Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO8302

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-04-2004
Datum publicatie
26-04-2004
Zaaknummer
03-539 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser was inspecteur van politie bij de KLPD. Naar aanleiding van een diefstal in Amsterdam van geheime politie-informatie uit zijn auto, heeft eiser hiervan aangifte gedaan, maar verklaard dat de diefstal in Heiloo had plaatsgevonden. Dat is uitgekomen en aangemerkt als ernstig plichtsverzuim (valse aangifte, art. 188 Sr.). Strafontslag volgt. De rechtbank acht dit, gelet op de ernst van het plichtsverzuim, niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

reg. nr: Awb 03 - 539 AW

uitspraakdatum: 23 april 2004

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Zoetermeer,

-- tegen --

De Korpsbeheerder van het Korps Landelijke Politiediensten,

verweerder,

gemachtigde: mr. drs. M.P. Korevaar, werkzaam bij CAPRA te Zwolle.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 24 januari 2002 heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van ontslag met onmiddellijke ingang opgelegd op grond van artikel 77, eerste lid, sub j van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 maart 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 februari 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Daarbij heeft verweerder voor de motivering verwezen naar het advies van 7 januari 2003 van de Bezwaaradviescommissie inzake personele aangelegenheden Korps Landelijke Politiediensten.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 maart 2003, aangevuld bij brief van 16 april 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 februari 2004, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Namens verweerder is verschenen mr. drs. Korevaar voornoemd. Tevens was aanwezig mr. L.M. Burger, werkzaam bij het Korps Landelijke Politiediensten.

2. Overwegingen

2.1. Eiser is tot aan het bestreden ontslag laatstelijk werkzaam geweest als inspecteur van politie in de functie van senior medewerker bij de unit Coördinatie & Operationele Ondersteuning N.C.P.I. van de Dienst Specialistische Recherche Toepassingen. Op donderdagavond 22 maart 2001 is te Amsterdam uit de dienstauto van eiser een koffer met vertrouwelijke en geheime stukken gestolen. Deze vertrouwelijke stukken had eiser tot zijn beschikking in het kader van zijn werkzaamheden. Nadat eiser telefonisch zijn afdelingshoofd op de hoogte had gesteld, heeft hij op vrijdag 23 maart 2001 aangifte gedaan van de diefstal bij de regiopolitie Noord-Holland-Noord op het politiebureau te Alkmaar. Bij deze aangifte heeft eiser verklaard dat de inbraak in de auto heeft plaatsgevonden in Heiloo. Bij besluit van 23 maart 2001 heeft verweerder eiser geschorst in het belang van de dienst zoals omschreven in artikel 84, eerste lid, sub c van het Barp. Op zaterdag 24 maart 2001 is eiser nogmaals gehoord in het kader van de aangifte, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Eiser heeft blijkens dit proces-verbaal herhaald dat de inbraak in zijn auto heeft plaatsgevonden in Heiloo. Op 24 maart 2001 's avonds is eiser als verdachte verhoord, omdat er twijfel was gerezen omtrent zijn verklaringen. Op zondag 25 maart 2001 om 01.30 uur is eiser voor de tweede maal als verdachte verhoord. Hij heeft tijdens dit verhoor verklaard dat hij in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan van de inbraak in de auto in Heiloo. Eiser heeft voorts verklaard dat de inbraak in de auto heeft plaatsgevonden in Amsterdam.

2.2. Bij brief van 26 maart 2001 heeft verweerder besloten een disciplinair onderzoek in te stellen omdat eiser zich mogelijk heeft schuldig gemaakt aan onder andere het afleggen van valse verklaringen. Bij brief van 6 juni 2001 heeft verweerder het voornemen geuit om eiser de disciplinaire straf van een onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen omdat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar zeer ernstig plichtsverzuim bestaande uit leugenachtig en op misleiding gericht gedrag. Alvorens tot ontslag is overgegaan is eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op dit voornemen, hetgeen eiser bij brief van 30 augustus 2001 heeft gedaan. Op 21 november 2001 is eiser in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting te geven op de schriftelijke reactie. Bij besluit van 24 januari 2002 is eiser met onmiddellijke ingang ontslagen.

