Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AR6701

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
01-12-2004
Zaaknummer
208247
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KORT GEDING. Zie voor vonnis in de bodemzaak AR6700.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

sector kanton, locatie Haarlem

Zaaknummer: 208247 \ CV EXPL 03-5666

Datum uitspraak: 26 november 2003

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN HET INCIDENT (ART. 223 RV)

in de zaak van:

de rechtspersoon naar het recht van Turkije

Kojen Enerji ve Otomasyon Sistemleri Sanayi Ticaret Limited Sirketi

te Istanboel, Turkije

eiseres in conventie en in het incident

gedaagde in reconventie

hierna ook Kojen

gemachtigde: mr P.E. Mazel

contra

1. de besloten vennootschap ABB B.V.

te Rotterdam

hierna ook ABB

2. de besloten vennootschap ABB Zantingh Energiesystemen B.V.

te Rijsenhout

hierna ook ABB Zantingh

gedaagden in conventie en in het incident

eisers in reconventie

gemachtigde: mr R.H.J. Cox

1 Het verloop van de procedure:

Bij dagvaarding van 18 juni 2003 heeft eiseres tegen gedaagden een vordering ingesteld als in de dagvaarding nader omschreven. Tevens heeft eiseres een incidentele vordering op de voet van artikel 223 Rv ingesteld, ter verkrijging van voorlopige voorzieningen tegen gedaagden.

Gedaagden zijn in de procedure verschenen om verweer te voeren, zowel in de hoofdzaak als in het incident. Tevens hebben zij een tegenvordering ingesteld.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 24 september 2003 een comparitie van partijen bevolen, welke op 31 oktober 2003 heeft plaatsgevonden. Gedaagden hebben ter zitting een conclusie van antwoord in reconventie en van wijziging van eis in conventie genomen.

Partijen zijn ter zitting verschenen, althans hun vertegenwoordigers.

De griffier heeft aantekening gehouden van wat is besproken op het audiëntieblad.

De inhoud van de stukken kan als hier ingelast en herhaald worden beschouwd.

Partijen hebben na enige tijd voor beraad in het incident vonnis gevraagd.

In het incident werd (nader) vonnis bepaald op heden. De hoofdzaak is verwezen naar de zitting van 3 december 2003 voor uitlating aan de zijde van Kojen.

2 De vorderingen en de verweren:

Voor de omschrijving van de vorderingen over en weer in de hoofdzaak wordt hier volstaan met verwijzing naar de betreffende stukken van partijen. Deze zullen bij de beoordeling van het incident slechts aan de orde komen voorzover daarvoor relevant en te zijner tijd nader aan de orde komen in de hoofdzaak.

In het incident vordert Kojen:

A. ABB te gebieden om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis Kojen te voorzien en voorzien te houden van alle goederen en inlichtingen als genoemd in artikel 7:430 lid 2, waaronder mede begrepen geldende prijslijsten en productspecificaties, zulks met bepaling dat ABB aan Kojen verbeurt een dwangsom groot € 25.000,00 voor iedere dag of een gedeelte van een dag, dat ABB nalaat aan dit gebod te voldoen, zulks tot een maximum van € 2.500.000,00;

B. ABB te verbieden op enigerlei wijze te verhinderen dat Kojen gebruik maakt van merken en logo’s van ABB, zulks met bepaling dat ABB aan Kojen verbeurt een dwangsom groot € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag, dat ABB nalaat aan dit gebod te voldoen, zulks tot een maximum van € 100.000,00;

A. Kojen te verbieden, rechtstreeks dan wel door tussenkomst van een moeder- en/of dichtervennootschap, WKC’s dan wel onderdelen daarvan resp. diensten daarmee verband houdende buiten Kojen om aan of ten behoeve van afnemers in Turkije aan te bieden of te verkopen dan wel anderszins over te dragen, zulks met bepaling dat ABB aan Kojen verbeurt een dwangsom groot € 500.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod, zulks tot een maximum van € 5.000.000,00;

alles voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van ABB in de proceskosten.

Kojen voert daartoe aan dat ABB haar tegenwerkt bij de uitoefening van de tussen partijen bestaande agentuurovereenkomst. ABB komt provisieafspraken niet na. Zij wenst in bepaalde gevallen ook noodzakelijke service aan klanten in Turkije niet te verlenen. Door haar opstelling heeft Kojen orders niet kunnen binnenhalen, waardoor zij schade lijdt. Hoewel zij in het verleden nu juist van ABB de opdracht kreeg het logo van ABB te voeren, heeft ABB haar dit thans verboden. Hierdoor heeft Kojen een belangrijke beurs moeten moeten laten lopen, waarvoor door haar al aanzienlijke kosten waren gemaakt. ABB probeert buiten Kojen om (potentiële) klanten te benaderen.

