Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO3603

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-02-2004
Datum publicatie
12-02-2004
Zaaknummer
04-63 en 04-75
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekers hebben spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening hangende bezwaarprocedure tegen verleende vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, WRO en bouwvergunning eerste fase. Geen onredelijke belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Reg. nr: Awb 04-63 - 04-75

Uitspraakdatum: 9 februari 2004

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

(artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht)

op een verzoek om voorlopige voorziening

in de zaak van:

[verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3],

allen wonende te [woonplaats], gemeente Beemster,

verzoekers,

gemachtigde: W.J. van Aken, Van Aken advies, juridisch- en bestuurlijk adviseurs te Hillegom,

-- tegen --

het college van burgemeester en wethouders van Beemster,

verweerder,

derde partij:

[derde-belanghebbende],

wonende te [woonplaats], gemeente Beemster.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 9 januari 2004, verzonden op 12 januari 2004, heeft verweerder aan [derde-belanghebbende], bouwvergunning en vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor het plaatsen van een dam nabij [adres] 112 te [woonplaats], kenmerk: 17094. Tevens heeft verweerder bij besluit van dezelfde datum en ook op 12 januari 2004 verzonden, aan [derde-belanghebbende], vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, WRO en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een woning nabij [adres] 112 te [woonplaats], kenmerk: 17115.

Tegen deze besluiten hebben verzoekers bij brieven van 13 januari 2004 bezwaar gemaakt. Bij brieven van 12 januari 2004 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 februari 2004, alwaar [verzoeker 1] en zijn gemachtigde voornoemd zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.K. Pieters, ambtenaar in dienst van de gemeente. Tevens is verschenen [derde-belanghebbende], vergunninghouder.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

Het verzoek met betrekking tot de verleende vrijstelling en bouwvergunning voor het plaatsen van een dam, reg.nr. Awb 04-63.

2.2. Verzoekers hebben in hun verzoekschrift van 12 januari 2004, door de rechtbank op 13 januari 2004 ontvangen, verzocht de werkzaamheden aan de dam stil te leggen. Uit door verweerder verstrekte informatie blijkt dat de dam op dat moment nagenoeg voltooid was. Ter zitting is door partijen bevestigd dat de dam inmiddels geheel gerealiseerd is. Om die reden hebben verzoekers thans geen spoedeisend belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.

Het verzoek met betrekking tot de verleende vrijstelling en bouwvergunning voor het realiseren van een woning, reg.nr. Awb 04-75.

2.3. Verweerder heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang daarbij. Aan vergunninghouder is uitsluitend een reguliere bouwvergunning eerste fase verleend, op grond waarvan nog niet gebouwd mag worden. Om te kunnen bouwen moet eerst tevens de reguliere bouwvergunning tweede fase zijn verleend. Bovendien heeft vergunninghouder toegezegd dat hij de beroepsprocedure met betrekking tot de bouwvergunning eerste fase zal afwachten, voordat hij gaat bouwen.

2.4. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet en overweegt daartoe het volgende.

2.5. In artikel 56b, eerste lid, Woningwet is onder meer bepaald dat burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase aanhouden indien er geen grond is om de bouwvergunning tweede fase te weigeren en indien gedurende de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen de bouwvergunning eerste fase bij de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om schorsing van de bouwvergunning eerste fase is ingediend en op dat verzoek positief is beslist. De aanhouding eindigt op de dag dat de schorsing ingevolge artikel 8:85 Awb vervalt.

2.6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft een derde-belanghebbende, die bezwaren heeft tegen een verleende bouwvergunning eerste fase, er belang bij om te bewerkstelligen dat de besluitvorming die leidt tot de bouwvergunning tweede fase wordt opgeschort. Op die manier kan hij voorkomen dat een bouwtitel ontstaat voor een door hem bestreden bouwplan en wordt het risico weggenomen dat hij (achteraf bezien) onnodig in procedures betreffende de bouwvergunning tweede fase wordt betrokken.

