Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO5137

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-02-2004
Datum publicatie
08-03-2004
Zaaknummer
15/030562-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem heeft een verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder een bijzonder voorwaarde. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder dat verdachte haar echtgenoot, terwijl hij sliep, met een mes in zijn linkerzij heeft gestoken. Het slachtoffer heeft hierdoor ernstige verwondingen opgelopen, welke - gelet op de plaats waar deze werden toegebracht - een fatale afloop hadden kunnen hebben. De omstandigheid dat een dergelijk strafbaar feit wordt gepleegd in de familiesfeer levert een ernstige schok op voor de rechtsorde en rechtvaardigt op zichzelf genomen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Daarnaast heeft de rechtbank evenwel oog voor het feit dat verdachte het feit gepleegd heeft binnen een relatie waarin ook haar man zich inzake geweldgebruik niet onbetuigd heeft gelaten en die om deze maar ook om andere redenen eigenlijk al geen relatie meer mocht heten. Verder was verdachte ten tijde van het plegen van het feit (tenminste) enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/030562-03

Uitspraakdatum: 20 februari 2004

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 februari 2004 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen, Huis van Bewaring Nieuwersluis te Nieuwersluis.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 18 augustus 2003 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk haar echtgenoot [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes in het lichaam en/of de arm van deze

[slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Beslissing op verzoek om nader onderzoek

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting het verzoek gedaan om - indien de rechtbank niet tot vrijspraak van het aan verdachte ten laste gelegde zou komen - de zaak terug te wijzen naar de rechter-commissaris teneinde nader onderzoek te doen verrichten.

De rechtbank wijst dit verzoek af nu zij - gelet op de inhoud van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting - de noodzaak tot nader onderzoek niet aanwezig acht.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat:

zij op 18 augustus 2003 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk haar echtgenoot [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in het lichaam van deze [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag

5. Strafbaarheid van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat het feit verdachte niet kan worden toegerekend omdat zij - mede als gevolg van haar alcoholverslaving - verkeerde in een schemertoestand en daardoor niet in staat was geestelijk en lichamelijk te functioneren.

De rechtbank verwerpt dit verweer, reeds omdat door de hierna te noemen deskundigen is geconcludeerd dat verdachte slechts als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Noch uit het onderzoek ter terechtzitting noch op grond van de overige stukken van dit geding zijn feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van sancties en van overige beslissingen

6.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting, en met name de aldaar besproken rapportages, te weten:

- het vanwege de Brijder Verslavingszorg door M.D. van Zundert uitgebrachte voorlichtingsrapport van 9 december 2003;

- het Pro Justitia Rapport van C.A.M. van der Meijs, psychiater, van 9 december 2003;

- het Pro Justitia Rapport van G.A.M. Mensing, psycholoog-psychotherapeut, van 15 december 2003.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft haar echtgenoot, terwijl hij sliep, met een mes in zijn linkerzij gestoken. Het slachtoffer heeft hierdoor ernstige verwondingen opgelopen, welke - gelet op de plaats waar deze werden toegebracht - een fatale afloop hadden kunnen hebben. De omstandigheid dat een dergelijk strafbaar feit wordt gepleegd in de familiesfeer levert een ernstige schok op voor de rechtsorde en rechtvaardigt op zichzelf genomen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Daarnaast heeft de rechtbank evenwel oog voor het feit dat verdachte het feit gepleegd heeft binnen een relatie waarin ook haar man zich inzake geweldgebruik niet onbetuigd heeft gelaten en die om deze maar ook om andere redenen eigenlijk al geen relatie meer mocht heten.

Verdachte is tijdens haar voorarrest onderzocht door de deskundigen voornoemd. Psycholoog Mensing heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet nader omschreven) en een alcoholverslaving. In de persoonlijkheidsstoornis NAO zijn trekken waarneembaar van een borderline persoonlijkheidsstoornis, theatrale persoonlijkheidsstoornis, narcistische persoonlijkheidsstoornis en obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. De verslaving is een uiting van de achterliggende ernstige psychologische problematiek. De stoornis en de alcoholverslaving waren ook aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit en er is sprake van een verband tussen verdachte's problematiek en het ten laste gelegde feit waardoor verdachte als (tenminste) enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. De kans op herhaling van een vergelijkbaar delict is aanwezig, maar tevens dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat andere incidenten zich voordoen. Behandeling is dringend aangewezen, waarbij de voorkeur uitgaat naar klinische behandeling, zeker in de eerste fase.

De conclusie van psychiater Van der Meijs is nagenoeg gelijkluidend.

De rechtbank neemt deze conclusies van de deskundigen over en houdt er bij het bepalen van de straf rekening mee.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Een gedeelte daarvan behoeft vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd. Deze straf valt aanmerkelijk lager uit dan door de officier van justitie gevorderd, mede omdat de rechtbank het van belang acht dat verdachte zo spoedig mogelijk wordt opgenomen in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg teneinde behandeld te kunnen worden voor haar persoonlijkheidsstoornis en haar alcoholverslaving. De rechtbank acht verplicht contact met de reclassering gedurende de proeftijd, tijdens welke haar behandeling zal plaatsvinden, noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

6.2 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding

van € 2.049,60 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat deze schade niet eenvoudig is vast te stellen, zodat de benadeelde partij in de vordering niet zal kunnen worden ontvangen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijf maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat zij zich in verband met haar persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek laat opnemen respectievelijk behandelen in een door de reclassering (thans de Brijder Verslavingszorg) aan te wijzen inrichting voor de duur van twee jaar of zoveel korter als de leiding van de inrichting in overleg met de reclassering wenselijk acht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Verpalen, voorzitter,

mrs. Grosheide en Van Daalen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Langendoen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 februari 2004.

Mr. Van Daalen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.