baseren Uniqa c.s. op art. 6:162 jo art. 6:170 BW. Uniqa c.s. hebben KLM "zekerheidshalve" aangesproken op de grondslag dat laatstgenoemde, ondanks wetenschap dat het ten aanzien van de litigieuze zending om een waardezending ("VAL") ging, die zending niet als een waardezending, maar als een reguliere zending heeft behandeld en in het kader daarvan de lossing heeft opgedragen aan CSCN. Laatstgenoemde is door Uniqa c.s. aangesproken in haar hoedanigheid van opdrachtgever van AG.

In de zaak met zaak-/rolnummer 79230/HA ZA 01-1574

3.3 AG vordert dat gelijktijdig met het in de hoofdzaak te wijzen vonnis KLM, Austrian Airlines en CSCN zullen worden veroordeeld om aan haar te betalen al datgene waartoe AG in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld en met veroordeling van KLM, Austrian Airlines en CSCN in de kosten van het geding in de hoofdzaak en in deze vrijwaring.

3.4 Primair heeft AG haar vordering op Austrian Airlines gebaseerd op art.8 SGHA en subsidiair op art. 6:102 BW.

3.5 Aan haar vordering op KLM heeft AG een onrechtmatige daad ten grondslag gelegd, bestaande uit het ten onrechte aanmerken van de litigieuze zending als "gewone vracht" en niet als waardezending ("VAL").

3.6 De vordering op CSCN vloeit voort eveneens uit voornoemd art. 8 SGHA, dat van kracht is op de door haar met CSCN gesloten overeenkomst, aldus AG.

In de zaak met zaak-/rolnummer 79267/HA ZA 01-1578

3.7 Austrian Airlines vordert dat AG bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de hoofdzaak gelijktijdig zal worden veroordeeld om aan Austrian Airlines te betalen al datgene, waartoe Austrian Airlines als gedaagde in de hoofdzaak bij voormeld vonnis ten behoeve van Uniqa Sachversicherung AG (rechtsopvolger van "VersicherungsAnstalt der Österreichischen Bundeslander Versicherungsaktiengesellschaft), en/of Erste Bank der Österreichischen Sparkassen AG en/of Brink's Nederland B.V. mocht worden veroordeeld, en met veroordeling van AG in de kosten van het geding in de hoofdzaak en in de vrijwaring.

3.8 Primair baseert Austrian Airlines haar vordering op art. 8 SGHA en subsidiair op de artt. 6:76 en 6:170 BW.

4. Het verweer

In alle zaken

4.1 Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. Beoordeling van het geschil

In de zaak met zaak-/rolnummer 70556/HA ZA 00-1527

Ten aanzien van CSCN+KLM

5.1 Aan hun vordering tegen CSCN hebben Uniqa c.s. bij inleidende dagvaarding ten grondslag gelegd niet te kunnen uitsluiten dat CSCN een verwijt valt te maken als opdrachtgever van AG. Ter zake van hun vordering op KLM hebben Uniqa c.s. aangevoerd dat niet is uit te sluiten dat, zoals te doen gebruikelijk voor een zending als de onderhavige, KLM door Austrian Airlines per telex erover was geïnformeerd dat de litigieuze zending een waardezending ("VAL") betrof en derhalve mogelijk nalatig is geweest om de zending te lossen overeenkomstig de daarvoor geldende procedure. Bij gebrek aan inzicht in de contractsverhouding tussen Austrian Airlines en de door haar ingeschakelde afhandelaars op Schiphol hebben Uniqa c.s. zekerheidshalve CSCN+KLM mede gedagvaard. Bij repliek hebben Uniqa tot uitdrukking gebracht te moeten begrijpen dat Austrian Airlines kennelijk rechtstreeks aan AG opdracht heeft gegeven voor de afhandeling van de litigieuze zending respectievelijk de aflevering aan Brink's, zodat in casu CSCN+KLM "kennelijk niet betrokken zijn geweest". Wat er zij van de bij repliek sub 5 verwoorde veronderstellingen en voorbehouden, de rechtbank is van oordeel dat Uniqa c.s. zijn tekortgeschoten in hun stelplicht ten aanzien van hun vorderingen op CSCN+KLM. Om die reden wijst de rechtbank die vorderingen af.

