Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO4855

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-02-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
15/030778-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem veroordeelt een verdachte tot 21 maanden gevangenisstraf vanwege het witwassen en verwerpt het verweer dat de anonieme tip via Meld Misdaad Anoniem niet kan leiden tot een redelijke vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet of de Wet wapens en munitie. Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het witwassen van een zeer groot geldbedrag van ongeveer 7 miljoen euro, dat met criminele activiteiten, namelijk handel in drugs, is verkregen. Verdachte verbleef sinds de zomer 2003 op het adres waar het geldbedrag is aangetroffen. De woning was geheel uitgerust als een ruimte om geld te controleren, te tellen en te verpakken. Er zijn in de woning meerdere geprepareerde koffers aangetroffen, waarmee het geld kennelijk Nederland werd uitgesluisd en elders in het legale circuit werd gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/030778-03

Uitspraakdatum: 19 februari 2004

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 februari 2004 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de P.I. Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 6 en/of 7 november 2003, te Zwanenburg, gemeente

Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van

(ongeveer) 7 miljoen euro, heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben

gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en/of zijn

mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat

bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig

misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 6 en/of 7 november 2003 te Zwanenburg, gemeente

Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, een geldbedrag van (ongeveer) 7 miljoen euro

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij

en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen

van dat geldbedrag wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden,

dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis lid 1 ahf/sub a Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2. Voorvragen

2.1 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Met de invoering van de Kliklijn (de rechtbank begrijpt: de lijn Meld Misdaad Anoniem) wordt een

onrechtmatige opsporingsmethode / informatievergaringsmethode (in ruime zin) geïntroduceerd die geen

basis heeft in de wet. Bestaande regelingen, met name artikel 2 van de Politiewet en de (mede) daarop

gebaseerde wettelijke regelingen worden omzeild met een schijnconstructie. Het betreft een buitenwettelijke opsporingsmethode/ informatievergaringsmethode, die wordt vermomd als particulier initiatief, aldus de raadsman.

Het gebruik van informatie die met behulp van de Kliklijn is verkregen is in strijd met de wet en in strijd met de beginselen van een goede procesorde, dan wel een behoorlijke uitoefening van politietaken. Bovendien wordt met behulp van de Kliklijn door Justitie doelbewust, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte afbreuk gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak. Dit daar toetsing door de structuur van de stichting M onmogelijk wordt gemaakt en misbruik ingebakken zit in de opzet van de stichting M. Zulke informatie kan dan ook nimmer als startinformatie gebruikt worden in een strafrechtelijk onderzoek. Gebeurt dit wel, dan dient dit naar het inzicht van de raadsman te leiden tot niet ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Blijkens het in het strafdossier ingebrachte document van de werkgroep Procedures M. en blijkens het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige], afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, betreft het initiatief "Meld Misdaad Anoniem" de openstelling van een telefoonnummer teneinde het anoniem melden van criminaliteit mogelijk of gemakkelijk te maken. Het meldpunt is ondergebracht in een stichting. De werkwijze van de stichting is zodanig georganiseerd dat de anonimiteit van de beller zoveel als mogelijk wordt gegarandeerd.

Ten aanzien van de vraag of de politie een onrechtmatige opsporingsmethode heeft gebruikt overweegt de rechtbank het volgende.

Krachtens artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie onder meer tot taak de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Ter uitvoering van die taak is zij bevoegd tot het vergaren van informatie, waarbij zij ook gebruik kan maken van methoden die geen wettelijke basis hebben, indien een dergelijke methode a) geen inbreuk maakt op de grondrechten van burgers of b) geen zodanige inbreuk maakt dat daarmee hun belangen worden geschaad.

Noch het gebruik van informatie afkomstig van Meld Misdaad Anoniem noch het faciliteren van de lijn vormt een zodanige inbreuk op de grondrechten van burgers dat die methode van informatievergaring slechts op wettelijke basis kan worden gebezigd. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling dat deze methode vanwege haar buitenwettelijkheid onrechtmatig is.

Ten aanzien van het betoog dat gebruik van informatie afkomstig van Meld Misdaad Anoniem leidt tot een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, overweegt de rechtbank het volgende.

Naar vaste rechtspraak ligt het op de weg van de verdediging om feiten of omstandigheden aan te voeren op grond waarvan zij van mening is dat vraagtekens zijn te plaatsen bij de rechtmatigheid van de opsporing. De enkele algemene constatering dat informatie afkomstig van Meld Misdaad Anoniem niet kan worden getoetst gelet op de werkwijze van de stichting die voor alles is gericht op garantie van anonimiteit van de bellers, is voor een dergelijke conclusie onvoldoende. Geen feiten of omstandigheden zijn aannemelijk geworden die kunnen leiden tot twijfel over de rechtmatigheid van de informatievergaring in de onderhavige zaak.

