Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2004:AO1558

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-01-2004
Datum publicatie
12-01-2004
Zaaknummer
83151 - HA ZA 02-537
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor opstal.

Een vijfjarig kind is onder de leuning van de roltrap in een warenhuis beklemd geraakt en heeft daardoor ernstig letsel opgelopen. De roltrap bergt risico's in zich voor het ontstaan van zeer ernstig letsel die door een andere constructie of door afschermende maatregelen eenvoudig vermijdbaar zijn. De roltrap voldeed daarom niet aan de eisen die men daaraan mag stellen. Het warenhuis is aansprakelijk voor de schade die het kind heeft geleden. Dat de roltrap voldeed aan de veiligheidsvoorschriften, waarin niet is voorzien dat een liggend kind op deze wijze beklemd kan raken, maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 196

Uitspraak

Zaaknr/rolnr: 83151/HA ZA 02-537

Vonnisdatum: 7 januari 2004

748

VONNIS VAN DE RECHTBANK TE HAARLEM,

MEERVOUDIGE KAMER,

in de zaak van:

eisers; ouders van B.,

allen wonende te Raalte,

eisende partij,

advocaat mr. J.M. van Rongen te Assen,

procureur mr. H.K. Garvelink,

-- tegen --

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid H.A. SCHLICHTING B.V., handelend onder de naam Bristol Shoes,

gevestigd te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde partij,

advocaat mr. F. Staderman te Rotterdam,

procureur aanvankelijk mr. P. Heidinga, thans mr. M. Middeldorp.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] respectievelijk Bristol.

1. De loop van het geding

Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende zich in het grif-fiedossier bevindende gedingstukken, waarop vonnis is gevraagd:

- het incidentele vonnis van 12 november 2002 met de daarin genoemde stukken;

- het verbeterde vonnis van 10 december 2002;

- conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek met producties 6 tot en met 10;

- conclusie van dupliek met 5 producties.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist, staat in dit geding het volgende vast:

a. Op 8 oktober 1998 is de toen vijfjarige B. bekneld geraakt in de ruimte tussen de bewegende leuning van de roltrap en de vloer in de winkel van Bristol aan de Stadhuispassage te Spijkenisse. Bristol is een bedrijf dat onder meer (kinder)schoenen en (kinder)kleding verkoopt.

b. Tengevolge van de beknelling heeft [B.] ernstig letsel opgelopen. Dit letsel be-staat uit het volgende: [B.] is door ademnood buiten bewustzijn geraakt en ge-reanimeerd. Hij heeft zes ribben gebroken, er is bloedstolsel gekomen tussen de vliezen nabij de milt, de nieren en urinewegen zijn blijvend beschadigd, de been-spieren zijn beschadigd en er is een leverbeschadiging opgetreden.

c. Door de Arbeidsinspectie, regio Zuidwest is over het ongeval rapport opgemaakt. In dit op 29 oktober 1999 afgesloten rapport is vermeld:

"Uit het onderzoek komt naar voren dat de roltrap een arbeidsmiddel met een CE-markering is con-form artikel 7.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit waarvan wordt vermoed dat het voldoet aan onder andere artikel 7.7, lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De CE-typekeur en de beproeving door TUV bevestigen dat de roltrap voldoet aan de EEG-richtlijn, NEN-EN 115, 3e druk, maart 1998, "Veiligheidsvoorschriften voor het vervaardigen en aanbrengen van roltrappen en rolpaden".

Het technisch document behorend bij de CE-typekeur van de roltrap spreekt in bijlage C (norma-tief) van een lijst van gevaren. In deze lijst van gevaren wordt onder punt 1.5 het gevaar voor het naar binnen trekken/klemmen genoemd met verwijzing naar diverse relevante paragrafen in deze norm, onder andere paragraaf 7.5. In deze paragraaf worden de afmetingen van de mogelijke klem-plaats aangegeven (…). In dit onderzoek wordt door alle betrokkenen vastgesteld dat de roltrap een in NEN-EN 115 benoemde klem/knelplaats heeft, die voldoet aan het gestelde in de NEN-EN 115. Ook wordt vastgesteld dat het ongeval heeft plaatsgevonden op een type roltrap met een zoge-naamde 'Lange Balustrade'. (……)

