Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO7560

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
100185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering zus jegens huisarts overleden broer tot verstrekking afschrift van een deel van het medisch dossier van haar broer toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 100185 KG ZA 04-103

Vonnisdatum: 14 april 2004

134

RECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. M.I.T. Manderfeld,

-- tegen --

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon,

bijgestaan door mr. P.A. de Zeeuw van DAS Rechtsbijstandsverzekering te Amster-dam.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres], respectievelijk [gedaagde].

1. Het verloop van het geding

1.1 Ter terechtzitting van 1 april 2004 heeft [eiseres] overeenkomstig de dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna onder 3. weergegeven en die vordering toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities. [gedaagde] heeft tegen deze vordering verweer ge-voerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.2 Na verder debat in tweede termijn hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op 15 april 2004 of zoveel eerder als mogelijk.

2. De vaststaande feiten

2.1 In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

a. Op 28 december 2002 is overleden {HJS], hierna ook "[HJS]" te noemen. [HJS] was de broer van eiseres.

b. [gedaagde] is huisarts te Heemstede. [HJS] was van 1 oktober 2001 tot zijn over-lijden als patiënt ingeschreven bij de huisartsenpraktijk van [gedaagde].

c. Voor 1980 is [HJS] wegens psychiatrische klachten onder behandeling ge-weest van De Geestgronden te Bennebroek en GGZ Buitenamstel te Amsterdam.

d. Bij voor het laatst op 19 november 2002 gewijzigd testament heeft [broer] tot zijn enige en algehele erfgenaam benoemd zijn achterneef [JHS], wonende te [woonplaats].

e. [HJS] heeft zijn testament sedert 1963 22 maal gewijzigd, waarvan 9 keer tussen 26 september 2001 en 19 november 2002. Bij brief van 3 juni 2003 heeft mr J. Blom, notaris te Hoofddorp, [eiseres] desgevraagd onder meer het volgende me-degedeeld:

"(…)

Gedurende de periode dat ik sinds eind juni 2000 - aanvankelijk als waarnemer van notaris Mr M.W.E. van Esch en sedert juni 2001 als notaris - aan dit kantoor verbonden ben, heb ik meerdere malen contact gehad met uw broer.

In die periode is de lichamelijke conditie van uw broer achter uitgegaan (o.a. ging het lopen hem moeilijk af), doch zijn conditie was tijdens onze besprekingen in geestelijk opzicht in orde.

Hij was weliswaar wisselend van mening, doch te allen tijde zéér pertinent in zijn uiteindelijke keuze en het uiten van zijn wil, ook bij het nader doorspreken der zaken.

Zou er bij mij ooit enige twijfel omtrent zijn geestelijke vermogens hebben bestaan, dan had ik vanzelfsprekend mijn diensten als notaris niet aan uw broer verleend, en mijn medewerking zelfs moeten weigeren.

Daar heeft de geestelijke conditie van uw broer mij echter nimmer aanleiding toe gegeven.

(…)"

f. Vervolgens heeft mr. Manderfeld [gedaagde] om inlichtingen over [HJS] ver-zocht. Onder verwijzing naar de Richtlijnen inzake het omgaan met medische ge-gevens van de KNMG heeft [gedaagde] bij brief van 19 juni 2003 geweigerd inlichtin-gen over [HJS] te verstrekken.

g. Ook de instellingen voor geestelijke gezondheidszorg waar [HJS] onder be-handeling is geweest hebben met een beroep op hun geheimhoudingsplicht gewei-gerd informatie over hem te verstrekken.

h. Op 12 december 2003 heeft [Van O.], voormalig huisarts van [HJS] ten overstaan van mr. J. Wieringa, notaris te Haarlem, een verklaring afgelegd, die is vastgelegd in een proces-verbaal.

