Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO3627

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-02-2004
Datum publicatie
13-02-2004
Zaaknummer
90173
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk zoals vorenvermeld, te verminderen met de kosten van de kinderen zoals vermeld en te verminderen met de premies ziektekostenverzekering ten behoeve van partijen, begroot op € 3.600,- per jaar, bedraagt € 8.454,- per maand. De behoefte van de vrouw kan worden gesteld op 60 % daarvan, derhalve op € 5.072,40 netto. Bij deze wijze van raming van de behoefte wordt niet ingegaan op de afzonderlijke kostenposten die de alimentatiegerechtigde opvoert om haar behoefte te begroten.

Ook indien de vrouw voor 70% gaat werken, zal zij daarmee een inkomen genereren, dat deze behoefte dekt, zodat de rechtbank van oordeel is dat de vrouw geen behoefte heeft aan een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud door de man. Het verzoek van de vrouw hiertoe zal worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Zaaknummer : 90173/03

Datum beschikking : 3 februari 2004

IM/JK

A

echtscheiding

BESCHIKKING ENKELVOUDIGE KAMER VOOR FAMILIEZAKEN

in de zaak van:

[naam man],

wonende te Diemen,

hierna mede te noemen: de man,

procureur mr. H.K. Garvelink,

-- tegen --

[naam vrouw],

wonende te Haarlem,

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. R.F. Meijer.

Verloop van de procedure

Bij verzoekschrift is een verzoek tot echtscheiding ingediend, alsmede verzoeken tot vaststelling van een omgangsregeling, tot bepaling dat partijen over dienen te gaan tot verrekening op grond van de overeenkomst huwelijksvoorwaarden, tot het verstrekken van een opdracht aan partijen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van inboedel en tot vaststelling van de wijze van verdeling van de partijen in mede-eigendom toebehorende echtelijke woning.

De vrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, tot opdracht aan partijen over te gaan tot tussentijdse verrekening op grond van de huwelijksvoorwaarden en tot verdeling van de inboedel. Ten aanzien van de (wijze van verdeling van de) echtelijke woning refereert zij zich aan het meer subsidiaire verzoek van de man om de verdeling te bevelen met benoeming van een notaris en onzijdige personen. Zij verzoekt de rechtbank de man te gelasten over te gaan tot verrekening van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding van partijen en aan de vrouw alle voor de verrekeningen relevante bescheiden ter hand te stellen, alsmede een deskundige te benoemen ten behoeve van de vaststelling van de verdeling. Met betrekking tot de verrekening verzoekt zij een verklaring voor recht dat de verplichting van partijen om tot pensioenverevening over te gaan zich niet verder uitstrekt dan tot 1 januari 2000.

Bij zelfstandig verzoek heeft de vrouw verzocht om vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen en van een uitkering tot levensonderhoud van haarzelf.

Zij heeft verweer gevoerd tegen de door de man gevraagde omgangsregeling en verzoekt vastlegging van de door haar geformuleerde omgangsregeling.

De vrouw heeft voorts verzocht te bepalen dat zij gerechtigd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

De man heeft zich gerefereerd ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen en betreffende het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. Hij heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en verklaart zich bereid een lager bedrag te betalen. Hij heeft voorts verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering tot haar levensonderhoud. Hij verzoekt de rechtbank de door de vrouw voorgestelde omgangsregeling af te wijzen voor zover deze afwijkt van de door hem verzochte omgangsregeling. De man verzoekt de rechtbank tenslotte de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken betreffende de periodieke verrekening van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding van partijen, de afgifte van voor de verrekening relevante stukken en de verklaring voor recht inzake de peildatum voor de pensioenverevening.

Hierna is de zitting bepaald; deze heeft op 21 november 2003 plaatsgevonden.

De minderjarige [naam minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken in raadkamer.

Beoordeling

De rechtbank komt rechtsmacht toe.

De verzoeken tot echtscheiding en tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning kunnen als onweersproken worden toegewezen.

Partijen hebben de rechtbank verzocht om te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw. Nu niet is gebleken dat dit strijdig is met de belangen van de minderjarigen, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

De vrouw heeft een verzoek gedaan tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van

€ 1.000,-- per kind per maand. De man heeft de door de vrouw genoemde behoefte van de kinderen betwist. Hij wijst erop dat hij in het kader van de omgangsregeling ook kosten voor de kinderen maakt en verklaart zich bereid maandelijks € 566,-- per kind te betalen.

Uit de processtukken en het verhoor ter zitting is omtrent de financiële omstandigheden van partijen het volgende gebleken:

aan de zijde van de vrouw:

De vrouw is geboren op [datum] en vormt samen met de minderjarige kinderen van partijen een eenoudergezin.

Zij is werkzaam als [functie], laatstelijk parttime voor 85%.

aan de zijde van de man:

- hij is geboren op [datum] en woont samen met een verdienende partner;

- de man was in 2002 werkzaam als [functie] tegen een parttime percentage van 90%;

Nu beide partijen [functie] en aldus een enigszins fluctuerend inkomen hebben, heeft de rechtbank de inkomens van beide partijen over de jaren 2001 tot en met 2003 tot uitgangspunt genomen en heeft deze gemiddeld.

