Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO7181

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
15/030350-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem ontslaat een verdachte, terzake van twee pogingen tot moord gepleegd op 31 mei 2003 op een echtpaar in Aerdenhout, van alle rechtsvervolging en beveelt dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/030350-03

Uitspraakdatum: 07 april 2004

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 maart 2004 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I (a,b,c) aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat hij

1 primair:

op 31 mei 2003 te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, te weten [slachtoffer 1], van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, meermalen in de hals en de borst en de rug van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en die [slachtoffer 1] met kracht in de rug of in de zij heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 primair:

op 31 mei 2003 te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes in de hals en in het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en stekende bewegingen met voormeld mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

- feit 1 primair: poging tot moord,

- feit 2 primair: poging tot moord.

5. Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank betrekt in haar beoordeling van de strafbaarheid van verdachte de inhoud van de omtrent verdachte uitgebrachte rapporten, te weten de pro justitia rapportage d.d. 24 september 2003 van drs. E.P.K. Sikkens en drs. A.E. Haan, respectievelijk psychiater en gezondheidszorgpsycholoog, het pro justitia rapport d.d. 23 februari 2004 van mevrouw drs. M.C. Overduin, psycholoog, en het pro justitia rapport d.d. 16 februari 2004 van drs. A. Pen, psychiater. Gelet op de fase waarin verdachte zich bevond ten tijde van het opmaken van de rapporten - ten tijde van het eerste onderzoek werd verdachte nog niet behandeld met medicatie en was hij volgens de deskundigen minder goed in staat zijn vroegere belevingswereld te beschrijven dan tijdens het latere onderzoek - richt de rechtbank zich hierbij met name op de inhoud van de laatstelijk opgemaakte rapporten van drs. M.C. Overduin en drs. A. Pen, die overigens in het kader van hun onderzoek kennis hebben genomen van de voormelde pro justitia rapportage van 24 september 2003.

Uit de verhoren van verdachte door de politie en uit de gesprekken die de deskundigen met verdachte hebben gehad komt, kort gezegd, telkens weer naar voren dat verdachte al ongeveer twaalf jaar leeft in de overtuiging dat hij het doelwit is van een organisatie, die alles in het werk stelt om zijn leven te verwoesten. Op een bepaald moment, korte tijd voordat de feiten werden gepleegd, ontdekte hij dat het [slachtoffer 2] moest zijn die aan hoofd van die organisatie stond.

De psychiater Pen, voornoemd, stelt in het door hem opgemaakte rapport, zakelijk weergegeven, het volgende.

Verdachte is lijdende aan een chronische (geïsoleerde) waanstoornis van het achtervolgingstype. Daarnaast is er bij verdachte sprake van een gemende persoonlijkheidsstoornis. Dit was tevens het geval ten tijde van het tenlastegelegde. Het plegen van de ten laste gelegde feiten is een rechtstreeks gevolg geweest van bovengenoemde ziekelijke stoornis(sen).

Door zijn waanachtige vervorming van de werkelijkheid leefde verdachte in de vaste overtuiging dat het slachtoffer als hoofd van een criminele organisatie van plan was om hem en zijn familie te vernietigen. De enige mogelijkheid om zich te verweren was het doden van het slachtoffer, diens echtgenote en desnoods alle anderen in zijn omgeving. De stoornis beïnvloedde in sterke mate de gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte was niet in staat om de onrechtmatigheid van zijn daad te overzien.

Alles overwegend dient de verdachte volgens de psychiater als ontoerekeningsvatbaar ten aanzien van het ten laste gelegde te worden beschouwd.

De psycholoog Overduin, voornoemd, stelt in het door haar opgemaakte rapport, zakelijk weergegeven, het volgende.

Verdachte is lijdende aan een chronische (geïsoleerde) waanstoornis van het achtervolgingstype en een per-soonlijkheidsstoornis met voornamelijk schizotypische maar ook narcistische trekken. Gezien het chronische karakter van de waanstoornis alsmede het structurele karakter van de persoonlijkheidsstoornis was dit tevens het geval tijdens het tenlastegelegde. Deze ziekelijke stoornissen beïnvloedden zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde volledig.