Ten aanzien van Austrian Airlines

5.2 De rechtbank begrijpt het verweer zijdens Austrian Airlines aldus dat niet wordt betwist dat 1 van de geldzakken die onder de luchtvrachtbrief werden vervoerd na aankomst op Schiphol is gestolen met als gevolg dat deze niet kon worden uitgeleverd aan de geadresseerde. Wel wordt betwist dat deze geldzak is gestolen door platformmedewerkers van AG, meer in het bijzonder [Y] en/of [T]. In verband met dat laatste heeft zij de juistheid betwist van door Uniqa c.s. overgelegde bekentenissen van beide voornoemde personen in het kader van een tegen hen gericht strafrechtelijk vooronderzoek. Dat verweer wijst de rechtbank af. Wat er zij van de door Austrian Airlines aangevoerde omstandigheid dat [Y] noch [T] strafrechtelijk is veroordeeld en de vermoedens die zij daaruit afleidt, die omstandigheid laat onverlet dat, zoals blijkt uit de verklaringen die [Y] en [T] tegenover de verbalisanten hebben afgelegd, zij na aanvankelijk iedere betrokkenheid bij de diefstal te hebben ontkend uiteindelijk een volledige bekentenis hebben afgelegd. Mede gelet op de chronologie van de door [Y] en [T] afgelegde verklaringen enerzijds en het ontbreken van iedere aanwijzing dat [Y] en/of [T] hun/zijn verklaring(en) hebben (heeft) ingetrokken anderzijds heeft Austrian Airlines de zijdens Uniqa c.s. gestelde betrokkenheid van beide personen bij de diefstal van de niet-uitgeleverde geldzak niet voldoende gemotiveerd weersproken. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de litigieuze geldzak door [Y] en [T] is gestolen.

5.3 Subsidiair heeft Austrian Airlines betwist dat beide personen opdracht hadden om afhandelingwerkzaamheden te verrichten ten aanzien van de litigieuze lading. Dit, aan het verweer zijdens AG ontleende argument berust evenwel op een onjuiste interpretatie van het verweer zijdens AG. Immers, AG heeft zich ter zake van haar betwisting [Y] en [T] te hebben ingeschakeld bij de afhandeling van de litigieuze lading bediend van stellingen van algemene aard ten aanzien van de behandeling van reguliere zendingen ten behoeve van Austrian Airlines en de wijze van afhandeling van waardezendingen. Met zodanige stellingen had AG evenwel niet mogen volstaan. Immers, [Y] en [T] hebben respectievelijk tegenover de verbalisanten verklaard:

Ik zal nu verklaren wat er op 16 februari 1998, omstreeks 22.00 uur is gebeurd. De juiste tijd weet ik niet meer.

Ik zat in de kantine en werd opgehaald door de voorman, ik denk dat [IJ] heet. [T] moest mee. [T] ging op de trekker en ik ben met de voorman meegereden in zijn bus. Ik ben niet bevoegd om op een trekker te rijden. Wij moesten naar een nachtstopper om die te lossen. Dit betrof een vlucht van de Oostenrijkse maatschappij."

en

"Op 16 februari 1998 moest ik samen met collega [Y] onder leiding van voorman Ykel de vracht en post lossen van vlucht OS 487 uit Wenen.

5.4 Gesteld dat, zoals door AG is aangevoerd, uitsluitend de lossing van de reguliere lading uit vlucht OS 487 tot de werkzaamheden van [Y] en [T] binnen het kader van hun dienstbetrekking behoorde, had onder de gegeven omstandigheden van hen mogen worden verwacht dat zij ter zake van de lossing van de litigieuze vlucht ofwel in overleg met hun voorman alle 3 door hen aangetroffen geldzakken in het vrachtruim zouden hebben achtergelaten in afwachting van afhandeling daarvan nadien conform de voor waardezendingen gebruikelijke procedure ofwel alle 3 geldzakken ter lossing zouden hebben opgenomen en deze op de onder het toestel gereed staande karren zouden hebben geplaatst. In plaats daarvan hebben zij slechts 2 geldzakken ter lossing opgenomen onder achterlating van de derde geldzak, waarvan zij blijkens hun verklaringen in het strafdossier wisten, althans ervan uitgingen dat zich daarin bankbiljetten bevonden en zonder daarvan mededeling te doen aan hun voorman. Dat zij hun voorman hebben ingelicht in voornoemde zin, is door AG immers niet gesteld en is de rechtbank overigens ook niet gebleken. Een en ander brengt mede dat [Y] en [T] moeten worden geacht bij de afhandeling van de litigieuze zending te hebben gehandeld "in de uitoefening van zijn dienstbetrekking", zoals bedoeld in art. 25 VvW/HP. Waar Austrian Airlines niet heeft betwist dat zij AG heeft ingeschakeld bij de afhandeling van de lading en een diefstal als de onderhavige heeft te gelden als opzet in de zin van dat artikel, komt Austrian Airlines geen beroep toe op de aansprakelijkheidsbeperking ex art. 22 lid 2 VvW/HP. Tegen de achtergrond daarvan behoeft de vraag of de niet-verzending van de telex aan KLM, waarin de aankomst van de zending werd aangekondigd, moet worden gekwalificeerd als "bewuste roekeloosheid", geen beantwoording meer.