De voorgaande overwegingen leiden tot verwerping van het beroep op de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging.

2.2. Overige voorvragen

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Verweren

De raadsman heeft betoogd dat de anonieme tip via Meld Misdaad Anoniem niet kan leiden tot een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet of de Wet wapens en munitie. De tip als zodanig kan volgens de raadsman niet de basis vormen voor de huiszoeking zoals die op 6 november 2003 onder leiding van de rechter-commissaris is uitgevoerd. Het inbeslaggenomen geld kan volgens de raadsman niet tot het bewijs bijdragen en mitsdien dient dit tot vrijspraak te leiden.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat mogelijk is dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Er bestaat een mogelijkheid dat het zwart geld betreft dat afkomstig is uit de bouw in Griekenland. Het tenlastegelegde kan derhalve niet worden bewezen en om deze reden dient eveneens vrijspraak te volgen.

De rechtbank verwerpt deze verweren.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een redelijk vermoeden van schuld zowel voor de opsporing als voor de toepassing van dwangmiddelen. Zij komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

De anonieme tip via Meld Misdaad Anoniem bevatte veel concrete informatie. Er zijn door de tipgever specifieke gegevens verstrekt. Daarbij had de genoemde tip betrekking op een zeer ernstig feit, er zou namelijk 10 kilogram cocaïne, een vuurwapen en 1 miljoen euro in de getipte woning aanwezig zijn.

De politie heeft vervolgens informatie opgevraagd bij het Kadaster en heeft telefonisch contact gezocht met het opgegeven sleuteladres. Aldus is de binnengekomen informatie, zij het summier, getoetst. Voorts geldt dat art. 49 Wet Wapens en Munitie een ruime doorzoekingsbevoegdheid biedt zodra er, zoals hier het geval was, concrete aanwijzingen bestaan voor de aanwezigheid van een wapen.

Anders dan de raadsman, acht de rechtbank ook bewezen dat het geld afkomstig is van enig misdrijf, te weten drugshandel, op grond van de volgende omstandigheden die in onderlinge samenhang moeten worden bezien.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de oorsprong van de drugs die Nederland bereikt in overwegende mate in Colombia dient te worden gezocht. Voorts leert de ervaring dat in de handel in drugs zeer grote geldbedragen omgaan. Daarnaast is algemeen bekend dat de straatopbrengsten van de verkoop van drugs contant geld in kleinere coupures genereren. Verdachte en zijn mededader zijn beide van Colombiaanse afkomst. Er is een zeer groot geldbedrag aangetroffen dat mede bestond uit biljetten van 20 en 50 euro. Bovendien blijkt uit het dossier dat een verdovende middelenspeurhond positief heeft gereageerd op een van de tassen met geld, hetgeen betekent dat de geur van verdovende middelen mogelijk daaraan kleefde. Tot slot hebben verdachten geen sluitende verklaring kunnen geven over de herkomst van het geld. In dit verband acht de rechtbank de stelling dat het geld mogelijk afkomstig is uit de bouw uit Griekenland onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk geworden.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat:

hij op 6 november 2003 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van ongeveer 7 miljoen euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten, dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

primair medeplegen van witwassen.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het witwassen van een zeer groot geldbedrag van ongeveer 7 miljoen euro, dat met criminele activiteiten, namelijk handel in drugs, is verkregen. Witwassen vormt een aantasting van het financieel-economisch bestel, ondermijnt het reguliere handels- en betalingsverkeer en brengt de maatschappij veel schade toe.

Verdachte verbleef sinds de zomer 2003 op het adres waar het geldbedrag is aangetroffen. De woning was geheel uitgerust als een ruimte om geld te controleren, te tellen en te verpakken. Er zijn in de woning meerdere geprepareerde koffers aangetroffen, waarmee het geld kennelijk Nederland werd uitgesluisd en elders in het legale circuit werd gebracht

Aldus heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan het faciliteren van het criminele circuit, te weten het vereenvoudigen van de financiële afwikkeling van verdovende middelentransacties.

Verdachte heeft door zijn witwasactiviteiten aan anderen de mogelijkheid geboden anoniem te blijven en aldus de herkomst van de gelden getracht te versluieren. Voorts heeft verdachte hierdoor misdrijven begunstigd waarmee kennelijk zeer grote sommen geld werden verworven.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.

vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van EENENTWINTIG MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ruijpers, voorzitter,

mrs. Sicking en Scherpenhuijsen Rom, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Trommelen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 februari 2004.