Door de waanachtige beleving van de werkelijkheid was verdachte er authentiek van overtuigd dat hijzelf en zijn familie ernstig bedreigd werden door een organisatie waar beide slachtoffers een rol in speelden. In de jaren voorafgaand aan het ten laste gelegde maakte de persoonlijkheidsopbouw en de daarmee gepaard gaande beperkingen en kwetsbaarheden dat verdachte niet in staat was zijn belevingen te corrigeren. In de aanloop tot het tenlastegelegde maakten de psychotische vervormingen van de realiteit dat verdachte zich extreem en feitelijk bedreigd voelde, waardoor slechts de ultieme verdediging (het doden van de slachtoffers en eventuele relevante anderen) mogelijk was. Hierdoor was verdachte in ernstige mate beperkt in zijn keuzevrijheid en is hij onvoldoende in staat geweest het eigen gedrag op adequate wijze bij te sturen.

Op die grond concludeert de psycholoog dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde ontoerekeningsvatbaar geacht kan worden.

Weliswaar wordt in de eerder opgemaakte pro justitia rapportage d.d. 24 september 2003 van psychiater Sikkens en psycholoog Haan de stoornis waaraan verdachte lijdt en onder invloed waarvan hij tot het plegen van het ten laste gelegde is gekomen anders gekwalificeerd, namelijk een schizofrene stoornis van het paranoïde type, ook zij concluderen dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde als ontoerekeningsvatbaar beschouwd dient te worden.

De rechtbank neemt deze conclusie van de deskundigen over en maakt die tot de hare. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten.

6. Motivering van de maatregel en van overige beslissingen

6.1 Maatregel van terbeschikkingstelling

Bij de beslissing over de door de officier gevorderde oplegging van de maatregel van ter beschikkingstelling, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en met name uit de hierboven onder 5. vermelde rapporten is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 31 mei 2003 in de vroege ochtend naar de woning van de [slachtoffers] gegaan met het voornemen om hen te doden. Nadat hij het landgoed van de [slachtoffers] is binnengedrongen, is hij onmiddellijk nadat [slachtoffer 1] naar buiten was gekomen als een bezetene met een mes op haar gaan insteken. Hij heeft haar meerdere malen in haar hals, haar borst en haar rug gestoken, waardoor zij zeer ernstig gewond is geraakt en veel bloed heeft verloren. Toen [slachtoffer 2] verscheen, is verdachte op hem afgestormd en heeft hij ook hem gestoken. [slachtoffer 2] is geraakt in zijn hals en op zijn hoofd. Verdachte is gestopt doordat hij door [slachtoffer 2] en diens zoon is overmeesterd.

Aldus handelend heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige delicten. Door zijn uiterst gewelddadige gedrag heeft hij vreselijk leed aan de [slachtoffers en familie] toegebracht. Het mag een wonder heten dat [slachtoffer 1] deze aanslag op haar leven heeft overleefd. Het zal voor de slachtoffers en hun familie niet eenvoudig zijn deze traumatiserende gebeurtenis te verwerken. Bovendien heeft verdachte door zijn handelen de rechtsorde in ernstige mate geschokt en veroorzaken dergelijke gebeurtenissen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Uit de eerder genoemde psychologische en psychiatrische rapportages omtrent de persoon van verdachte, komt naar voren dat door de behandeling tot nu toe (medicatie, afscherming tegen nieuwe psychoseonderhoudende prikkels en gesprekken waarin verdachte leert om zijn projecties terug te nemen) de eerder aanwezige achterdocht van verdachte, althans voor wat betreft zijn belevingen jegens het slachtoffer, inmiddels is verdwenen. Het waansysteem waarop de complottheorie van verdachte jarenlang heeft berust, lijkt te zijn verbleekt, doch is zeker niet verdwenen. Zijn waanideeën en psychotisch gekleurde belevingen uit het verleden hebben nog immer realiteitswaarde voor verdachte, zoals de rechtbank ter zitting ook uit de verklaringen van verdachte heeft kunnen constateren.

In zijn rapport schrijft de deskundige Pen over de kans dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal begaan zakelijk weergegeven het volgende.