5.5 Austrian Airlines heeft de hoogte van de beweerdelijk zijdens Uniqa c.s. geleden schade op drie gronden betwist. In de eerste plaats zou de aansprakelijkheid gemaximeerd zijn tot het in de luchtvrachtbrief vermelde bedrag van ATS 10.000,-- , zijnde een "bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering, gedaan door de afzender bij de afgifte van de colli aan de vervoerder" ex art 22 lid 2 sub a VvW/HP. Uniqa c.s. hebben zich daartegen verweerd door te stellen dat voornoemd, in verhouding tot de werkelijke waarde van de zending gering bedrag uitsluitend in de luchtvrachtbrief is opgevoerd uit oogpunt van diefstalpreventie. Aan die handelwijze zou een afspraak met onder meer Austrian Airlines ten grondslag liggen. Bovendien zou Austrian Airlines hebben toegezegd in geval van diefstal geen beroep op de te laag aangegeven waarde te zullen doen. Van een en ander hebben Uniqa c.s. bewijs aangeboden. Austrian Airlines heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van de luchtvrachtbrief aangegeven waarde van ATS 10.000,-- en dat op grond van artt. 10 jo. 22 VvW/HP geen tegenbewijs daarvan openstaat. Ingevolge art. 11 VvW/HP strekt de luchtvrachtbrief "behoudens tegenbewijs" tot bewijs van het sluiten van de overeenkomst, van de ontvangst van de goederen alsmede van de voorwaarden van het vervoer. In een zaak als de onderhavige, waarin het de afzender is die gebruik heeft gemaakt van de in art. 22, lid 2 sub a VvW/HP neergelegde mogelijkheid om bij afgifte van de colli aan de vervoerder een "bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering" te doen, moet de in art. 11 VvW/HP neergelegde mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs worden geacht te zijn geschreven in het belang van de vervoerder en niet van de afzender die zich op het standpunt stelt dat voornoemde verklaring als niet-geschreven moet worden beschouwd. Zulks zou immers niet stroken met art. 10, lid 1 VvW/HP, waaraan het uitgangspunt ten grondslag ligt dat de afzender heeft in te staan "voor de juistheid van de mededeelingen en de verklaringen betreffende de goederen, welke hij op den luchtvrachtbrief aanteekent". Om die reden zullen Uniqa c.s. niet worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs betreffende de waarde van de litigieuze zending, zoals deze blijkt uit de luchtvrachtbrief.

5.6 Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat Uniqa c.s. overeenkomstig het door hen gedane aanbod wel zullen worden toegelaten tot het bewijs van hun, door Austrian Airlines betwiste stelling dat laatstgenoemde heeft toegezegd in geval van diefstal geen beroep te zullen doen op het in verhouding tot de werkelijke waarde van de litigieuze zending te lage bedrag op de luchtvrachtbrief. Anders dan zijdens Uniqa c.s. is aangevoerd, ligt in het arrest van de Hoge Raad S&S 1978, 32 geen rechtvaardiging besloten om in casu van voornoemde bewijslevering af te zien. Immers, doorgaans zijn vervoertarieven gerelateerd aan de waarde van de ten vervoer aangeboden vracht. Zijdens Uniqa c.s. is evenwel niet gesteld dat in casu is overeengekomen van die gedragslijn af te wijken danwel dat door ladingbelanghebbenden een vervoertarief is betaald naar rato van de werkelijke waarde van de litigieuze lading. Zolang de uitkomst van voornoemde bewijslevering niet bekend is, kan derhalve niet worden aangenomen dat Austrian Airlines ermede heeft ingestemd zich bloot te stellen aan de kans in geval van diefstal onbeperkt aansprakelijk te zijn en wel tot het bedrag dat overeenkomt met de werkelijke waarde van de gestolen lading zonder toepasselijkheid van een vervoertarief dat op die waarde is afgestemd.

