Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO6274

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-03-2004
Datum publicatie
25-03-2004
Zaaknummer
15/030380-03, 15/040609-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem heeft een verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en TBS met dwangverpleging.

Verdachte heeft samen met zijn vriendin haar moeder, bij wie het stel in huis woonde, om het leven gebracht. Het slachtoffer verkeerde in een slechte lichamelijke conditie. Verdachte en zijn vriendin leefden van het geld van het slachtoffer bij gebrek aan eigen inkomsten. De verstandhouding tussen moeder enerzijds en dochter en partner anderzijds was zeer slecht. Op enig moment is bij verdachte en zijn vriendin het voornemen ontstaan om moeder van het leven te beroven en uiteindelijk is zij door verwurging om het leven gebracht. Verdachte en zijn vriendin hebben getracht ontdekking van dit feit te voorkomen, door het stoffelijk overschot in stukken weg te maken. Voorts hebben ze het laatste geld van de rekening van het slachtoffer opgenomen en zijn ze gevlucht naar een ander deel van Nederland. Omdat verdachte ten tijde van het plegen van het feit in verminderde mate toerekeningsvatbaar was en er naar het oordeel van de rechtbank, anders dan het PBC heeft geconcludeerd, een gevaar voor herhaling aanwezig is, heeft de rechtbank, met het oog op de veiligheid van anderen, bovendien de maatregel TBS met dwangverpleging opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummers: 15/030380-03, 15/040609-03 (ter terechtzitting gevoegd) en 15/030218-02 (tul)

Uitspraakdatum: 25 maart 2004

Tegenspraak, na aanhouding verschenen

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 maart 2004 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in de P.I. Noord Holland Noord, HvB Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd onder parketnummer 15/030380-03, hierna aangeduid als feit 1, dat:

hij op of omstreeks 19 mei 2003, in elk geval in of omstreeks de periode van 12 mei 2003 tot en met 3 juni 2003, te Beverwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met de/een hand(en) de keel van die [slachtoffer] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (broek)riem (strak) aangebracht rond de nek en keel van die [slachtoffer] en (vervolgens) genoemde riem (strak) aangetrokken en/of aangetrokken gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en onder parketnummer 15/040609-03, ter terechtzitting gevoegd en hierna aangeduid als feit 2, dat:

hij op of omstreeks 17 mei 2003 te Beverwijk (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een (gewijzigd) veerdrukwapen (merk T.J. Harrington & Son, model The Gat), zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn vorm,

afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat:

Ten aanzien van feit 1:

hij op 19 mei 2003, te Beverwijk tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een hand de keel van die [slachtoffer] dicht gedrukt en dicht gedrukt gehouden en/of vervolgens een broekriem aangebracht rond de nek en keel van die [slachtoffer] en genoemde riem strak aangetrokken en aangetrokken gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Ten aanzien van feit 2:

hij op 17 mei 2003 te Beverwijk een wapen van categorie I onder 7°, te weten een gewijzigd veerdrukwapen, merk T.J. Harrington & Son, model The Gat, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoond met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Overweging ten aanzien van de bewezenverklaring

De rechtbank acht niet alleen het opzet op de dood van [slachtoffer], maar ook het daaraan voorafgaande kalm beraad en rustig overleg bewezen en wel op grond van de volgende overwegingen.

Verdachte en zijn medeverdachte, [medeverdachte], hebben meerdere keren met elkaar gesproken over het doodmaken van [medeverdachte]'s moeder, [slachtoffer]. Er was voor hen geen andere oplossing dan dat [slachtoffer], met wie zij onder een dak samenwoonden, dood moest. De verklaringen die verdachte en [medeverdachte] hieromtrent hebben afgelegd zijn - ook op onderdelen - consistent. Dat het niet louter een gedachte was, een idee, zoals ter zitting is gesuggereerd, maar dat verdachte en zijn medeverdachte daadwerkelijk gezamenlijk het plan hadden opgevat [slachtoffer] te doden, blijkt uit het navolgende.

Verdachte heeft in de loop van de bewuste maandag waarop [slachtoffer] is omgebracht, een bij inname gevaarlijke vloeistof, foto-ontwikkelaar, met de thee van [slachtoffer] vermengd. [medeverdachte] wist hiervan en het was hun beider bedoeling dat [slachtoffer] hierdoor zou komen te overlijden. Verdachte en [medeverdachte] hebben vervolgens de woning verlaten.

Toen verdachte en [medeverdachte] een paar uur later in de woning terugkeerden bleek hen, uit het feit dat het die ochtend gekochte vlees uit de keuken verdwenen was, dat [slachtoffer] nog leefde. Vervolgens heeft verdachte haar door verwurging gedood, waarbij [medeverdachte] gedeeltelijk aanwezig is geweest.