Bij de bepaling van de veiligheidsvoorschriften genoemd in paragraaf 7.5.2 is geen rekening ge-houden met een liggend kind op de grond dat door de leuningband meegetrokken zou kunnen wor-den. Het resultaat van het technisch onderzoek was dat de roltrap voldeed aan de voorschriften van de NEN-EN 115. In de NEN-EN 115 genoemde klemplaats in paragraaf 7.5.2 is een levensgevaar-lijke en bereikbare knelplaats. Dit geldt zeker voor kleine kinderen. (………)

Het ongeval toont aan dat de nieuwe stroeve leuningband en de stroeve kunststof/rubberen regenjas van een kind, die met elkaar in aanraking kwamen, aanleiding waren voor het worden meegetrok-ken door de leuningband van het kind in een bereikbare knelplaats. De in de NEN-EN 115 ge-noemde klemplaats is, ondanks de naleving van de voorschriften van deze Europese richtlijn, een gevaar dat op eenvoudige wijze kan worden afgeschermd. Een aantal roltrappen van hetzelfde en van andere fabrikaten en/of andere types tonen aan dat die uitvoeringen deze knelplaats niet ken-nen. Het aangetroffen type roltrap was er één met een zogenaamde "lange balustrade". De lengte van de balustrade was het verschil waarom dit type de gevaarlijke knelplaats had. (……….)

De werkgever/gebruiker van de roltrap heeft in de Arbeidsomstandighedenzorg een risico-inventarisatie in 1996 in de locatie te Spijkenisse gedaan onder begeleiding van een gecertificeerde Arbo-dienst. In de risico-inventarisatie is de knelplaats tussen de roltrapleuning en de vloer niet ge-noemd.

De kleine kans en het gegeven dat de norm reeds 15 jaar in Nederland van kracht is, rechtvaardigt het niet in het handhavingsbeleid van de Arbeidsinspectie om in deze situatie te spreken van een levensgevaarlijke situatie, die direct moet worden stilgelegd. Toch is er sprake van een levensge-vaarlijk risico voor kleine kinderen die op deze plaats vrije toegang hebben. Ouders verwachten een dergelijke situatie met een bereikbare knelplaats niet op deze locatie (…)."

d. Naar aanleiding van het ongeval heeft de hoofdinspecteur van de Arbeidsinspectie, regio Zuidwest namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Afdeling Handhaving van de Arbeidsinspectie verzocht om de zaak over te nemen teneinde als lidstaat te ageren bij de Europese Commissie te Brussel, onder mede-deling dat de betreffende veiligheidsvoorschriften onvoldoende zijn en dat de klemplaats eenvoudig is af te schermen.

3. De vordering

3.1 [eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. Voor recht zal verklaren dat Bristol aansprakelijk is voor de schade die [B.] als gevolg van het ongeval heeft geleden en zal lijden;

2. Voor recht zal verklaren dat Bristol aansprakelijk is voor de schade die [eisers] als gevolg van het ongeval hebben geleden en zullen lijden;

3. Bristol zal veroordelen tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

4. Bristol zal veroordelen tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 45.000,- als voorschot onder algemene titel, althans een zodanig bedrag als de rechtbank billijk acht;

5. Bristol zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 [eisers] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat Bristol op grond van artikel 6:181, eerste lid, jo 6:174, eerste lid, BW aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van het ongeval van [B.] hebben geleden omdat de rol-trap in het bedrijf van Bristol niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen.

4. Het verweer

4.1 Bristol heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij heeft zij niet de aard en omvang van het aan het ongeval gerelateerde letsel betwist, maar wel haar aansprakelijkheid voor de geleden schade, zich daartoe beroepend op de deugdelijkheid van de roltrap. Het gevorderde voorschot acht Bristol niet toewijsbaar wegens het ontbreken van aan-sprakelijkheid. De hoogte van de buitengerechtelijke kosten wordt voorts betwist.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 [eisers] hebben ter onderbouwing van hun vordering geteld dat het criterium voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW gebrekkigheid in ruime zin be-treft, welk criterium meebrengt dat het publiek bij een winkel zoals Bristol, er op moet kunnen rekenen dat het veilig met zijn kinderen kan winkelen. De roltrap die (moge-lijk) voldoet aan de wettelijke voorschriften en normen, voldoet daarmee nog niet aan (alle) eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, aldus [eisers]

5.2 Bristol heeft ter afwering van de vordering gesteld dat Bristol er op mocht vertrouwen dat de roltrap voldoende veilig was, gelet op het feit dat de roltrap voldeed aan veilig-heidseisen en -normen. Nu een ongeval als het onderhavige naar objectief inzicht niet voorzienbaar was, kan er van aansprakelijkheid harerzijds geen sprake zijn, aldus Bristol.