5.7 Gesteld dat Uniqa c.s. er niet in mocht slagen voornoemd bewijs te leveren, is de aansprakelijkheid van Austrian Airlines in elk geval gemaximeerd tot een bedrag van ATS 10.000,--. Indien Uniqa c.s. wel mochten slagen in het voornoemde tegenbewijs, geldt voornoemde maximering van aansprakelijkheid niet en dient de vraag te worden beantwoord wat de hoogte is van de door Uniqa c.s. geleden schade. Die waarde zou volgens Uniqa c.s. moeten worden gesteld op een bedrag van ATS 3.328.036,62 , zijnde de inhoud van de gestolen geldzak. Ter onderbouwing van dat bedrag hebben Uniqa c.s. het rapport van ESIS International Inc. overgelegd alsmede een zestal documenten. Met Austrian Airlines is de rechtbank van oordeel dat die documenten geen, althans onvoldoende bewijs opleveren van de waarde van de inhoud van voornoemde geldzak. Uniqa c.s. hebben het rapport van ESIS overgelegd zonder de kennelijk daarbij behorende bijlagen ("enclosed faxed copies of transfer notes"). Voor zover die bijlagen zouden bestaan uit de bij repliek als productie 4 overgelegde documenten, leveren die stukken onvoldoende bewijs op van de waarde van de inhoud van de ontvreemde geldzak ten tijde van de inontvangstneming van die geldzak door Austrian Airlines uit hoofde van de luchtvrachtbrief. In voornoemde, voorshands theoretische situatie zullen Uniqa c.s. worden toegelaten tot het bewijs daarvan. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank Uniqa c.s. in de gelegenheid stellen met laatstgenoemd, voorshands theoretische bewijslevering reeds een aanvang te maken tegelijk met voornoemd, in r.o. 5.6 genoemde bewijs.

5.8 Ongeacht de uitkomst van laatstgenoemd bewijsopdracht staat ter beoordeling de betekenis van het zijdens Austrian Airlines gevoerde en zijdens Uniqa c.s. niet, althans onvoldoende weersproken verweer dat laatstgenoemden niet hebben voldaan aan de op hen rustende schadebeperkingplicht. Dat laatste ziet toe op het opeisen door Uniqa c.s. van de door [Y] en [T] ontvreemde bankbiljetten. Het daarmee corresponderende bedrag zal in mindering strekken op het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag. Op basis van de gedingstukken met de daarbij behorende producties laat zich vooralsnog niet beoordelen om welk bedrag het in laatstgenoemd verband precies gaat. Alvorens een begin te maken met het horen van mogelijk zijdens Uniqa c.s. voor te brengen getuigen in het kader van voornoemde (tegen)bewijslevering zal de rechtbank om proceseconomische redenen een comparitie van partijen gelasten teneinde nader met partijen te overleggen over de waarde van de aangetroffen en overigens teruggevonden bankbiljetten. Voorafgaande aan die comparitie zal de rechtbank Austrian Airlines in de gelegenheid stellen uiterlijk 3 weken vóór de comparitie schriftelijk opgave aan de rechtbank en met kopie aan de wederpartij te doen van het bedrag dat naar haar mening met voornoemde bankbiljetten is gemoeid, waarna Uniqa c.s. in de gelegenheid zullen worden gesteld daarop uiterlijk 1 week vóór de comparitie op dezelfde wijze schriftelijk te reageren.

5.9 In afwachting van de uitkomst van het verdere vervolg van de procedure voor wat betreft de vordering van Uniqa c.s. tegen Austrian Airlines houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

Ten aanzien van AG

5.10 Zijdens AG is niet, althans onvoldoende betwist dat 1 van de geldzakken die onder de luchtvrachtbrief werden vervoerd, na aankomst op Schiphol is gestolen met als gevolg dat deze niet kon worden uitgeleverd aan de geadresseerde. Wel heeft AG betwist dat deze geldzak is gestolen door [Y] en/of [T], beiden als platformmedewerkers bij haar in dienst. In verband met dat laatste heeft zij de juistheid betwist van door Uniqa c.s. overgelegde bekentenissen van beide voornoemde personen in het kader van een tegen hen gericht strafrechtelijk vooronderzoek. Dat verweer wijst de rechtbank af. Wat er zij van de door AG aangevoerde omstandigheid dat de strafrechtelijke procedures tegen [Y] en [T] zijn geseponeerd en de vermoedens die zij daaruit afleidt, die omstandigheid laat onverlet dat, zoals blijkt uit de verklaringen die [Y] en [T] tegenover de verbalisanten hebben afgelegd, zij na aanvankelijk iedere betrokkenheid bij de diefstal te hebben ontkend uiteindelijk een volledige bekentenis hebben afgelegd. Mede gelet op de chronologie van de door [Y] en [T] afgelegde verklaringen enerzijds en het ontbreken van iedere aanwijzing dat [Y] en/of [T] hun/zijn verklaring(en) hebben (heeft) ingetrokken anderzijds heeft AG de zijdens Uniqa c.s. gestelde betrokkenheid van beide personen bij de diefstal van de niet-uitgeleverde geldzak niet voldoende gemotiveerd weersproken. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de litigieuze geldzak door [Y] en [T] is gestolen.