2.3. In een rapport van 13 april 2001 heeft psycholoog E.J. Koch, consulent van het Korps Landelijke Politiedienten, zijn bevindingen gerapporteerd over eiser. Op verzoek van de rechter-commissaris te Alkmaar heeft psychiater K. Mengelberg te Amsterdam een nader onderzoek gedaan naar de geestesgesteldheid van eiser op het moment van het incident. Eiser heeft voorts een rapportage van prof. dr. W.A. Wagenaar overgelegd.

2.4. Eiser heeft betoogd dat in de brief van 6 juni 2001 waarin verweerder het voornemen heeft geuit om eiser de disciplinaire straf van een onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen één punt van plichtsverzuim wordt genoemd en dat in de brief van 15 november 2002 nog een aantal andere verwijten kenbaar is gemaakt. Eiser heeft naar aanleiding van het feit dat de bezwaarcommissie zich niet heeft uitgelaten over deze aanvullende verwijten betoogd dat deze aanvullende verwijten dus niet langer worden gehandhaafd door verweerder. Voorts heeft eiser erkend dat er sprake is geweest van plichtsverzuim van zijn kant door niet onmiddellijk de juiste plaats van de diefstal op te geven. Eiser heeft betoogd dat er echter geen sprake is van verwijtbaar plichtsverzuim, omdat hij op het moment dat hij de diefstal ontdekte in een acute paniekaanval is geraakt. Indien er wel van (voldoende) verwijtbaarheid sprake is, dan kan volgens eiser de opgelegde disciplinaire straf de toets aan het evenredigheidsbeginsel niet doorstaan. Vervolgens heeft eiser aangevoerd dat de rol van de dienstleiding met name voor wat betreft de hoogte van de straf ten onrechte niet tot matiging heeft geleid. De leidinggevenden hebben op de bewuste avond niet direct actie ondernomen en organisatorisch heeft er het nodige geschort aan de interne regelgeving op het gebied van hoe om te gaan met vertrouwelijke stukken en beveiliging van dienstauto's. Eiser heeft eveneens een lijst overgelegd met zijns inziens vergelijkbare gevallen waarin sprake was van verdwenen of gestolen dienstmateriaal. Het verschil in opgelegde straf leidt volgens eiser tot de conclusie dat in zijn geval sprake is van het stellen van een voorbeeld hetgeen volgens eiser zou passen in de in het korps heersende "afrekencultuur". Tevens heeft eiser gesteld dat hetgeen is voorgevallen ten aanzien van de aanvullende aangifte van zaterdag 24 maart 2001 in strijd is met het zorgvuldigheids- en fair-playbeginsel en dat er sprake is geweest van vooringenomenheid bij de besluitvorming.

2.5. De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van valse aangifte. Eiser heeft zelf aangegeven dat hij niet onmiddellijk de juiste plaats van de diefstal bij de aangifte heeft opgegeven. De rechtbank is van oordeel dat het doen van valse aangifte ernstig plichtsverzuim oplevert. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het doen van valse aangifte een strafbaar feit oplevert als bedoeld in artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht. Het opgeven van een onjuiste plaats van de diefstal heeft de opsporing van de koffer, die belangrijke politie-informatie bevatte, onaanvaardbaar vertraagd. De rechtbank acht dit in geval van eiser zeer ernstig nu eiser in zijn functie van inspecteur van politie geacht moet worden juist in dit geval het belang van een snelle opsporing in te zien, terwijl van hem verwacht mag worden dat hij omtrent een diefstal geen misleidende en leugenachtige verklaringen aflegt.

2.6. De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de door eiser gepleegde gedraging is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep betreft de vraag naar de (verminderde) toerekeningsvatbaarheid een - door de rechter te beantwoorden - vraag naar een juridische kwalificatie van een feitencomplex. Ook als de psychiater, zoals in casu, een oordeel geeft over de toerekenbaarheid, ontslaat dit de rechter niet van een zelfstandige beoordeling ter zake.