De ontmanteling van het waansysteem is het resultaat van een reeks opgelegde maatregelen, namelijk de medicamenteuze behandeling en het aanbieden van een geordend leefklimaat. Bovendien moet worden bedacht dat mensen met een waanstoornis in staat zijn om symptomen te maskeren. Daarbij gaat het niet altijd om een bewuste poging tot misleiding maar om een dubbel referentiekader waarmee ze leven, dat van de (verbleekte) waanstemming en dat van de door de ratio ingekleurde werkelijkheid. Hoe dit evenwicht zich in de toekomst stabiliseert is moeilijk te voorspellen, aangezien er meerdere slecht voorspelbare onzekerheden in het spel zijn. Ten eerste de medicamenteuze therapietrouw op termijn. Het onverhoopt staken van de medicatie is een belangrijke risicofactor. Ten tweede de vraag hoe de directe omgeving van verdachte zich zal opstellen indien zijn vroegere neiging om zich sociaal te isoleren weer op zou treden. Tenslotte is de waanstoornis zelf een soort blackbox waarbinnen zich een aantal onvoorspelbare processen kan voltrekken. Dit betekent dat er sprake is van gevaar voor recidive van soortgelijk gewelddadig handelen. Ook de deskundige Overduin stelt in haar rapport, zakelijk weergegeven, dat het de vraag is in hoeverre verdachte zich gemotiveerd zal blijven opstellen ten aanzien van de medicamenteuze behandeling. Het isolement van verdachte maakt hem kwetsbaar. Vanuit zijn eenzaamheid zal verdachte snel worden meegesleept door zijn belevingen en fantasieën zonder dat correcties mogelijk zijn. Verdachte beschikt nog niet over de vaardigheden en inzichten om zijn leven zelf in te richten, gericht op preventie van psychotische decompensaties en daarmee gepaard gaande impulsdoorbraken. Niet uit te sluiten is dat verdachte indien hij zich op zichzelf voelt teruggeworpen, vanuit zijn chronisch paranoïde belevingswereld een nieuwe verantwoordelijke voor het tegen hem georganiseerde complot vindt.

Beide deskundigen achten behandeling op vrijwillige basis niet haalbaar.

Psycholoog Overduin geeft aan dat gezien het chronische karakter van de stoornis behandeling van verdachte niet alleen gericht zal dienen te zijn op het actuele toestandsbeeld, maar ook op een gedegen uitgewerkt en begeleid resocialisatie traject. Dit betekent dat er niet alleen sprake is van een intramurale behandelingsnoodzaak, maar dat er ook voldoende mogelijkheden dienen te zijn voor een vervolgtraject met voldoende gelegenheid om in te grijpen als dit op basis van delictgevaar nodig is. Van belang is dat verdachte in een voldoende geslotenheid en beveiliging biedende omgeving verblijft tot duidelijk is op welke wijze hijzelf meer controle over zijn functioneren kan uitoefenen en tot duidelijk is wanneer een geleidelijke terugkeer in de maatschappij verantwoord kan worden geacht. Plaatsing van verdachte in een TBS-kliniek in het kader van TBS met bevel tot verpleging is aldus aangewezen opdat de openbare veiligheid in voldoende mate is gegarandeerd. De psychiater Pen komt tot dezelfde conclusie.

De rechtbank kan zich met de beoordeling van de deskundigen verenigen. Zij is voorts van oordeel dat een maatregel van TBS met voorwaarden, zoals door de raadsman van verdachte bepleit, vooral gelet op de door de deskundigen aangegeven risicofactoren die een rol spelen met betrekking tot het gevaar voor herhaling, onvoldoende bescherming zou bieden voor de veiligheid van personen.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, het gevaar voor herhaling van dergelijke feiten en gelet op de persoonlijkheid van verdachte, is de rechtbank, nu aan de voorwaarden van artikel 37a lid 1 en artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht is voldaan, in aanmerking genomen de hierboven vermelde deskundigenadviezen, van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eist dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd. De rechtbank zal derhalve een dienovereenkomstige last geven.

6.2 Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een mes, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat voorwerp is begaan en zou kunnen dienen tot het plegen van soortgelijke feiten. Het ongecontroleerde bezit van voormeld, inbeslaggenomen voorwerp is in strijd met de wet en/of het algemeen belang.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

de artikelen 36b, 36c, 37a, 37b, 45, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar en ontslaat hem te dier zake van alle rechtsvervolging.

Beveelt dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 1.00 stk mes kl: l. bruin

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. De Jong-Overtoom, voorzitter,

mrs. Guinau en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Botma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 07 april 2004.