5.11 Voorts heeft AG betwist beide laatstgenoemde personen te hebben ingeschakeld bij de afhandeling van de litigieuze lading. In dat verband heeft AG zich bediend van stellingen van algemene aard ten aanzien van de behandeling van reguliere zendingen ten behoeve van Austrian Airlines en de wijze van afhandeling van waardezendingen. Met zodanige stellingen had AG evenwel niet mogen volstaan. Immers, [Y] en [T] hebben respectievelijk tegenover de verbalisanten verklaard:

Ik zal nu verklaren wat er op 16 februari 1998, omstreeks 22.00 uur is gebeurd. De juiste tijd weet ik niet meer.

Ik zat in de kantine en werd opgehaald door de voorman, ik denk dat [IJ] heet. [T] moest mee. [T] ging op de trekker en ik ben met de voorman meegereden in zijn bus. Ik ben niet bevoegd om op een trekker te rijden. Wij moesten naar een nachtstopper om die te lossen. Dit betrof een vlucht van de Oostenrijkse maatschappij."

en

"Op 16 februari 1998 moest ik samen met collega [Y] onder leiding van voorman Ykel de vracht en post lossen van vlucht OS 487 uit Wenen.

5.12 Gesteld dat, zoals door AG is aangevoerd, uitsluitend de lossing van de reguliere lading uit vlucht OS 487 tot de werkzaamheden van [Y] en [T] binnen het kader van hun dienstbetrekking behoorde, had onder de gegeven omstandigheden van hen mogen worden verwacht dat zij ter zake van de lossing van de litigieuze vlucht ofwel in overleg met hun voorman alle 3 door hen aangetroffen geldzakken in het vrachtruim zouden hebben achtergelaten in afwachting van afhandeling daarvan nadien conform de voor waardezendingen gebruikelijke procedure ofwel alle 3 geldzakken ter lossing zouden hebben opgenomen en deze op de onder het toestel gereed staande karren zouden hebben geplaatst. In plaats daarvan hebben zij slechts 2 geldzakken ter lossing opgenomen onder achterlating van de derde geldzak, waarvan zij blijkens hun verklaringen in het strafdossier wisten, althans ervan uitgingen dat zich daarin bankbiljetten bevonden en zonder daarvan mededeling te doen aan hun voorman. Dat zij hun voorman hebben ingelicht in voornoemde zin, is door AG immers niet gesteld en is de rechtbank overigens ook niet gebleken. Een en ander brengt mede dat [Y] en [T] moeten worden geacht bij de afhandeling van de litigieuze zending te hebben gehandeld "in de uitoefening van zijn dienstbetrekking", zoals bedoeld in art. 25A, lid 1 VvW/HP. Waar AG haar betwisting van opzet of grove schuld in de zin van art. 25A, lid 3 VvW/HP heeft beperkt tot voornoemd element uit die verdragsbepaling en derhalve niet heeft weersproken dat een diefstal als de onderhavige in het algemeen als opzet in de zin van dat artikel heeft te gelden, komt AG derhalve geen beroep toe op de aansprakelijkheidsbeperking ex art. 22 lid 2 VvW/HP.

5.13 Indien en voor zover haar geen beroep zou toekomen op voornoemde aansprakelijkheidsgrenzen, heeft AG aangevoerd dat Uniqa c.s. niet méér schade kunnen vorderen dan het bedrag van ATS 10.000,-- , zoals als waarde van de litigieuze zending op de luchtvrachtbrief tot uitdrukking gebracht. Meer in het bijzonder meent AG dat Uniqa c.s. niet kunnen worden toegelaten tot tegenbewijslevering dat de werkelijke waarde van de litigieuze zending hoger is dan zoals door hen op de luchtvrachtbrief tot uitdrukking gebracht. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hierboven in r.o. 5.5 heeft overwogen moet ten aanzien van de waarde van de litigieuze zending worden uitgegaan van de juistheid van de "bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering waarde", zoals door de afzender op de luchtvrachtbrief tot uitdrukking is gebracht. De aansprakelijkheid van AG blijft tot het daarmee corresponderende bedrag van ATS 10.000,-- beperkt ongeacht de uitkomst van het hierboven in r.o. 5.6 aan Uniqa c.s. opgedragen bewijs. Immers, zelfs al zou moeten worden geoordeeld dat door Austrian Airlines een toezegging is gedaan in de door Uniqa c.s. gestelde zin, door Uniqa c.s. is niet gesteld dat Austrian Airlines zodanige toezegging mede namens AG heeft gedaan. Ook overigens ontbreekt een grondslag om aan te nemen dat AG aan zodanige toezegging zou zijn gebonden. Nu van de zijde van AG geen verdere verweren zijn gevoerd, ligt de vordering van Uniqa c.s. voor toewijzing gereed tot een bedrag van ATS 10.000,--.