Gelet op het voorgaande moet het wurgen van [slachtoffer] derhalve worden gezien als de uitvoering van het bij verdachte en [medeverdachte] reeds bestaande voornemen om haar om te brengen.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van moord;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

6.1 De hoofdstraf en de maatregel van terbeschikkingstelling

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de aldaar besproken rapportages, te weten:

- de consultbrief van de Forensisch Psychiatrische Dienst Alkmaar, op 19 juni 2003 opgesteld door mevrouw I. Matthaei, forensisch psychiater,

- het rapport van de Psychiatrische Observatiekliniek Pieter Baan Centrum, opgesteld door J.B. Seinen, psycholoog en E.A. Boorsma, arts-assistent psychiatrie (in samenwerking met A.A.R. de Krom, psychiater) van 27 februari 2004, en

- de Pro Justitia Rapportage, opgesteld door mr. drs. R.A. Sterk, klinisch psycholoog, van 11 juni 2002, is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn vriendin, [medeverdachte], haar moeder om het leven gebracht. Hij heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan moord, wat algemeen beschouwd wordt als het ernstigste commune misdrijf.

Verdachte woonde samen met [medeverdachte] bij het slachtoffer in huis. Het slachtoffer verkeerde in een slechte lichamelijke conditie en was in die zin afhankelijk van haar omgeving. Verdachte en [medeverdachte] leefden van het geld van het slachtoffer bij gebrek aan eigen inkomsten. De verstandhouding tussen moeder enerzijds en dochter en partner anderzijds was zeer slecht. Op enig moment is bij verdachte en [medeverdachte] het voornemen ontstaan om moeder van het leven te beroven en uiteindelijk is zij door verwurging om het leven gebracht. Verdachte en zijn vriendin hebben getracht ontdekking van dit feit te voorkomen, door het stoffelijk overschot in stukken te zagen, waarna ze samen de diverse lichaamsdelen in vuilcontainers hebben gedumpt en het hoofd hebben begraven. Voorts hebben verdachte en [medeverdachte] het laatste geld van de rekening van het slachtoffer opgenomen en zijn ze gevlucht naar een ander deel van Nederland. Door het plegen van dit grove misdrijf is de rechtsorde in hoge mate geschokt.

Verdachte en zijn medeverdachte zijn onderzocht in het Pieter Baan Centrum. Uit het over verdachte opgestelde rapport van 27 februari 2004 komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis met borderlinetrekken die zich uit in - onder meer- een tekortschietend normbesef, impulsiviteit, onverantwoordelijkheid, verlatingsangst, stemmingslabiliteit en zelfdramatisering. Verdachte heeft de gevoelens van haat jegens zijn eigen moeder, vanwege haar verwaarlozende houding, sterk verdrongen. Die verdringing heeft geleid tot een zekere gevoelsarmoede bij verdachte.

De deskundigen van deze observatiekliniek hebben in het voornoemde rapport geconcludeerd, dat verdachte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid

- overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen. Zij concluderen dat verdachte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank neemt bovengenoemde conclusies van de deskundigen over en houdt daarmee rekening bij het bepalen van de straf.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Ten aanzien van het gevaar voor herhaling en het advies van de deskundigen overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank begrijpt genoemde rapportage van Het Pieter Baan Centrum aldus dat het tenlastegelegde wordt verklaard vanuit een doorbraak van een bij verdachte langer bestaande, sterk verdrongen agressie die in sterke mate door situatieve factoren is bepaald. Genoemd wordt het voorval dat een paar dagen voor het feit plaatsvond, waarbij het slachtoffer zich op grievende wijze uitliet over het seksueel misbruik van [medeverdachte]. Hierdoor werd verdachte hevig gekrenkt. Dit werd gevolgd door het voorval met het door het slachtoffer weggenomen vlees, dat vlak voor de wurging plaatsvond, waarna en waardoor verdachtes agressie definitief doorbrak. Op basis van dit - hier in grote lijnen omschreven - delictscenario, achten de deskundigen het recidiverisico gering en hebben zij, zo begrijpt de rechtbank, om die reden niet tot het opleggen van een

behandelmaatregel geadviseerd.

Op grond van de navolgende overwegingen neemt de rechtbank het advies van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum op dit punt niet over.

Zoals hiervoor onder 3 is overwogen acht de rechtbank bewezen dat bij verdachte en zijn medeverdachte het voornemen tot het doden van het slachtoffer bestond, welk voornemen uiteindelijk met de verwurging van het slachtoffer door [verdachte] in daad is omgezet. Dit is een wezenlijk aspect van het, uiteraard veel meer omvattende delictscenario, welk aspect blijkens de rapportage niet bij het onderzoek is betrokken en derhalve ook buiten beschouwing is gebleven bij de totstandkoming van de conclusie.