2.7. De rechtbank kan zich niet verenigen met de conclusie van Koch en Mengelberg dat ten tijde van de aangifte waarschijnlijk de acute stress-stoornis van eiser nog aanwezig zou zijn geweest waardoor eiser maar in beperkte mate de gevolgen van zijn daden kon overzien. Het door Wagenaar gestelde dat het irrationele gedrag van eiser alleen te verklaren zou zijn wanneer eiser leed aan een acute paniekaanval kan de rechtbank evenmin overtuigen. Dat het gedrag van eiser irrationeel zou zijn geweest acht de rechtbank niet in overeenstemming met de aard van de activiteiten die eiser heeft ontplooid om te voorkomen dat de juiste plaats van de inbraak achterhaald zou worden. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij heeft overlegd met zijn collega om de af te leggen verklaringen in overeenstemming te brengen voor wat betreft de plaats waar de inbraak plaats zou hebben gevonden. Eiser is daartoe naar de MacDonalds in Alkmaar gegaan om de situatie ter plekke te bekijken en hij heeft vervolgens de conclusie getrokken dat de inbraak aldaar niet plaats kon hebben gevonden omdat de parkeerplaats in het volle zicht lag, hetgeen hij aan zijn collega heeft bericht. Eiser besloot vervolgens de inbraak te Heiloo te situeren. Tevens heeft eiser zijn collega verzocht om een derde collega te bellen en deze te verzoeken niet te verklaren dat zij elkaar in Amsterdam hadden ontmoet op de avond van de inbraak in de auto. De rechtbank acht -mede gezien de tijdspanne van deze activiteiten- hiermee voldoende aannemelijk dat eiser een berekenende inschatting van de situatie heeft gemaakt om te voorkomen dat zijn leidinggevenden de ware plaats van de inbraak zouden achterhalen. De rechtbank ziet in deze verklaringen tevens voldoende aanwijzingen dat eiser bewust en weloverwogen tot het doen van valse aangifte is gekomen.

2.8. De rechtbank is van oordeel dat eiser in voldoende mate het plichtsverzuim kan worden toegerekend. Verweerder kwam de bevoegdheid toe om te besluiten tot het opleggen van een straf.

2.9. Gelet op de ernst van het plichtsverzuim is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de straf van ontslag onevenredig is en dat deze de toetsing van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet kan doorstaan. Dat eiser niet onmiddellijk de juiste plaats van de diefstal heeft aangegeven en vervolgens een valse aangifte heeft gedaan is onverenigbaar met de vereiste integriteit en betrouwbaarheid van eiser in zijn functie van inspecteur van politie. Voorts acht de rechtbank van zwaarwegend belang dat eiser, zoals uit zijn afgelegde verklaringen blijkt, de collega met wie hij samenwerkte heeft betrokken bij het gepleegde plichtsverzuim en deze collega in een moeilijke situatie heeft gebracht met gevolgen voor diens carrière.

2.10. De door eiser naar voren gebrachte argumenten ter ondersteuning van zijn grief dat de opgelegde straf niet zou voldoen aan het evenredigheidsbeginsel hebben de rechtbank niet kunnen overtuigen. Hetgeen eiser heeft gesteld ten aanzien van soortgelijke zaken waarin de opgelegde straf minder zou zijn geweest kan niet tot een ander oordeel leiden nu de rechtbank geen gevallen bekend zijn waarin eveneens sprake was van het doen van valse aangifte. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de door eiser aangevoerde overige omstandigheden niet af doen aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim, het doen van valse aangifte.

2.11. De rechtbank acht het feit dat eiser, in zijn functie als inspecteur van politie, valse aangifte heeft gedaan alsmede dat hij deze valse aangifte enige tijd heeft volgehouden, voldoende grond voor verweerder om over te gaan tot het opleggen van de disciplinaire staf van ontslag. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, voorzitter en mr. A.C.M. Rutten en mr. J.M. Legeland, leden, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.