In de zaak met zaak-/rolnummer 79230/HA ZA 01-1574

Ten aanzien van KLM en CSCN

5.14 De vordering van AG tegen KLM en CSCN strandt reeds op de enkele grondslag dat AG mede blijkens de opmaak van haar conclusie van repliek in vrijwaring die ervan blijk geeft uitsluitend te zijn gericht tegen Austrian Airlines, het zijdens KLM en CSCN bij conclusie van antwoord in vrijwaring gevoerde verweer geheel onweersproken heeft gelaten. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat AG, voor zover het de vorderingen op KLM en CSCN betreft, is tekortgeschoten in haar stelplicht op grond waarvan deze voor afwijzing gereed liggen.

Ten aanzien van Austrian Airlines

5.15 AG stelt zich primair op het standpunt dat uit art. 8 SGHA de verplichting voor Austrian Airlines voortvloeit om AG te vrijwaren. Blijkens de bewoordingen van die contractsbepaling, zoals hierboven weergegeven in r.o 2 sub k, kan AG daaraan aanspraken jegens Austrian Airlines ontlenen, tenzij sprake is van de aan het slot van de eerste zin van lid 1 opgenomen uitzondering ("unless done with intent to cause damage, death, delay, injury or loss or recklessly and with the knowledge that damage, death, delay, injury or loss would probably result"). Anders dan zijdens AG aangevoerd, kan zij niet worden gevolgd in haar stellingname als zou in casu geen sprake zijn van genoemde uitzonderingssituatie. Kortheidshalve volstaat de rechtbank met te verwijzen naar hetgeen zij hierboven in de hoofdzaak in r.o. 5.11 en 5.12 heeft overwogen. Derhalve kan de primaire grondslag de verhaalsvordering van AG niet dragen.

5.16 Ten aanzien van de subsidiaire grondslag overweegt de rechtbank als volgt. [Y] en [T] hadden ter zake van de lossing van de litigieuze vlucht ofwel in overleg met hun voorman alle 3 door hen aangetroffen geldzakken in het vrachtruim moeten achterlaten in afwachting van latere afhandeling daarvan conform de voor waardezendingen gebruikelijke procedure ofwel alle 3 geldzakken ter lossing moeten opnemen en deze op de onder het toestel gereed staande karren moeten plaatsen. In plaats daarvan hebben zij slechts 2 geldzakken ter lossing opgenomen onder achterlating van de derde geldzak, waarvan zij blijkens hun verklaringen in het strafdossier wisten, althans aannamen dat zich daarin bankbiljetten bevonden en zonder daarvan mededeling te doen aan hun voorman. Dat zij hun voorman hebben ingelicht in voornoemde zin, is door AG niet gesteld en is de rechtbank overigens ook niet gebleken. Die nalatigheid vond plaats vóór algehele voltooiing van de werkzaamheden door [Y] en [T] in het kader van de afhandeling van de litigieuze vlucht, zoals door AG bij repliek in vrijwaring sub 11 gesteld. Daarmede staat vast dat de diefstal en mitsdien de schade niet heeft plaatsgevonden tijdens het onbeveiligde vervoer naar de opslagruimte of tijdens opslag in de niet-beveiligde ruimte. Weliswaar kan aan AG worden toegegeven dat de nalatigheid zijdens Austrian Airlines om tijdig voor beveiliging zorg te dragen, zoals te doen gebruikelijk is voor de afhandeling van een waardezending, het risico op onregelmatigheden bij de lossing van de litigieuze zending heeft vergroot, maar dat disculpeert AG niet ten aanzien van de door haar werknemers gepleegde diefstal. Waar evenwel gesteld noch gebleken is dat Austrian Airlines opzettelijk nalatig is geweest is de rechtbank van oordeel dat, mede rekening houdende met de uiteenlopende ernst van de over en weer gemaakte fouten, de billijkheid meebrengt dat de vergoedingsplicht ex art. 6:102 BW zijdens Austrian Airlines geheel vervalt.

5.17 In afwachting van het verdere vervolg van de hoofdzaak houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

In de zaak met zaak-/rolnummer 79267/HA ZA 01-1578

5.18 In het kader van de beoordeling van de betekenis van art. 8 SGHA, waarop Austrian Airlines haar vordering op AG doet steunen, meer in het bijzonder het slot van de eerste zin van lid 1 "unless done with intent to cause damage, death, delay, injury or loss or recklessly and with the knowledge that damage, death, delay, injury or loss would probably result" is het van belang vast te stellen tot welke werkzaamheden AG zich tegenover Austrain Airlines had verbonden. Partijen zijn het erover eens dat Annex A van toepassing is verklaard in de SGHA. Op grond van art. 6.4.6 sub a is AG volgens Austrian Airlines gehouden tot "Unload loads from aircraft", hetgeen zijdens AG niet is weersproken. Waar in deze bepaling geen onderscheid wordt gemaakt tussen reguliere zendingen en waardezendingen, zoals bijvoorbeeld het geval is in het door AG aangehaalde art. 6.4.12 Annex A, moet de conclusie derhalve zijn dat AG zich tegenover Austrian Airlines heeft verbonden om alle door laatstgenoemde op Schiphol aangevoerde lading te lossen.

