Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO7891

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-04-2004
Datum publicatie
20-04-2004
Zaaknummer
15/700029-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem acht de uitlevering van een Amerikaan toelaatbaar op grond van overtreding van feiten die ook naar Nederlands recht strafbaar zijn en waarvoor een vrijheidsstraf van tenminste een jaar kan worden opgelegd. De opgeeiste persoon heeft ter zitting ook niet onverwijld kunnen aantonen onschuldig te zijn aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. De uitlevering volgt op een eerdere uitspraak van rechtbank Haarlem die gepubliceerd is onder nummer LJN AO3390.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2004/475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/700029-03

Registratienummer: 04/229

Zittingsdatum: 6 april 2004

Uitspraakdatum: 20 april 2004

UITLEVERING

Uitspraak van de rechtbank Haarlem op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering van

[opgeeiste persoon],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

verblijvende in de P.I. Haarlem te Haarlem,

aan de Verenigde Staten van Amerika.

1. De relevante schriftelijke stukken

1.1. Het verzoek tot uitlevering.

In het dossier bevindt zich het aanvullende verzoek tot uitlevering d.d. 6 augustus 2003, afkomstig van Randy Toledo, Associate Director of the Office of International Affairs, Criminal Division van het U.S. Department of Justice, van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, aangeboden bij nota van de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika en gericht aan het Ministerie van Justi-tie te Den Haag. Uitlevering wordt gevraagd ter fine van strafvervolging voor de strafbare feiten, opgenomen in het hierna nader te noemen Indictment van 17 juli 2003, afkomstig van het United States District Court Southern District of Texas Houston Division.

Door de verzoekende staat zijn - onder meer - de volgende stukken overgelegd:

- het hiervoor genoemde verzoek en het daarbij horende authentiek afschrift van het aanhoudingsbevel (warrant for arrest), Criminal Case Number CR-H-03-00264-001 d.d. 21 juli 2003 van de United States Magistrate Judge, Frances Stacy van het United States District Court, Southern District of Texas te Houston, terzake van de strafbare feiten, zoals die zijn opgenomen en nader zijn omschreven in Indictment Criminal no. 03-264 d.d. 17 juli 2003;

- een uiteenzetting van de feiten opgenomen in het " Supplemental Affidavit in support of request for extradition" d.d. 24 juli 2003, No. H 03-741M, opgemaakt door Edward F. Gallagher, assistant United States Attorney;

- een overzicht van de relevante wettelijke voorschriften;

- de door de verzoekende Staat tegen de opgeëiste persoon uitgebrachte Indictment, Criminal No. 03-264 van The United States District Court, Southern District of Texas, Houston Division d.d. 17 juli 2003;

- Nederlandse vertalingen van diverse van die stukken.

1.2. De overige stukken van het dossier.

Voorts maken de navolgende stukken deel uit van het dossier:

- de vordering van de officier van justitie, zoals bedoeld in art. 23, eerste lid van de Uitleveringswet;

- de schriftelijke samenvatting van de opvatting van de officier van justitie, zoals bedoeld in art. 26; tweede lid van de Uitleveringswet d.d. 6 april 2004;

- de pleitnota die ter zitting van 27 januari 2004 door de verdediging is overgelegd.

2. De overwegingen

2.1. De identiteit van de opgeëiste persoon.

Op grond van hetgeen de opgeëiste persoon daarover ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank vastgesteld dat hij [opgeeiste persoon] is, dat hij de nationaliteit van de Verenigde Staten van Amerika bezit en dat hij degene is, van wie de uitlevering wordt verzocht.

2.2. De genoegzaamheid van de stukken.

- De door de verzoekende staat overgelegde stukken voldoen, ten aanzien van Counts I, II en III aan de daaraan ingevolge het toepasselijk verdrag te stellen eisen. Met name is in de hiervoor genoemde Indictment, Criminal No. 03-264 d.d. 17 juli 2003 ten aanzien van de Counts I, II en III voldoende duidelijk omschreven terzake van welke feiten de uitlevering wordt verzocht, met telkens een voldoende nauwkeurige aanduiding van plaats en tijd en de Amerikaanse strafbepalingen.

Derhalve is ten aanzien van Counts I, II, en III voldaan aan de in artikel 9 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde eisen.

Met betrekking tot Count IV is de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel dat de stukken ongenoegzaam zijn, omdat de wetsbepalingen, waaruit de strafbaarstelling van het in Count IV bedoelde strafbare feit in de Verenigde Staten van Amerika blijkt, ontbreken.

Voor aanvulling van het verzoek op dat punt door de verzoekende staat ziet de rechtbank geen aanleiding, reeds niet omdat de rechtbank met de raadsvrouw en de officier van justitie van oordeel is dat er - gelet op de gegeven uiteenzetting van de feiten op dat punt - van strafbaarheid van dat feit naar Nederlands recht geen sprake kan zijn.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de uitlevering ten aanzien van Count IV ontoelaatbaar moet worden verklaard.

2.3. De overige voorwaarden voor toelaatbaarheid van de uitlevering.

2.3.1. Dubbele strafbaarheid.

Van toepassing is het tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gesloten uitleveringsverdrag met bijlage (Trb.1980, 111 en Trb. 1983, 133).

De feiten, omschreven in Counts I, II en III van meergenoemde Indictment, zijn blijkens de door de verzoekende staat overgelegde stukken telkens strafbaar naar het recht van de verzoekende staat en daarvoor kan naar het recht van de verzoekende staat telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.

Deze feiten zijn ook naar Nederlands recht strafbaar. De feiten leveren naar Nederlands recht op:

medeplegen van het valselijk doen opmaken van een reisdocument, meermalen gepleegd;

in het bezit zijn van een vals reisdocument, waarvan hij weet dat het vals is, meermalen gepleegd;

opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

Daarvoor kan eveneens telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.

Derhalve is voldaan aan de in artikelen 2 en 9 van het uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.

2.3.2. Vermoeden van schuld.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting niet gesteld onverwijld te kunnen aantonen onschuldig te zijn aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. Evenmin is anderszins gebleken, dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd.

4. Slotsom

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten die in de weg zouden staan aan de toelaatbaarverklaring van de uitlevering met betrekking tot de feiten, zoals genoemd onder Count I, II en III van het Indictment, Criminal no. 03-264 van 17 juli 2003 zal, gelet op de artikelen:

2 en 9 van het uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika,

47, 57 en 231van het Wetboek van Strafrecht,

worden beslist als volgt.

5. De beslissing

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika van [opgeeiste persoon] ter strafvervolging terzake van de feiten, omschreven in de uiteenzetting van de feiten vermeld onder Count I, II en III van Indictment, Criminal no. 03-264 van 17 juli 2003, welk stuk als bijlage I aan deze uitspraak is gehecht;

verklaart ontoelaatbaar de uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika van [opgeeiste persoon] ter strafvervolging terzake van het feit, omschreven in de uiteenzetting van de feiten vermeld onder Count IV Indictment, Criminal no. 03-264 van 17 juli 2003.

6. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze uitspraak is gedaan door

mr. Toeter, voorzitter,

mrs. Rosier en Van Mierlo, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van der Ploeg,

en uitgesproken op de openbare zitting van 20 april 2004.