Kojen heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen, teneinde te kunnen blijven functioneren als agent voor ABB. Dat ABB de agentuurovereenkomst heeft opgezegd tegen 1 augustus 2004 doet hieraan voor de resterende looptijd van de overeenkomst niet af. Immers, ook gedurende die resterende tijd heeft Kojen belang haar werk als agent te kunnen uitvoeren. Kojen heeft zowel ABB als ABB Zantingh gedagvaard omdat onduidelijk is wat er met ABB zal gebeuren.

ABB heeft aangevoerd dat het nu juist Kojen is die tekort schiet in de verplichtingen die voor haar voortvloeien uit de agentuurovereenkomst. Kojen heeft slechts een zeer gering aantal WKC’s gedurende de looptijd van het contract kunnen verkopen. Zij is in gebreke om een goede serviceorganisatie op te zetten, zodat ABB steeds monteurs naar Turkije moet sturen, tegen hoge kosten. De provisie-eisen van Kojen zijn zodanig dat er niet meer concurrerend kan worden verkocht en service kan worden verleend aan potentiële afnemers van WKC’s van ABB in Turkije.

3 De beoordeling van het geschil:

Op grond van wat partijen over en weer aan de orde hebben gesteld en niet of onvoldoende hebben betwist staan de volgende feiten vast:

- Op 1 augustus 1996 is tussen Kojen en Zantingh Energiesystemen B.V. (Zantingh) een agentuurovereenkomst gesloten.

- Bij die overeenkomst verkreeg Kojen het alleenrecht om in Turkije gasgestookte warmtekrachtcentrales (WKC’s) bestemd voor de elektriciteitsvoorziening van bedrijven en instellingen voor Zantingh te verkopen en servicecontracten voor die WKC’s af te sluiten.

- Daartoe diende Kojen een onderhouds- en serviceorganisatie op te richten en in stand te houden.

- Krachtens de agentuurovereenkomst mocht Kojen het logo van Zantingh voeren en gebruiken bij haar activiteiten voor Zantingh.

- In 1998 heeft ABB Ltd., een multinational, Zantingh overgenomen. Zantingh is toen omgedoopt in ABB Zantingh Energiesystemen B.V..

- ABB Ltd. heeft vervolgens ABB opgericht en de onderneming van ABB Zantingh feitelijk laten voortzetten.

- De overeenkomst is stilzwijgend voortgezet tussen ABB en Kojen.

- Op 24 februari 2003 heeft Kojen een schrijven van ABB ontvangen waarin haar het gebruik van het logo van ABB is verboden.

- In december 2002 heeft ABB aan Kojen voorstellen gedaan voor een nieuwe agentuurovereenkomst onder sterk gewijzigde voorwaarden. Ondermeer werd het exclusieve karakter van de agentuurovereenkomst in die voorstellen daaraan ontnomen. Kojen is niet met de voorstellen akkoord gegaan.

- ABB heeft inmiddels de agentuurovereenkomst opgezegd tegen 1 augustus 2004. Kojen heeft in de opzegging op zich berust.

In de overeenkomst wordt gekozen voor Europees recht. Beide partijen interpreteren dit zo dat zij uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Ook de kantonrechter zal daarvan uitgaan.

Hoewel de overeenkomst nog voor relatief korte tijd voortduurt heeft Kojen naar het oordeel van de kantonrechter nog wel belang bij de gevorderde voorzieningen. Zij dient immers ook gedurende de resterende looptijd van de overeenkomst in staat te worden gesteld haar werk als agent van ABB uit te voeren.

Onduidelijk is waarom Kojen ABB Zantingh eveneens heeft gedagvaard. De vorderingen zijn immers uitsluitend tegen ABB gericht. Indien Kojen met de aanduiding “ABB” beide gedaagden zou bedoelen, wat weinig logisch lijkt, dan heeft zij in ieder geval in de incidentele vordering geen belang bij voorziening tegen ABB Zantingh, althans daarvoor onvoldoende gesteld. Vast staat immers dat thans het ABB is die als principaal in de agentuurovereenkomst optreedt.

ABB heeft gemotiveerd betwist dat zij nog met prijslijsten werkt. De prijzen die met de klanten worden overeengekomen zijn het resultaat van onderhandelingen. Daarbij moet Kojen worden nagegeven dat het zelfs niet intern hanteren van prijslijsten welke tenminste een indicatie geven, het werk voor Kojen niet eenvoudiger doet zijn, maar voorshands is niet voldoende aannemelijk geworden dat die prijslijsten wel bestaand. Het daarop betrekking hebbende gedeelte van de vordering onder A. zal dan ook worden afgewezen.