De verklaring luidt onder meer als volgt:

"(…)

Vraag 1: Vanaf negentienhonderd zestig ken ik de heer [HJS] als huisarts in de associatieve praktijk, welke ik destijds voerde met collega [H], die feitelijk als zijn huisarts fungeerde.

Na een interval van ongeveer twintig jaar was de heer [HJS] van negentienhonderd tachtig, na de pensionering van mijn genoemde collega, mijn patiënt tot mijn pensionering op één januari tweeduizendtwee.

(…)

Vraag 3: De heer [HJS] had een geestelijke ziekte in de vorm van een psychisch syndroom met paranoïde en hallucinatoire componenten, waarvoor hij in een hoge dosering anti-psychotica medicatie voorgeschreven kreeg en -voorzover ik dat kan beoordelen- gebruikte.

Vraag 4: De heer [HJS] leed naar mijn mening niet aan schizofrenie en/of dementie.

Vraag 5: (…) Het medisch dossier is naar mijn opvolger gegaan. (…)

Vraag 6: Het is zeer wel mogelijk, dat zijn psychische gesteldheid (psychose/paranoia) zijn hande-len heeft beïnvloed waardoor hij niet tot evenwichtig handelen in staat was. Zijn handelen zal hem niet zijn toe te rekenen.

(…)

Vraag 9: Ja. Ik weet dat hij onder behandeling is geweest in de Valerius Kliniek te Amsterdam en De Vogelenzang te Bennebroek, welke behandelingen van vóór negentienhonderd tachtig dateren.

Vraag 10: De heer [HJS] was zoals gezegd niet dement, maar vanwege zijn psychi-sche/paranoide gesteldheid niet in staat om weloverwogen een beslissing te nemen.

Vraag 11: De heer [HJS] was vanwege zijn gesteldheid uiterst beïnvloedbaar.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 [eiseres] vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] zal veroordelen om binnen veertien dagen na beteke-ning van het te wijzen vonnis aan haar te verstrekken een afschrift van het deel van het medisch dossier van [HJS], dat opheldering kan verschaffen over diens geest-vermogens ten tijde van de laatste wijziging van het testament op 19 november 2002.

3.2 [eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Zij is voornemens in een bodemprocedure de geldigheid van het testament van [HJS] aan te vechten op grond van wilsonbekwaamheid. Daarvoor is het noodzakelijk dat zij inzage krijgt in het medisch dossier van [HJS]. In het onderhavige geval is voldaan aan de crite-ria van H.R. 20 april 2001, N.J. 2001/600 voor doorbreking van de geheimhoudings-plicht, zodat [gedaagde] gehouden is haar inzage in het dossier te verschaffen.

4. Het verweer en de slotsom daarvan

[gedaagde] heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding. Op dit verweer zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. De gronden van de beslissing

5.1 Vooropgesteld wordt dat het enkele feit dat [eiseres] na de onder 2.f genoemde brief van [gedaagde] d.d. 19 juni 2003 geruime tijd heeft laten verstrijken alvorens de onderha-vige vordering in te stellen niet zonder meer met zich brengt dat zij niet meer geacht kan worden een spoedeisend belang te hebben bij haar vordering. In de gegeven om-standigheden is duidelijk dat er enige tijd mee gemoeid is geweest voordat [eiseres] over de verklaring van de voormalige huisarts van [HJS] kon beschikken. Voorts moest [eiseres] voor het voeren van de onderhavige procedure de goedkeuring van haar rechtsbijstandverzekeraar verkrijgen. Tegen die achtergrond is voldoende aannemelijk dat [eiseres] nog steeds een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voor-ziening.

5.2 Artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, zakelijk weergegeven, dat de hulpverlener ervoor zorg draagt dat aan anderen dan aan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt worden verstrekt dan wel inzage in of afschrift van het medisch dossier met betrekking tot de behandeling van de patiënt wordt verstrekt, dan met toestem-ming van de patiënt. De wetgever heeft geen regeling getroffen voor het verstrekken van inlichtingen na het overlijden van de patiënt.

