Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO9076

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
10-05-2004
Zaaknummer
04-495
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering evenementenvergunning voor tweedaagse Dance Valley Festival in het belang van de openbare orde. Voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Reg. nr: Awb 04-495

Uitspraakdatum: 6 mei 2004

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

(artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht)

op een verzoek om voorlopige voorziening

in de zaak van:

Dance Valley B.V.,

gevestigd te Purmerend,

verzoekster,

gemachtigde: mr. A.J.F. de Jager, advocaat te Amsterdam,

-- tegen --

de burgemeester van de gemeente Velsen,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 9 maart 2004 heeft verweerder geweigerd verzoekster een vergunning ex artikel 2.2.2, eerste lid, Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Velsen 2001, hierna: APV, te verlenen voor het houden van een meerdaags festival; meer in het bijzonder voor de door verzoekster gevraagde extra showdag op vrijdag 6 augustus 2004. Verweerder is, onder voorwaarden, wel bereid een vergunning te verlenen voor een eendaags festival op 7 augustus 2004.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 26 maart 2004 bezwaar gemaakt. Bij brief van dezelfde datum is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 april 2004, alwaar namens verzoekster [naam persoon], directeur, en zijn gemachtigde voornoemd zijn verschenen.

Namens verweerder is verschenen mr. E. Broere en mr. P.A.M. van der Hulst, beiden in dienst van de gemeente Velsen.

Tevens zijn verschenen als deskundige T. Kanters en D.P. van den Berg, directeur REP'S Event and Promotion Support, gevestigd te Haarlem.

2. Overwegingen

2.1. De beoordeling van het verzoek draagt een voorlopig karakter en is niet bindend in de hoofdzaak.

2.2. Op 22 augustus 2003 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend voor een evenementenvergunning voor het houden van Dance Valley Festival op zaterdag 7 augustus 2004 met 60.000 bezoekers en voor het houden van een extra showdag op vrijdag 6 augustus 2004 met 20.000 bezoekers, die allen aansluitend overnachten op door verzoekster ingerichte camping. Bij het op 26 november 2003 opgestelde draaiboek Dance Valley Campingplan heeft verzoekster aangegeven een showdag op 6 augustus 2004 voor 20.000 bezoekers te willen organiseren, waarbij 10.000 bezoekers aansluitend overnachten op de camping. Bij faxbericht van 24 februari 2004 heeft verzoekster aan verweerder meegedeeld dat de opzet van de showdag op vrijdag 6 augustus 2004 is aangepast in die zin dat 10.000 bezoekers de showdag zullen bezoeken, die allen aansluitend overnachten op de camping en die niet de mogelijkheid hebben het terrein te verlaten.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder in het belang van de openbare orde vergunning voor het houden van een meerdaags festival, meer in het bijzonder voor het houden van de extra showdag op vrijdag 6 augustus 2004, geweigerd.

2.4. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen ingevolge waarvan het verzoekster, eventueel onder nader te stellen voorwaarden, is toegestaan op vrijdag 6 augustus en 7 augustus 2004 een tweedaagse festival te houden, dan wel een andere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter juist acht.

2.5. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat de gevraagde voorziening in deze stand van de procedure, hangende bezwaar, een te verstrekkende voorziening betreft. Dit geldt temeer nu ter zitting desgevraagd is verklaard dat de hoorzitting op 15 april 2004 heeft plaatsgevonden en de beslissing op bezwaar zo spoedig mogelijk bekend zal worden gemaakt, terwijl de (geweigerde) vergunning een evenement betreft dat plaats zal vinden begin augustus 2004. De voorzieningenrechter ziet, gelet op het belang van verzoekster, evenwel voldoende aanleiding om te beoordelen of aannemelijk moet worden geacht dat het onderhavige besluit in bezwaar in stand zal blijven. In dat kader wordt het volgende overwogen.

2.6. Artikel 2.2.2, APV luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde.

2.7. Bij de uitoefening van de hem in artikel 2.2.2., tweede lid, APV toegekende bevoegdheid heeft de burgemeester een ruime beleidsvrijheid. De burgemeester moet immers bij uitstek in staat worden geacht vragen van openbare orde en in dat kader te nemen maatregelen te beoordelen. Beoordeling van de wijze waarop deze bevoegdheid wordt uitgeoefend dient door de (voorzieningen)rechter dan ook terughoudend te worden getoetst.

2.8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het belang van de openbare orde voor de extra showdag op vrijdag en de aansluitende overnachting van 10.000 mensen op de camping in totaal (minimaal) 30 politiemensen benodigd zijn. Nu in deze politie-inzet niet is voorzien en de benodigde politiemensen evenmin op een andere manier ter beschikking kunnen worden gesteld, heeft verweerder de vergunning in het belang van de openbare orde geweigerd.

