Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO3178

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-01-2004
Datum publicatie
06-02-2004
Zaaknummer
15/076374-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem veroordeelt een verdachte tot 120 uren taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar, vanwege het onzorgvuldig met een vrachtauto achteruit rijden, waardoor een persoon is komen te overlijden. De rechtbank verwerpt aan de hand van getuigeverklaringen het verweer dat onvoldoende is uitgesloten dat het slachtoffer al voor de overrijding zou zijn overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/076374-03

Uitspraakdatum: 26 januari 2004

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 januari 2004 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Overweging naar aanleiding van een gevoerd verweer

De raadsman heeft aangevoerd dat de mogelijkheid aanwezig is dat het slachtoffer, voordat zij door de door verdachte bestuurde vrachtauto is overreden, reeds was overleden, zodat er twijfel bestaat of wel bewezen kan worden dat de dood van het slachtoffer het gevolg is van de overrijding. Om die reden is er aanleiding voor vrijspraak.

De rechtbank volgt het betoog van de raadsman niet.

Daartoe overweegt de rechtbank dat de kans dat het slachtoffer, [naam slachtoffer], alvorens zij de tengevolge van de overrijding door de vrachtauto van verdachte - niet met het leven verenigbare - verwondingen heeft opgelopen, reeds was overleden, mede in het licht van de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] die aldus moeten worden begrepen dat zij zeer kort voordat het slachtoffer werd overreden, een oudere vrouw met een kruk, zijnde het slachtoffer, op de Zuidersteeg in Purmerend, nabij de plaats van het ongeval zagen lopen, zo verwaarloosbaar klein is, dat die door de raadsman geopperde mogelijkheid, als volstrekt onaannemelijk moet worden verworpen. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een eerder overlijden aannemelijk doen zijn.

3.1. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat hij

op 21 februari 2003 te Purmerend als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, vrachtauto, daarmede achteruit rijdende over de weg, de Zuidersteeg, welke weg deel uitmaakt van het voetgangersgebied, terplaatse aangegeven door bord G7 van Bijlage I van het RVV1990, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, immers zonder gebruik te maken van een akoestisch achteruit rij waarschuwingssignaal en/of een achteruitrijcamera en/of van een met de achteruit rijdende vrachtauto meelopende persoon, zijn weg achteruitrijdend over eerder genoemde Zuidersteeg te vervolgen en vervolgens niet zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was en hij deze kon overzien, waardoor hij, ver-dachte, met het door hem bestuurde voertuig tegen en over een aldaar lopende persoon is (aan)gereden, waardoor die persoon, genaamd [naam slachtoffer], werd gedood;

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van art. 6 WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een vrachtauto, waarvan het uitzicht naar achteren door de op die vrachtauto aangebrachte opbouw, ernstig was belemmerd, bestuurd in een voetgangersgebied, waar - naar hij uit ervaring wist - op dat tijdstip voetgangers aanwezig konden zijn. Aldaar is verdachte achteruit gereden, hetgeen een bijzondere verrichting betreft die noopte tot bijzondere voorzichtigheid. Verdachte is - door onder voormelde omstandighe-den bij het achteruitrijden, geen maatregelen te treffen die het gebrek aan zicht naar achteren compenseerden - in aanmerkelijke mate tekort geschoten in de zorgvuldigheid die van hem als vrachtautobestuurder mocht worden verwacht. Door de gevolgen van deze aanmerkelijke onzorgvuldigheid en onoplettendheid heeft verdachte het slachtoffer overreden, waardoor zij is komen te overlijden.

De rechtbank heeft - naast met de ernst van het bewezenverklaarde feit - rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte als vishandelaar een aantal vishandels, waaronder de door hemzelf en zijn vrouw gedreven vishandel, bevoorraadt, daarvoor gedurende zes dagen in de week aan het werk is en dat hij hiervoor zijn rijbewijs nodig heeft, terwijl hij geen personeelslid in dienst heeft dat in het bezit is van een -voor het besturen van vrachtauto's noodzakelijk - groot rijbewijs. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de maatregelen die verdachte heeft genomen ter voorkoming van soortgelijke ongevallen in de toekomst door het plaatsen van een achteruitrijcamera. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat het ongeval voor verdachte zelf ook aangrijpend is geweest.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

Tevens is de rechtbank op grond daarvan van oordeel dat een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van na te noemen duur moet worden opgelegd, zij het dat deze straf vooralsnog niet tenuitvoer behoeft te worden gelegd. De rechtbank beoogt met die ontzegging in voorwaardelijke vorm - naast een accentuering van de ernst van het bewezenverklaarde feit - verdachte het belang in te scherpen een voorzichtig rijgedrag.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d.

Wegenverkeerswet 1994: artikelen 6, 175 en 179.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 120 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door 2 maanden hechtenis, welke taakstraf moet worden voltooid binnen de termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Toeter, voorzitter,

mrs. Van Zutphen en Rosier, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Lijnse,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 januari 2004.