Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO2690

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-01-2004
Datum publicatie
25-03-2004
Zaaknummer
Awb 03 - 1968 en 03 - 1969
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de door eiser ingediende aanvraag voor een bouwvergunning ten behoeve van de bouw van een opslagloods/machineberging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Reg. nr: Awb 03 - 1968 en 03 - 1969

Uitspraakdatum: 19 januari 2004

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

(artikelen 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht)

op een verzoek om voorlopige voorziening en in de hoofdzaak

in de zaak van:

A,

gevestigd te B,

eiser,

gemachtigde: mr. C.M.E. Verhaegh, advocaat te Leiden,

-- tegen --

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 15 augustus 2002, verzonden op 16 augustus 2002, heeft verweerder de door eiser ingediende aanvraag voor een bouwvergunning ten behoeve van de bouw van een opslagloods/machineberging op het perceel […]weg […] te B afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 september 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 november 2003, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 15 augustus 2002, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Daarbij is verweerder afgeweken van het advies van 29 augustus 2003, van de vaste commissie voor de bezwaar- en beroepschriften.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 12 december 2003 beroep ingesteld. Bij brief van

12 december 2003 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 15 januari 2004, alwaar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.S. Webster.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2. In tegenstelling tot hetgeen verweerder heeft betoogd neemt de voorzieningenrechter, nu in de onderhavige procedure vast kan komen te staan of sprake is van een van rechtswege verleende bouwvergunning, aan dat er sprake is van een spoedeisend belang. Hierbij heeft de voorzieningenrechter mede overwogen dat eiser dringend behoefte heeft aan een bouwvergunning.

2.3. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.4. Eiser is pioenrozenteler. Met oog op de continuïteit van zijn bedrijf heeft hij op 28 juni 2001 bouwvergunning gevraagd voor het uitbreiden van een reeds aanwezige koelcel van 36 m² naar 156 m² en de bouw van een opslagloods / machineberging van 720 m². Eiser heeft in 1996 16,5 hectare grond, waaronder de gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd, verkocht aan de gemeente Haarlemmermeer. Eiser heeft het tijdelijk gebruiksrecht van de betreffende gronden.

2.5. Ter plaatse is van kracht het als bestemmingsplan geldende “Uitbreidingsplan in hoofdzaak 1985, 3e wijziging”. De betreffende gronden hebben daarin de bestemming “Agrarische doeleinden A”. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften mogen op de gronden bestemd voor agrarische doeleinden als vorenbedoeld uitsluitend de voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf nodige bedrijfsgebouwen, uitgezonderd kassen, worden opgericht.

2.6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het bouwplan vervatte uitbreiding niet nodig is voor de uitoefening van eisers agrarisch bedrijf, zodat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan moet worden geacht. Verweerder baseert zich hierbij op adviezen van de Agrarische beoordelingscommissie (hierna: de Abc) van 18 april 2002, 22 november 2002 en 7 februari 2003. Hierin geeft de Abc aan dat de agrarische activiteit past binnen de bestemming en voorts dat de aangevraagde uitbreiding reëel is, maar dat een duurzaam agrarische gebruik van het bouwplan onvoldoende is gegarandeerd gelet op het feit dat eiser slechts een tijdelijk gebruiksrecht heeft op de grond waarop het bouwplan is geprojecteerd. De Abc heeft zich in haar adviezen gebaseerd op het begrip “duurzaam” zoals dat is opgenomen in de Leidraad provinciaal Omgevingsbeleid.

2.7. Verweerder is bij het bestreden besluit afgeweken van het advies van 29 augustus 2003 van de vaste commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie). De commissie adviseert hierin tot gegrondverklaring van het bezwaar, nu zij van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat het begrip “nodige” zoals opgenomen in de planvoorschriften mede wordt bepaald door duurzaamheid. Nu dit niet uitdrukkelijk in de planvoorschriften is geregeld moet worden geconcludeerd dat, aangezien de aangevraagde bedrijfsruimte voor de huidige bedrijfsvoering reëel wordt geacht, het bouwplan voldoet aan het gestelde in de planvoorschriften. Dit brengt, aldus de commissie, met zich mee dat gelet op de datum waarop de bouwaanvraag is binnengekomen te weten 28 juni 2001, ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet, van rechtswege bouwvergunning is verleend.

2.8. Eiser heeft in beroep betoogd dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom wordt afgeweken van het advies van de commissie. Het is eiser onduidelijk waarom meer gewicht wordt toegekend aan het advies van de Abc dan aan het advies van de commissie. Met name omdat verweerder in het kader van de behandeling van de in het geding zijnde bouwaanvraag niet gehouden was advies te vragen aan de Abc.