5.3 In dit geding staat centraal de vraag of de roltrap, mede gezien de wijze waarop deze in de winkel van Bristol is geplaatst, voldoet aan de eisen die men daaraan in de gege-ven omstandigheden mag stellen.

Bij de beantwoording van deze vraag is van belang het gebruik van de opstal, zoals dat voor de exploitant van de opstal is te voorzien. Aansprakelijkheid kan intreden in alle gevallen waarin een opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan uit het oog-punt van veiligheid mag stellen.

5.4 De opstal waar het hier om gaat is een voor publiek toegankelijk gebouw. Zoals Bristol heeft aangegeven wordt de winkel het hele jaar door door talloze mensen be-zocht, ook door ouders met hun kinderen. De roltrap is, zoals [eisers] onweer-sproken hebben gesteld, in de winkel aangebracht uit commerciële overwegingen. De roltrap moet de winkel aantrekkelijk maken voor het winkelend publiek. Het op een-voudige wijze toegankelijk maken van de bovengelegen verdieping(en) vergroot het vloeroppervlak voor de uitstalling en de verkoop van artikelen, hetgeen bijdraagt aan het vergroten van de omzet.

In de winkel van Bristol worden kleding en schoenen verkocht, waaronder kinderkle-ding en -schoenen. De aanwezigheid van jonge kinderen in de winkel is, zo volgt uit de stellingen van partijen, niet uitzonderlijk en deze is dus voorzienbaar. Algemeen bekend is, dat roltrappen op jonge kinderen een grote aantrekkingskracht uitoefenen.

Het winkelend publiek moet er op kunnen vertrouwen dat het met kinderen in een veilige omgeving kan winkelen. Aan de in de winkel geplaatste roltrap mogen daarom zeer strenge veiligheidseisen worden gesteld.

5.5 Dat de roltrap een risico van beklemming in zich bergt, is in algemene zin voorzien. Dit blijkt uit de lijst met gevaren (bijlage C bij de Europese norm NEN-EN 115) waarin melding wordt gemaakt van het gevaar voor verbrijzelen en van het gevaar voor naar binnen trekken/klemraken bij de leuningband. Ter voorkoming van deze ri-sico's zijn normen gesteld in de NEN-EN 115, inhoudende dat de leuningband niet la-gen dan 10 cm en niet hoger 25 cm boven de vloer mag zijn geplaatst. Om dezelfde reden worden eisen gesteld aan de lengte van de leuningband en moet er een afscher-ming bij het ingangspunt van de leuningband zijn om te voorkomen dat er vingers of handen bekneld raken.

5.6 Uit het ongevalsrapport van de Arbeidsinspectie blijkt dat bij het opstellen van de veiligheidsnormen niet is voorzien dat een liggend kind op de plaats tussen roltrapleu-ning en vloer beklemd kan raken. Door de aanwezigheid van een verlengde balustrade op de plaats waar de afstand tussen vloer en leuning gering is, is een klemplaats ont-staan die, zo moet uit het ongevalsrapport worden opgemaakt, een voor kleine kinde-ren levensgevaarlijk risico in zich bergt. Kennelijk was men zich voor het ongeval van [B.] van dit risico niet bewust.

5.7 Uit de gedingstukken, met name meergenoemd ongevalsrapport, blijkt dat aan het beklemd raken en enige tijd beklemd blijven van [B.] meerdere oorzaken hebben bijgedragen. De jas van het kind is aan de stroeve leuningband blijven kleven, waar-door het kind met de band is meegevoerd, er is een klemruimte onder de verlengde leuning waar [B.] in vast is geraakt en de noodstop heeft niet onmiddellijk ge-werkt. Al deze oorzaken zijn terug te voeren op de constructie en werking van de rol-trap en kunnen zich voordoen bij een normaal te achten gebruik van de roltrap.