De vordering, voorzover die verwijst naar artikel 7:430 lid 2 BW is te weinig concreet om toe te wijzen en wordt dan ook eveneens afgewezen. De vordering zal wel worden toegewezen voor wat betreft de productspecificaties. ABB heeft daartegen overigens geen bezwaar gemaakt zij het dat zij stelt die al aan Kojen te hebben doen toekomen. De dwangsom en het maximum daarvan zal tot gematigde sommen worden toegewezen als hieronder volgt.

De vordering onder B. zal worden toegewezen. Door de door Kojen terzake in het geding gebrachte producties is voorshands aannemelijk geworden dat Kojen dat logo reeds jaren zo al niet met uitdrukkelijke instemming van ABB, dan toch met haar medeweten en zonder protest heeft gebruikt. Daar thans mee stoppen zal haar werk als agent gedurende de resterende looptijd van het contract, naar verwacht mag worden, ernstig belemmeren. ABB heeft nog aangevoerd dat dit de moedermaatschappij in problemen kan brengen bij andere rechthebbenden op haar logo. Wat daar van zij, dit is een omstandigheid die naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voor haar risico dient te blijven, waarbij komt dat die moedermaatschappij bovendien in de onderhavige procedure geen partij is.

De bij deze voorziening gevorderde dwangsom zal niet worden toegewezen. Niet in te zien valt hoe ABB het verbod feitelijk zou kunnen schenden, terwijl haar niet het recht kan worden ontzegd in deze zelf een nader rechterlijk oordeel na te streven.

De vordering onder C. zal eveneens worden toegewezen met inbegrip van de gevorderde boete – kennelijk bedoelt Kojen een boete per overtreding te vorderen en geen dwangsom - die overigens wel zal worden gematigd, nu deze de kantonrechter gezien het te beschermen belang wel wat bovenmatig voorkomt. De agentuurovereenkomst kent een exclusief recht aan Kojen toe. ABB heeft verkozen de overeenkomst reglementair op te zeggen. Dan moet zij ook accepteren de rechten van Kojen op exclusiviteit te respecteren gedurende de resterende looptijd.

ABB heeft nog aangevoerd dan ook aanspraak te maken op voldoende inspanningen van Kojen als agent. Nu zij dienaangaande geen voorziening tegen Kojen heeft gevorderd kan de kantonrechter slechts ten overvloede overwegen dat dit vanzelfsprekend eveneens uit de overeenkomst voortvloeit.

Nu beide partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, als hierna is aangegeven. Een aparte veroordeling van Kojen in de kosten van ABB Zantingh in de proceskosten wordt niet gegeven, nu het hier een ondeelbare procedure betreft, waarbij ABB en ABB Zantingh in hoge mate met elkaar zijn te vereenzelvigen. ABB en ABB Zantingh hebben ook hetzelfde verweer gevoerd en zijn bij dezelfde gemachtigde verschenen.

Hetgeen partijen voor het overige naar voren hebben gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden en behoeft dan ook geen nadere behandeling.

4 De beslissing:

De kantonrechter, rechtdoende in het incident:

I. beveelt ABB om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis Kojen te voorzien en voorzien te houden van alle productspecificaties met betrekking tot haar WKC’s met toebehoren op verbeurte van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag of een gedeelte van een dag, dat ABB nalatig zal blijken aan dit bevel te voldoen, zulks tot 1 augustus 2004;

II. verbiedt ABB op enigerlei wijze te verhinderen dat Kojen gebruik maakt van merken en logo’s van ABB tot het einde van de agentuurovereenkomst;

III. verbiedt ABB om rechtstreeks dan wel door tussenkomst van een moeder- en/of dochtervennootschap, WKC’s dan wel onderdelen daarvan en/of diensten daarmee verband houdende buiten Kojen om aan of ten behoeve van afnemers in Turkije aan te beiden of te verkopen dan wel anderszins over te dragen, zulks met bepaling dat ABB voor iedere overtreding van dat gebod een boete zal verbeuren van € 150.000,00, zulks tot een maximum aan te verbeuren boetes van € 1.500.000,00;

IV. weigert de gevorderde voorzieningen, voorzover die zijn gevorderd tegen ABB Zantingh;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Aldus gewezen door mr C.J. Baas en ter openbare terechtzitting van bovengenoemde datum uitgesproken.

VOOR DE TEKST VAN HET VONNIS IN DE BODEMZAAK ZIE AR6700