2.9. De voorzieningenrechter volgt eiser hierin niet. Verweerder geeft in het bestreden besluit aan het onwenselijk te vinden als het criterium “duurzaamheid” niet gehanteerd wordt bij de uitleg van het betreffende planvoorschrift omdat anders zowel de eigenaar als de huurder op hetzelfde perceel bouwwerken neer kunnen zetten. Om deze reden wijkt verweerder af van het advies van de commissie, die “duurzaamheid” niet leest in het planvoorschrift, en baseert hij het bestreden besluit op de adviezen van de Abc die dit wel doet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder hiermee voldoende gemotiveerd waarom hij afwijkt van het advies van de commissie en het advies van de Abc volgt, zodat geen strijd met artikel 7:13, zevende lid, Awb kan worden aangenomen.

2.10. Eiser heeft in beroep voorts betoogd dat verweerder ten onrechte het bouwplan niet aan het bestemmingsplan heeft getoetst, maar aan de Leidraad provinciaal Omgevingsbeleid. Ook blijkt, aldus eiser, niet waarom het woord “nodige” in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften aangevuld moet worden met het vereiste van duurzaamheid. Daarbij merkt eiser op dat uit het begrip “duurzaamheid” zoals dat is opgenomen in de Leidraad provinciaal Omgevingsbeleid bovendien niet valt af te leiden dat het voor duurzaam gebruik van bedrijfsbebouwing nodig is dat de grond in eigendom is of gepacht wordt.

2.11. Vast staat dat het bedrijf van eiser aangemerkt dient te worden als agrarisch. Voorts blijkt uit de adviezen van Abc dat de door eiser gewenste uitbreiding ten behoeve van zijn agrarisch bedrijf, gezien de omvang van zijn bedrijf, reëel is. Hiermee is de noodzaak van de uitbreiding in voldoende mate aangetoond en is voldaan aan artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften.

Het feit dat verweerder het bouwplan niet wenselijk vindt gelet op het feit dat de duurzaamheid van het agrarisch bedrijf van eiser op deze gronden niet is gegarandeerd maakt dit niet anders.

Dat in het woord “nodige” tevens het begrip “duurzaamheid” gelezen moet worden blijkt niet uit het bestemmingplan. Verdergaande vereisten met betrekking tot het in de planvoorschriften opgenomen begrip “nodige” gelden slechts, zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 2003, nr. 200204616/1 AF4729, indien en voor zover zij in de planvoorschriften uitdrukkelijk zijn gesteld. Daarvan is hier geen sprake.

Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het in strijd is met de waarborgen die een bestemmingsplan biedt om de betekenis van een in een planvoorschrift genoemd begrip uit te breiden aan de hand van een ander document, zoals hier de Leidraad provinciaal Omgevingsbeleid.

2.12. Eiser stelt zich vervolgens op het standpunt van rechtswege bouwvergunning is verleend.

2.13. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt. Nu het bouwplan niet in strijd kan worden geacht met het bestemmingsplan dient - nu vaststaat dat verweerder niet binnen de in artikel 46, eerste lid, van de Woningwet genoemde termijn een beslissing op de bouwaanvraag heeft genomen - te worden geconcludeerd dat de bouwvergunning op 28 september 2001 van rechtswege is verleend zoals bedoel in artikel 46, vierde lid, van de Woningwet. Verweerder was derhalve niet meer bevoegd om nog een expliciet besluit te nemen op de ingediende bouwaanvraag. Hieruit volgt dat het besluit van verweerder van 18 november 2003 waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, dient te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 46, vierde lid, van de Woningwet. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter voorts aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, Awb het primaire besluit te herroepen.

2.14. Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

3.1. verklaart het beroep gegrond;

3.2. vernietigt het bestreden besluit van 18 november 2003;

3.3. verklaart het door eiser ingediende bezwaarschrift gegrond;

3.4. herroept het primaire besluit van 15 augustus 2002 en stelt vast dat verweerder niet meer bevoegd was om op de bouwaanvraag te beslissen;

3.5. bepaalt dat de in onderdelen 3.3 en 3.4 gegeven beslissingen in te plaats treden van het in onderdeel 3.2 vernietigde besluit;

3.6. wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

3.7. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 966,--, te betalen door de gemeente Haarlemmermeer aan eiser;

3.8. gelast dat de gemeente Haarlemmermeer het door eiser betaalde griffierecht van € 232,-- (€ 116,-- + € 116,--) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.F.W. Brouwer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra - van Herwijnen, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.