5.19 Ten aanzien van de toedracht van de diefstal zijn partijen het erover eens, althans van de zijde van AG is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat ten tijde van de lossing van de litigieuze vlucht 3 geldzakken in het vrachtruim van het toestel zijn aangetroffen. Daarvan zijn 2 geldzakken daadwerkelijk uit het vrachtruim opgenomen en op een onder het toestel gereed staande kar gelegd voor vervoer naar een opslagruimte en 1 geldzak is in het vrachtruim achtergelaten teneinde later diezelfde nacht alsnog te worden opgehaald en buiten de gebruikelijke afhandelingprocedure te worden afgevoerd. Met andere woorden: de onregelmatigheid ten aanzien van de litigieuze lossing heeft plaatsgevonden in het vrachtruim van het toestel en niet op het platform of tijdens het vervoer naar de opslagruimte dan wel het verblijf in die ruimte. Partijen verschillen evenwel van mening of AG op grond van de SGHA gehouden de litigieuze geldzakken zelf te lossen en in dat kader werknemers van AG de taak hadden het vrachtruim te betreden teneinde die geldzakken tezamen met de overige, reguliere lading te lossen, zoals Austrian Airlines heeft aangevoerd, dan wel of het lossen met inbegrip van het daartoe betreden van het vrachtruim tot de taak van een derde behoorde, nu het ter zake van de geldzakken om een waardezending ging, zoals AG heeft aangevoerd. Zoals AG bij nadere conclusie zelf heeft erkend, wordt ter zake van de lossingverplichting ex art. 6.4.6a Annex A geen onderscheid gemaakt tussen waardezendingen en reguliere zendingen. Specifiek ter zake van waardezendingen voorziet art. 6.4.12 Annex A weliswaar in beveiliging ter zake van de lossing van "valuables and vulnerable cargo", maar wordt AG niet ontheven van haar voornoemde lossingsverplichting. Voorts is de door AG ter onderbouwing van haar stellingname aangehaalde verklaring uit het strafdossier van [M] van CSC, dat een zending als de onderhavige "door de KLM Security Service van boord van het toestel wordt gehaald" alsmede de fax van Austrian Airlines van 3 maart 1998 in tegenspraak met de opvattingen van [vR], cargo manager Nederland van Austrian Airlines, en [vL] van KLM Security Services, zoals blijkt uit hun, zijdens Austrian Airlines overgelegde verklaringen. Weliswaar heeft AG de inhoud van die verklaringen op onderdelen betwist, doch niet weersproken dat beiden heren conform hun verklaringen hebben verklaard. Mede gelet op de verklaringen uit het strafdossier van de duty-manager van AG en de platform voorman van AG, de heren [D] en [K], waarvan de juistheid niet door AG is weersproken, is de rechtbank van oordeel dat als onvoldoende gemotiveerd door AG weersproken vaststaat dat het tot de taak van AG behoorde om alle door Austrian Airlines op Schiphol aangevoerde vrachten uit de vrachtruimen van de respectieve toestellen te lossen, ook in die gevallen waarin het, zoals in casu het geval was, een waardezending betrof en waarin was nagelaten om AG en/of derden daarover tijdig tevoren te informeren. Tevens behoren zodanige werkzaamheden tot hetgeen waartoe AG jegens Austrain Airlines gehouden is "in the performance of this Agreement" in de zin van voornoemd art 8 SGHA.

5.20 Uitgaande van het voorgaande staat ter beoordeling of AG, althans haar werknemers zich naar behoren van voornoemde verplichting heeft c.q. hebben gekweten. Zoals de rechtbank in de hoofdzaak heeft overwogen, luidt het antwoord op die vraag ontkennend. Kortheidshalve volstaat de rechtbank in dat verband met te verwijzen naar hetgeen zij hierboven in r.o. 5.10 e.v. heeft overwogen. Anders dan AG heeft aangevoerd komt haar in redelijkheid geen beroep op eigen schuld zijdens Austrain Airlines toe. Immers, ongeacht welk effect uitgaat van de aanwezigheid van beveiligingsmensen bij de lossing van de litigieuze zending teneinde deze in een beveiligde wagen af te voeren naar een beveiligde opslagruimte, [Y] en [T] hadden alle 3 door hen in het vrachtruim aangetroffen geldzakken moeten opnemen en op de onder het toestel gereed staande karren moeten plaatsen en niet slechts 2 geldzakken. Zelfs al zouden beide personen nadien niet zelf naar het toestel zijn teruggekeerd om de derde geldzak op te halen met de bedoeling om zich de inhoud daarvan toe te eigenen, maar de geldzak uitsluitend opzettelijk niet hebben gelost en deze opzettelijk in het vrachtruim achtergelaten zonder hun voorman daarover te informeren, zou die nalatigheid onder de gegeven omstandigheden hebben te gelden als "an act or omission (…) done with intent to cause (…) loss or recklessly and with knowledge that (…) loss would probably result" in de zin van art. 8 SGHA.