5.3 Naar heersende rechtsopvatting (H.R. 20 april 2001, N.J. 2001/600) wordt het belang van geheimhouding van zodanig gewicht geacht dat daarop slechts inbreuk kan wor-den gemaakt indien er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaar-wegend belang geschaad zou kunnen worden. [eiseres] wenst inzage te krijgen in het medisch dossier van [HJS] omdat zij in een bodemprocedure de geldigheid van diens testament wil aanvechten op grond van wilsonbekwaamheid. In een dergelijk geval kan de geheimhoudingsplicht worden doorbroken indien zwaarwegende aanwij-zingen bestaan dat de erflater ten tijde van het verlijden van het testament niet over zijn verstandelijke vermogens beschikte en niet bekwaam was om rechtshandelingen te verrichten, indien voorts aannemelijk is dat het medisch dossier daarover ophelde-ring zal kunnen geven, terwijl die opheldering niet op andere wijze verkregen kan worden en indien aannemelijk wordt gemaakt dat de overledene, ware hij nog in le-ven, zijn toestemming tot inzage in het medisch dossier zou hebben gegeven.

5.4 Aannemelijk is dat er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat [eiseres] bij handhaving van de geheimhoudingsplicht in een zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden. Indien [eiseres] toegang krijgt tot het medisch dossier van [HJS] en diens testament wordt vernietigd, valt niet uit te sluiten dat zijn nalatenschap aan haar toekomt. [eiseres] heeft immers onweersproken gesteld dat de verstandhouding tussen haar en [HJS], het enige andere kind van haar ouders, altijd goed is ge-weest en dat [HJS] haar steeds heeft laten weten dat zij zijn erfgenaam was.

5.5 Een zwaarwegende aanwijzing dat [HJS] ten tijde van het verlijden van het testament niet over zijn verstandelijke vermogens beschikte en niet bekwaam was om rechtshandelingen te verrichten kan worden gevonden in de verklaring van zijn voor-malige huisarts [Van O], waaruit blijkt dat deze hem wegens zijn psychi-sche/paranoide gesteldheid niet in staat achtte weloverwogen een beslissing te nemen.

5.6 Voorts is aannemelijk dat het medisch dossier dat [gedaagde] onder zich heeft opheldering zal kunnen geven over de vraag of [HJS] ten tijde van het verlijden van het tes-tament bekwaam was om rechtshandelingen te verrichten, terwijl die opheldering niet op andere wijze verkregen kan worden. Immers, enerzijds kan worden aangenomen dat [gedaagde], als huisarts van [HJS], over het meest complete dossier beschikt. An-derzijds hebben andere hulpverleners van [HJS] eveneens met een beroep op hun geheimhoudingsplicht geweigerd [eiseres] de gewenste informatie te verschaffen.

5.7 Tenslotte is, gelet op de -onweersproken- goede verstandhouding die tussen [eiseres] en haar broer bestond, voldoende aannemelijk dat [HJS], ware hij nog in leven, zijn toestemming tot inzage in het medisch dossier zou hebben gegeven.

5.8 Al het voorgaande voert tot de conclusie dat is voldaan aan de onder 5.3 genoemde voorwaarden waaronder de geheimhoudingsplicht mag worden doorbroken. Dat bete-kent dat de gevraagde voorziening als volgt zal worden toegewezen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1 Veroordeelt gedaagde om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan eiseres te verstrekken een afschrift van het deel van het medisch dossier van {HJS], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], dat ophelde-ring kan verschaffen over diens geestvermogens ten tijde van de laatste wijziging van zijn testament op 19 november 2002.

6.21.2 Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van eiseres begroot op € 324,70 aan verschotten en € 703,-- aan procureurssalaris.

6.3 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer, voorzieningenrechter van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 14 april 2004, in te-genwoordigheid van de griffier.