2.9. Het ontbreken van de benodigde politiecapaciteit is het gevolg van de in het kader van prioriteitstelling door de politie gemaakte keuze om de inzet van de politiecapaciteit voor Dance Valley 2004 te halveren ten opzichte van de inzet voor Dance Valley 2003 en in dat verband voor vrijdag 6 augustus 2004 geen politiecapaciteit beschikbaar te stellen. De politie heeft verweerder geadviseerd om vanwege het ontbreken van politiecapaciteit geen evenementenvergunning te verlenen voor de showdag en overnachting op 6 augustus 2004. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit advies overgenomen en aan zijn besluit ten grondslag gelegd.

2.10. Anders dan verzoekster kennelijk meent bestaat er geen onvoorwaardelijk recht op politie-inzet bij commerciƫle evenementen. Het staat verweerder dan ook vrij de beleidskeuze van de politie om geen politiecapaciteit beschikbaar te stellen op de betreffende vrijdag en vrijdagnacht over te nemen en mede aan zijn besluit ten grondslag te leggen. Gezien de grote beleidsvrijheid die verweerder in dit kader heeft, kunnen de aan deze beleidskeuze ten grondslag liggende motieven slechts met grote terughoudendheid door de (voorzieningen)rechter worden getoetst. Dit in aanmerking nemende kan niet geoordeeld worden dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit er niet in redelijkheid vanuit heeft mogen gaan dat op de betreffende vrijdag en vrijdagnacht geen politiecapaciteit beschikbaar is. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat verweerder nog heeft geprobeerd om politiecapaciteit voor rekening van verzoekster 'in te kopen', hetgeen, na consultatie van het ministerie van Binnenlandse Zaken door de politie, niet mogelijk bleek.

2.11. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat het belang van de openbare orde bij een evenement als door verzoekster op vrijdag en vrijdagnacht gewenst, de inzet van politiemensen vereist, in het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Bij ordeverstoringen of andere calamiteiten zal de politie dienen op te treden, waarbij ook eventueel geweld moet kunnen worden gebruikt, waartoe de door verzoekster ingezette ordediensten niet bevoegd zijn. Verweerder is bevoegd opdrachten te verstrekken aan de politie en niet aan de door verzoekster ingezette ordediensten. Ter zitting heeft verweerder in dit verband aangegeven dat grootschalige feesten, zoals Dance Valley, moeten worden aangemerkt als risicovolle bijeenkomsten vanwege de samenstelling en leeftijd van het publiek, de aanwezigheid van grote aantallen mensen en het verwachte gebruik van drugs al dan niet in combinatie met alcohol. Voorts dient de politie aanwezig te zijn om arrestanten in ontvangst te nemen en om toezicht te houden op het omliggende terrein, waar de ordediensten geen bevoegdheden hebben.

2.12. Verzoekster heeft in dit verband aangevoerd dat verweerder de vergunning slechts kan weigeren wanneer sprake is van een concrete bedreiging van de openbare orde en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 18 januari 2002, LJN-nummer AD9079. De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. Genoemde uitspraak ziet op de situatie waarin de burgemeester met toepassing van de hem in artikel 174, tweede lid, Gemeentewet toegekende bevelsbevoegdheid met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid verboden heeft om bij een bepaald evenement meer dan 25.000 bezoekers toe te laten. Deze situatie is echter wezenlijk anders dan de onderhavige, waarin op grond van de APV een evenementenvergunning is geweigerd in het belang van de openbare orde.

2.13. Tussen partijen is niet in geschil dat alle overige aspecten van de organisatie van de showdag op 6 augustus 2004 door verzoekster voldoende en adequaat geregeld zijn. Anders dan verzoekster meent heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat - hoeveel mensen verzoekster ook tot haar beschikking heeft om de orde op het festival te handhaven - er altijd politietaken overblijven die niet door ordediensten kunnen worden overgenomen.

2.14. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich met de daarvoor gegeven motivering dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de openbare orde in gevaar kan komen wanneer geen politiecapaciteit beschikbaar is tijdens het door verzoekster gewenste evenement waarbij 10.000 bezoekers worden verwacht die allen blijven overnachten op de camping.

2.15. Gelet op al het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit de grenzen van zijn bevoegdheid heeft overschreden, noch voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot onderhavige weigering heeft kunnen komen.

2.16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat het besluit in het kader van de bezwaarschriftprocedure niet in stand zal blijven. Om die reden bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.17. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van B.E. Willems, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.