5.21 Tenslotte heeft AG aangevoerd niet bekend te zijn met een afspraak tussen ladingbelanghebbenden en Austrian Airlines, als waarvan in de hoofdzaak sprake is. Van zodanige afspraak vormt onderdeel een toezegging zijdens Austrian Airlines om in geval van diefstal geen beroep te zullen doen op een bij wijze van bijzondere verklaring in de zin van art. 22 VvW/HP in de luchtvrachtbrief opgevoerde waarde van de litigieuze zending, die in verhouding tot de werkelijke waarde daarvan gering is. Een dergelijke afspraak zou in redelijkheid niet aan haar kunnen worden tegengeworpen. Derhalve zou Austrian Airlines maximaal verhaal op AG kunnen nemen tot een bedrag van ATS 10.000,--, overeenkomend met de in de luchtvrachtbrief opgevoerde waarde van de litigieuze zending. Dat verweer slaagt. Zoals de rechtbank in de hoofdzaak heeft overwogen, is de vordering op Austrian Airlines in beginsel gemaximeerd tot laatstgenoemd bedrag. Dat zou evenwel uitzondering lijden, indien eiseressen in de hoofdzaak erin mochten slagen voornoemde afspraak te bewijzen. Waar door Austrian Airlines niet is gesteld of overigens is gebleken dat zij AG over voornoemde afspraak heeft geïnformeerd, moet worden aangenomen dat zij die afspraak buiten medeweten van AG heeft gemaakt. Derhalve kan zij die, voor AG nadelige afspraak in redelijkheid niet aan AG tegenwerpen. Gesteld dat Austrian Airlines op grond van voornoemde afspraak jegens eiseressen in de hoofdzaak aansprakelijk mochten zijn tot een bedrag hoger dan ATS 10.000,-- , zal de vordering in vrijwaring van Austrian Airlines worden toegewezen tot een bedrag in hoofdsom van ATS 10.000,-- .

5.22 In afwachting van het verdere vervolg van de hoofdzaak houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

6. Beslissing

De rechtbank:

In de zaak met zaak-/rolnummer 70556/HA ZA 00-1527

Ten aanzien van Austrian Airlines:

6.1 Laat Uniqa c.s. toe tot het bewijs dat Austrian Airlines heeft toegezegd in geval van diefstal geen beroep te zullen doen op het in verhouding tot de werkelijke waarde van de litigieuze zending te lage bedrag, zoals vermeld op de luchtvrachtbrief.

6.2 Laat Uniqa c.s. toe tot het bewijs van de waarde van de inhoud van de ontvreemde geldzak ten tijde van de inontvangstneming van die geldzak door Austrian Airlines uit hoofde van de luchtvrachtbrief.

6.3 Bepaalt dat, indien Uniqa c.s. dit bewijs door getuigen wensen te leveren, de getuigen zullen worden gehoord voor onderstaand lid van deze rechtbank op een door deze in overleg met de procureurs van partijen te bepalen dag en uur in het gerechtsgebouw aan de Jansstraat 81 te Haarlem en wel direct in aansluiting op een op diezelfde dag te houden comparitie van partijen tot het hierboven in r.o. 5.8 genoemde doel.

6.4 Verzoekt partijen om binnen twee weken na heden, op de wijze als in bijlage B. 1 van het Landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken staat aangegeven, aan de rechtbank op te geven de verhinderdata aan eigen zijde in de komende vier maanden. Indien van een partij deze opgaaf niet binnen deze termijn is ontvangen, gaat de rechtbank er van uit dat aan de zijde van die partij geen verhinderingen bestaan. De uiteindelijk bepaalde zittingsdatum wordt in de personele en ruimtelijke roosters van de rechtbank verwerkt en wordt niet meer gewijzigd.

6.5 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Ten aanzien van CSCN, KLM en AG:

6.6 Houdt iedere beslissing aan.

In de zaken met zaak-/rolnummers 79230/HA ZA 01-1574 en 79267/HA ZA 01-1578

6.7 Houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, lid van voormelde kamer, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 12 mei 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.