Dit komt op het volgende neer.

Voor de man:

- in 2001 bedraagt zijn winstaandeel € 133.431,-, onweersproken te vermeerden met

€ 20.000,- ten behoeve van voor de man door [bedrijf] vooruitbetaalde kosten;

- in 2002 bedraagt het winstaandeel € 190.000,-, eveneens te vermeerderen met

€ 20.000,-;

- in 2003 bedraagt het winstaandeel geprognosticeerd 90% van € 156.200,- =

€ 140.580,-, te vermeerderen met een bijtelling van € 13.188,- wegens uitgestelde investeringen en genoemde € 20.000,-.

De rechtbank is van oordeel dat het door de man voor 80% werken berust op een vrije keuze nu nog minder werken dan 90 % niet noodzakelijk is voor de omgangsregeling met de kinderen.

Het gemiddelde inkomen van de man komt hiermee op € 179.066,33 per jaar.

Voor de vrouw:

- in 2001 bedraagt haar winstaandeel € 94.000,-;

- in2002 bedraagt haar winstaandeel € 121.000,-, te vermeerderen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 29.520,-;

- in 2003 bedraagt haar winstaandeel (geprognosticeerd) € 128.645,- te vermeerderen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 32.616,-.

Haar gemiddelde inkomen over deze jaren bedraagt derhalve € 135.260,-.

Dit komt neer op een netto-inkomen (geabstraheerd van fiscale aftrekposten) voor de man van € 7.992,- en voor de vrouw van € 6.359,-. De behoefte van de kinderen tezamen is bij een gezinsinkomen van € 14.231,- - dat daarmee ruimschoots boven de inkomens in de gebruikelijk te hanteren tabellen uitkomt - te begroten op 34 % daarvan, derhalve

€ 4.838,54. Dit dient te worden vermeerderd met een bedrag voor opvangkosten ( au pair) van € 516,- per maand en een bedrag van € 122,44 voor premie ziektekostenverzekering. De totale behoefte van de kinderen bedraagt derhalve € 5.477,- per maand, hetgeen neerkomt op € 1.825,- per maand en per kind.

Gelet op de inkomensverhouding tussen partijen overstijgt het door de vrouw verzochte bedrag het aandeel van de man hierin niet, zodat dit verzoek van de vrouw, nu de man zijn draagkracht om dit bedrag te voldoen niet heeft betwist, zal worden toegewezen.

De vrouw heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de man maandelijks een uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van € 3.500,--. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft zij erop gewezen dat dit bedrag dient ter compensatie van het feit dat haar winstaandeel, mede ten gevolge van het feit dat zij haar werktijden heeft aangepast aan de kinderen, de afgelopen jaren aantoonbaar lager is geweest dan dat van de man. Van de man kan daarom, aldus de vrouw, verwacht worden een uitkering tot haar levensonderhoud te betalen, zodat zij in staat zal zijn in behoorlijke huisvesting voor haar en de kinderen te voorzien. De man heeft betwist dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk zoals vorenvermeld, te verminderen met de kosten van de kinderen zoals vermeld en te verminderen met de premies ziektekostenverzekering ten behoeve van partijen, begroot op € 3.600,- per jaar, bedraagt € 8.454,- per maand. De behoefte van de vrouw kan worden gesteld op 60 % daarvan, derhalve op € 5.072,40 netto. Bij deze wijze van raming van de behoefte wordt niet ingegaan op de afzonderlijke kostenposten die de alimentatiegerechtigde opvoert om haar behoefte te begroten.

Ook indien de vrouw voor 70% gaat werken, zal zij daarmee een inkomen genereren, dat deze behoefte dekt, zodat de rechtbank van oordeel is dat de vrouw geen behoefte heeft aan een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud door de man. Het verzoek van de vrouw hiertoe zal worden afgewezen.

Partijen hebben verzocht om vaststelling van een omgangsregeling. Complicatie bij de uitvoering van de omgangsregeling vormt het feit dat de vrouw en de kinderen in [plaats] wonen en de man in [plaats]. In het kader van de voorlopige voorzieningen was afgesproken dat de minderjarigen elke dinsdag van 14.45 uur tot 20.00 uur omgang met de man hebben. De rechtbank is van oordeel dat, zolang de man nog in [plaats] woonachtig is, deze dinsdag in verband met het heen en weer reizen voor een korte periode, voor de kinderen te onrustig is. Zodra de man weer in de nabije omgeving van de vrouw woont - hij heeft verklaard naar woonruimte in of rond [plaats] om te zien - kan de omgang op de dinsdagmiddag weer worden hervat.