Tot het bewerkstelligen van die opschorting heeft de wetgever in artikel 56b Woningwet een derde-belanghebbende expliciet de mogelijkheid geboden, mits een verzoek tot schorsing van de bouwvergunning eerste fase wordt gedaan gedurende de termijn waarbinnen tegen dat besluit bezwaar kan worden gemaakt en op dat verzoek positief is beslist. Nu aan verzoeker voor het indienen van een schorsingsverzoek - waaraan bij toewijzing daarvan de in artikel 56b Woningwet bepaalde aanhouding is verbonden - slechts een beperkte periode ter beschikking staat, moet zijn belang bij het thans indienen van zijn schorsingsverzoek als spoedeisend worden aangemerkt.

2.7. De toezegging van vergunninghouder dat hij alvorens te gaan bouwen de beroepsprocedure met betrekking tot de bouwvergunning eerste fase zal afwachten, komt niet tegemoet aan het belang van verzoeker, nu die toezegging verzoeker niet de zekerheid biedt dat geen bouwvergunning tweede fase zal worden afgegeven gedurende de behandeling van zijn bezwaar tegen de bouwvergunning eerste fase. Immers, wanneer vergunninghouder na afloop van de termijn waarbinnen tegen de bouwvergunning eerste fase bezwaar kan worden gemaakt een aanvraag om bouwvergunning tweede fase indient, kan verzoeker geen aanhouding van de beslissing op die aanvraag meer bewerkstelligen.

2.8. Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening betreffende de verleende vrijstelling en bouwvergunning voor het realiseren van een woning op het perceel [adres] naast 112 te [woonplaats] wordt het volgende overwogen.

2.9. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatste geldende bestemmingsplan "[woonplaats] 1983". Onderhavige grond heeft de bestemming 'agrarische doeleinden I'. Op grond van artikel 8 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel mag op deze gronden niet gebouwd worden, met uitzondering van landhekken met een hoogte van niet meer dan 1,5 meter.

2.10. Om realisering van het onderhavige bouwplan mogelijk te maken heeft verweerder besloten vrijstelling te verlenen op grond van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, WRO.

2.11. Op grond van artikel 19, tweede lid, WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist.

2.12. Niet in geschil is dat het bouwplan valt onder de in artikel 19, tweede lid, WRO genoemde categorieën en dat verweerder bevoegd was voor het bouwplan vrijstelling te verlenen zonder voorafgaand een verklaring van geen bezwaar aan gedeputeerde staten te vragen.

2.13. Bij het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, WRO is het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing van overeenkomstige toepassing. Artikel 19, eerste lid, WRO bepaalt dat onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur wordt verstaan een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffend gebied.

Blijkens de parlementaire geschiedenis (TK 1996-1997, 25311, nr. 3, p. 7) hoeft de ruimtelijke onderbouwing niet in alle gevallen even omvangrijk te zijn. Deze is - onder meer - afhankelijk van de aard en de omvang van de activiteit, de mate van ingrijpendheid, de actualiteit van het gemeentelijk ruimtelijk beleid, de relevantie voor het ruimtelijk beleid van de andere overheden en de aard van de eventueel ingebrachte bedenkingen. Het vorenstaande, alsmede de onder de vigeur van het oude artikel 19 WRO gevormde jurisprudentie in ogenschouw nemende, is de voorzieningenrechter van oordeel dat bij een meer ingrijpend project zowel qua omvang, als qua inhoud zwaardere eisen kunnen worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing.

2.14. Verweerder heeft zich voor wat betreft de 'goede ruimtelijke onderbouwing' in hoofdzaak gebaseerd op het op 10 maart 2003 vastgestelde streekplan Noord-Holland Zuid. De geprojecteerde woning is gelegen binnen de rode contouren. In het streekplan is bij de toelichting 'rode contouren' aangegeven dat de betekenis van deze contouren uitsluitend is het aangeven van de grens van het stedelijk gebied. Nu het bouwwerk tevens valt binnen de bebouwde kom van [woonplaats], hetgeen stedelijk gebied is, kan voor het realiseren van onderhavige woning vrijstelling worden verleend, aldus verweerder.