5.8 Of Bristol heeft kunnen voorzien dat een kind beklemd kon raken onder de roltrapleu-ning, kan in het midden blijven. Voor de aansprakelijkheid is doorslaggevend dat ge-bleken is dat de roltrap risico's voor het ontstaan van zeer ernstig letsel in zich bergt, dat dit letsel kan ontstaan bij een normaal te achten gebruik van de roltrap, dat bedoel-de risico's voor een fabrikant van roltrappen voorzienbaar moet worden geacht en dat - naar met de door [eisers] als productie 8 overgelegde foto wordt geïllustreerd en overigens ook niet is bestreden - deze risico's door een wat andere constructie van de roltrap of door het treffen van afschermende maatregelen eenvoudig vermijdbaar zijn. Dat de roltrap voldeed aan de veiligheidsvoorschriften, maakt het voorgaande niet anders. Het onderhavige geval illustreert dat de veiligheidsvoorschriften ontoerei-kend zijn en is voor de overheid aanleiding geweest tot actie teneinde tot aanscherping van die voorschriften te komen.

5.9 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de roltrap in de winkel van Bristol niet de veiligheid bood die het publiek mocht verwachten en derhalve niet voldeed niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Bristol is, nu het gevaar dat de roltrap in zich borg zich heeft verwezenlijkt, op grond van artikel 6:174 jo. 6:181 BW aansprakelijk voor de schade die [B.] tengevolge van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden.

De gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de schade van [B.] zal daar-om worden toegewezen. Dit geldt eveneens voor de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de schade die [eisers] hebben geleden en nog zullen lijden, voor zover het gaat om de schade die valt binnen de grenzen van artikel 6:107 BW. Bristol zal worden veroordeeld tot vergoeding van de schade, die nader bij staat moeten wor-den opgemaakt, nu de omvang daarvan nog niet definitief is vast te stellen.

5.10 Bristol zal voorts worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op de nog vast te stellen schadevergoeding. [eisers] hebben bij conclusie van repliek een overzicht van reeds gemaakte kosten in het geding gebracht. De hoogte van het gevorderde voorschot is door Bristol niet betwist, behoudens ten aanzien van de hoogte van de buitengerechtelijke kosten. Daarin zijn dubbele kosten opgenomen en verder zijn de kosten van het opstellen van de dagvaarding daar ten onrechte bij vermeld, zo voert Bristol aan.

1.11 Aannemelijk is dat [B.] tengevolge van het ongeval blijvend beperkingen zal ondervinden. [B.] heeft medische behandelingen moeten ondergaan waartoe hij al veelvuldig in het ziekenhuis is opgenomen. Het ligt in de rede dat dit alles zijn weer-slag zal vinden in de smartengeldvergoeding waarop thans een voorschot wordt ge-vorderd van € 22.500,-

Uit het door [eisers] ingebrachte overzicht blijkt van kosten die in verband met het opgetreden letsel zijn gemaakt. De onder punt 36 van de conclusie van repliek ge-noemde kosten van de ouders van [B.] zijn toewijsbaar voorzover artikel 6:107 BW daar grondslag voor biedt. Het ligt in de verwachting dat ook in de toekomst nog kosten door en voor [B.] zullen moeten worden gemaakt, om welke reden bij de bepaling van de hoogte van het toe te kennen voorschot zal worden uitgegaan van het door [eisers] aangegeven en door Bristol niet betwiste bedrag ad € 15.000,-

Het voorschot voorzover betrekking hebbende op de buitengerechtelijke incassokosten is echter niet in zijn geheel toewijsbaar, reeds omdat de kosten van het opstellen van de dagvaarding, zoals Bristol terecht heeft aangevoerd, daar geen onderdeel van kun-nen uitmaken. Een bedrag van € 5.000,- als voorschot wordt redelijk geacht.

5.12 Bristol zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eisers] worden veroordeeld.

6. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart voor recht dat Bristol aansprakelijk is voor de schade welke [B.] als gevolg van het ongeval op 8 oktober 1998 heeft geleden en zal lijden;

Verklaart voor recht dat Bristol aansprakelijk is voor de schade voortvloeiend uit het bepaalde in artikel 6:107 BW welke [eisers] als gevolg van het ongeval lijden en nog zullen lijden;

Veroordeelt Bristol tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

Veroordeelt Bristol tot betaling aan [eisers] van € 42.500,- (zegge: tweeënveer-tigduizendvijfhonderd euro) als voorschot onder algemene titel;

Veroordeelt Bristol in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van [eisers] begroot op € 932,56 aan verschotten en € 1542, - aan salaris voor de procureur.

Verklaart de veroordelingen tot betaling van het voorschot en tot betaling van de kos-ten van dit geding uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzitter, en mrs. J.F. Miedema en A. Stefels, leden van deze kamer, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 7 januari 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.