De rechtbank acht wel degelijk gevaar voor herhaling aanwezig.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting komt het beeld naar voren van een man met een forse persoonlijkheidsstoornis en afhankelijkheid van alcohol. Er is sprake van veel opgekropte haat, veroorzaakt door ernstige affectieve verwaarlozing sinds zijn vroegste jeugd. Hij deinst er niet voor terug zijn problemen op te lossen met behulp van geweld en lijkt daar vervolgens zonder spijt of schaamte op terug te kijken.

Uit het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 27 juni 2003 blijkt dat verdachte in 2001 en 2002 is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Ook overigens is gebleken dat verdachte in staat is tot zeer gewelddadig gedrag. Zo heeft hij niet lang voor het plegen van de tenlastegelegde feiten naar zijn zeggen om praktische redenen de hond van de familie om het leven gebracht. Dit heeft hij gedaan door het dier oxazepam toe te dienen en vervolgens te verwurgen. Het stoffelijk overschot heeft hij in een vuilcontainer gedumpt.

De rechtbank ziet steun voor haar oordeel in het eerder omtrent verdachte (in het kader van een ander strafbaar feit) opgestelde rapport van mr. drs. Sterk dat dateert van juni 2002. Hierin komt naar voren dat bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anders omschreven) met borderline en antisociale trekken. Tevens is sprake van een forse alcoholafhankelijkheid. Sterk overweegt dat het gevaar voor herhaling verhoogd moet worden ingeschat. Volgens hem komt dit door het verband tussen de geconstateerde problematiek en het tenlastegelegde (overval op een benzinestation) in combinatie met de aard van de problematiek, waarbij verdachte niet in staat geacht kan worden om daarin zelfstandig enige verandering aan te brengen. Behandeling is volgens Sterk geïndiceerd en dient gericht te zijn op de beperkingen die zijn

persoonlijkheidsstoornis met zich meebrengen. De deskundige heeft toentertijd een TBS met voorwaarden overwogen. Onder meer de destijds bij verdachte bestaande motivatie om zich te laten behandelen in een circuit voor forensische psychotherapie, heeft Sterk uiteindelijk doen besluiten om een behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel te adviseren. Verdachte heeft in juli 2002 bij Groot Batelaar een intakegesprek gehad en bij vonnis van deze rechtbank van 2 augustus 2002 is hem onder meer een voorwaardelijke straf van 6 maanden opgelegd met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering en de klinische behandeling in Groot Batelaar gedurende 14 tot 16 maanden zal ondergaan en zal voltooien. Verdachte heeft tot begin december 2003 gedetineerd gezeten.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard nog altijd kwaad te zijn op het slachtoffer. Maar ook heeft hij verklaard haat te koesteren ten aanzien van zijn eigen moeder en van anderen in zijn nabije omgeving.

Verdachte heeft aangegeven behandeling te willen ondergaan met betrekking tot zijn alcoholprobleem, maar hij is niet gemotiveerd om iets aan zijn persoonlijkheidsproblematiek te doen omdat hij dit niet nodig acht.

De rechtbank is op basis van de feitenconstellatie zoals hiervoor onder 3 omschreven en de bevindingen en conclusies van de deskundigen met betrekking tot de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, dit alles bezien in het licht van de hier genoemde omstandigheden, van oordeel dat sprake is van een reële kans dat verdachte, zonder behandeling van zijn persoonlijkheidsproblematiek, zich in de toekomst nogmaals schuldig zal maken aan een dergelijk, ernstig agressiedelict.

Mede in aanmerking genomen dat verdachte niet bereid is gebleken zich vrijwillig te laten behandelen, eist de veiligheid van anderen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd. De rechtbank zal derhalve een

dienovereenkomstige last geven.

6.2 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

Bij vonnis van 6 augustus 2002 heeft de Rechtbank te Haarlem betrokkene ter zake van afpersing en diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek waarvan zes maanden voorwaardelijk. Ten aanzien van dat voorwaardelijk deel is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat betrokkene zich binnen die periode niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Deze proeftijd is nog niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat genoemde, niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Gelast zal mitsdien worden, gelet op artikel 14g van het wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 37a, 37b, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte aansluitend ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie opgelegd in de zaak met parketnummer 15/030218-02 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet tenuitvoergelegde gevangenisstraf, groot ZES MAANDEN, opgelegd bij vonnis van de Rechtbank te Haarlem d.d. 6 augustus 2002.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Van Dam, voorzitter,

mrs. De Jong-Overtoom en Tel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Trommelen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 maart 2004.