Partijen verschillen met elkaar van mening over de uitvoering van de bezoekregeling in de weekenden, over de aanvangs- en eindtijd ervan en over de regeling voor het halen en brengen van de kinderen. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de informatie van partijen blijkt dat de kinderen op vrijdag verschillende schooltijden hebben. [naam kind], de jongste, komt om 12.00 uur uit school, [naam kind] en [naam kind] om 15.15 uur. Op vrijdagmiddag heeft [naam kind] tot circa 19.00 uur jiujitsules. De rechtbank acht, rekening houdend met de schooltijden, activiteiten en leeftijd van de kinderen, het in het belang van de kinderen dat de huidige weekendregeling wordt gecontinueerd, derhalve van vrijdagmiddag 15.15 uur tot zondag 19.00 uur. De rechtbank gaat er van uit dat de man ervoor zorgdraagt dat [naam kind] kan deelnemen aan de jiu jitsulessen. De rechtbank acht het verder redelijk dat de vrouw de kinderen op zondagavond bij de man ophaalt.

De vakanties zullen tussen partijen bij helfte worden gedeeld. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen erin zullen slagen in onderling overleg tot concrete afspraken hierover te komen Partijen zullen hierover tijdig, bijvoorbeeld aan het begin van het (school)jaar, nadere afspraken dienen te maken en vakantieplannen op elkaar afstemmen.

De rechtbank zal de omgangsregeling aldus vastleggen.

De behandeling van de zaak met betrekking tot de verrekening en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zal worden aangehouden tot na te noemen datum. Hetzelfde geldt voor alle hiermee samenhangende verzoeken betreffende de verdeling van de gemeenschappelijke inboedel, de wijze van verdeling van de echtelijke woning, de verrekening van huishoudelijke kosten alsmede de verevening van de pensioenrechten.

Beslissing

De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] in de gemeente [plaats] met elkaar gehuwd.

Bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [naam]:

- [naam minderjarige], geboren in de gemeente [plaats] op [geboortedatum];

- [naam minderjarige], geboren in de gemeente [plaats] op [geboortedatum];

- [naam minderjarige], geboren in de gemeente [plaats] op [geboortedatum],

is bij de vrouw.

Bepaalt dat de man met ingang van de datum dat deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen telkens bij vooruitbetaling zal betalen € 1.000,-- per maand per kind.

Stelt de volgende regeling vast inzake de uitoefening van het omgangsrecht:

de man en de minderjarigen zullen gerechtigd zijn een maal per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school, te weten 15.15 uur, tot zondagavond 19.00 uur omgang met elkaar te hebben. De man zal de kinderen van school dan wel thuis ophalen. De vrouw zal de kinderen op zondagavond bij de man ophalen.

De vakanties zullen tussen partijen bij helfte en in overleg worden gedeeld.

Bepaalt dat de vrouw, indien zij op de dag van inschrij-ving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de woning aan [adres] nog bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboe-del daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na die inschrijving voort te zetten.

Verklaart deze beschikking, met uitzondering van de echtscheiding, tot zover uit-voerbaar bij voorraad.

Wijst af het verzoek van de vrouw tot het bepalen van een uitkering tot haar levensonderhoud.

Houdt de behandeling van de zaak met betrekking tot de verrekening en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, de verdeling van de gemeenschappelijke inboedelzaken, de verdeling van de partijen in gemeenschappelijke eigendom toebehorende echtelijke woning en de verevening van de pensioenrechten aan tot 18 maart 2004 PRO FORMA.

Verzoekt partijen om de rechtbank uiterlijk 11 MAART 2004 mede te delen of zij volledige overeenstemming hebben bereikt over voornoemde verrekening en afwikkeling.

Verzoekt elk der partijen, indien zij geen volledige overeenstemming hebben bereikt en zij bovendien een beslissing van de rechtbank daaromtrent verlangen, de rechtbank uiterlijk 11 maart 2004 de volgende bescheiden over te leggen:

- een overzicht van alle te verrekenen bedragen gestaafd met bewijsstukken;

- een compleet voorstel tot afwikkeling.

Partijen kunnen tot uiterlijk 11 maart 2004 eenmalig om uitstel voor indiening van de gevraagde bescheiden verzoeken. Dit verzoek wordt, indien de wederpartij bezwaar maakt, slechts toegewezen als degene die uitstel vraagt schriftelijk klemmende redenen aanvoert. Indien de wederpartij instemt wordt het verzoek toegewezen, tenzij de procedure daardoor onredelijk wordt vertraagd als bedoeld in artikel 818 lid 2 Rv.

Indien op 11 maart 2004 geen bericht is ontvangen of door beide partijen de gevraagde stukken niet (volledig) zijn overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd, wordt ervan uitgegaan dat partijen geen prijs stellen op verdere behandeling en zal de zaak op de stukken worden afgedaan.

Indien op 11 maart 2004 een van beide partijen de gevraagde stukken niet (volledig) heeft overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd wordt ervan uitgegaan dat deze partij geen prijs stelt op verdere behandeling en zal de zaak in beginsel op de stukken worden afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A. Mink en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 3 februari 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.