2.15. De voorzieningenrechter acht deze onderbouwing summier, nu daarbij geen verwijzing is opgenomen naar een ter zake van toepassing zijnd beleid noch een op deze specifieke situatie gerichte ruimtelijke afweging kenbaar is gemaakt. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter behoeft de bouwvergunning om die reden echter niet te worden geschorst, nu aanvulling van de ruimtelijke onderbouwing in bezwaar nog kan plaatsvinden.

2.16. Vervolgens dient beoordeeld te worden of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt door de vrijstelling te verlenen.

2.17. Verzoekers hebben in dit verband als voornaamste grief naar voren gebracht dat zij voorzien dat de agrarische bedrijven die zij ter plaatse exploiteren in de toekomst niet meer zullen kunnen worden uitgeoefend omdat de bewoners van de geplande woning zich zouden kunnen beroepen op handhaving van de Wet Milieubeheer. De voorzieningenrechter verwerpt deze grief en overweegt daartoe het volgende.

2.18. De door [verzoeker 2] in de schuur '[naam]' nabij [adres] 113 ontplooide activiteiten worden door verweerder aangemerkt als hobbymatige activiteiten, waarop de Wet milieubeheer niet van toepassing is. Indien toekomstige ontwikkelingen er toe leiden dat deze activiteiten op een later moment wel moeten worden aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, dan dient (naar verweerder stelt) op dat moment voldaan te worden aan een afstandseis van 100 meter tot aan de dichtstbijzijnde woningen. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat, nu op dit moment reeds een aantal woningen binnen een straal van 100 meter vanaf de schuur van [verzoeker 2] staan, de thans in geschil zijnde woning de positie van verzoeker [verzoeker] niet in zodanige mate zal verslechteren dat om die reden niet tot het verlenen van vrijstelling kon worden besloten.

2.19. Ten aanzien van de activiteiten van [verzoeker 1] en [verzoeker 3] op [adres] 113 heeft verweerder gesteld dat hij tot aan de door [verzoeker 3] op 1 juni 2003 ingediende aanvraag om een (milieu)vergunning voor het oprichten van een schapenhouderij en paardenfokkerij, niet bekend was met deze activiteiten. Nu deze milieuvergunning is geweigerd, kan aan de belangen van verzoekers niet dat gewicht worden toegekend dat zij wensen. Dat verzoekers tegen de weigering van de milieuvergunning rechtsmiddelen hebben aangewend, maakt dit niet anders. Daarbij komt dat, gelet op de feitelijke situatie, ook hier geldt dat zich al diverse woningen bevinden binnen een straal van 100 meter van de schuur van [verzoeker 1] en [verzoeker 3], zodat de geplande woning ook hier niet een zodanige verslechtering zou betekenen van hun positie dat verweerder om die reden van het verlenen tot vrijstelling had moeten afzien.

2.20. De voorzieningenrechter stelt voorts aan de hand van hetgeen ter zitting is verklaard vast dat de afstand tussen de woning van [verzoeker 3] op de [adres] 112 en de reeds bestaande woning op de [adres] 113 ongeveer 77 meter is. Daartussen bevinden zich een boomgaard en een schuur die beide eigendom zijn van [derde-belanghebbende]. De geplande woning is geprojecteerd op een afstand van ongeveer 15 meter van de woning van [verzoeker 3]. Gelet op de beschikbare situatietekeningen en voormelde afstanden acht de voorzieningenrechter de door verzoeker [verzoeker 3] gestelde inbreuk op zijn privacy en beperking van zijn uitzicht niet zodanig groot dat verweerder aan deze belangen meer gewicht had moeten toekennen dan aan het belang van vergunninghouder. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de reeds bestaande schuur, die naast de woning van [verzoeker 3] staat, blijft bestaan, waardoor de nieuw te bouwen woning vanuit de woning van [verzoeker 3] bezien (gedeeltelijk) aan het zicht zal zijn onttrokken.

2.21. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de vrijstelling en bouwvergunning eerste fase kunnen verlenen. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken daartoe worden derhalve afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding één der partijen te veroordelen in de proceskosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van B.E. Willems, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.