Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AO1164

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-12-2003
Datum publicatie
05-01-2004
Zaaknummer
15/061121-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem veroordeelt een verdachte tot zes maanden gevangenisstraf waarvan twee maanden voorwaardelijk vanwege het medeplegen van het opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een minderjarige met een derde.

De veroordeling vloeit voort uit een prostitutiecontrole binnen de gemeente Haarlem, die mede werd uitgevoerd door de politie en een zogenaamde voorloper. De rechtbank acht, gelet op de omstandigheden van de casus, het optreden van de politie niet in strijd met de wet of art. 8 EVRM en acht de inzet van een voorloper daarnaast niet in strijd met de beginselen van proportionaliteit of subsidiariteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/061121-02

Uitspraakdatum: 30 december 2003

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 december 2003 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging overweegt de rechtbank het volgende.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in zijn vervolging, omdat de politie in strijd met art. 8 EVRM inbreuk zou hebben gemaakt op de privacy van de aanwezigen in de massagesalon. De raadsman verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 3 juni 2002, gepubliceerd in Nieuwsbrief Strafrecht 2002, afl. 11, nr. 259.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het verweer miskent immers het feit dat verdachte geen beroep toekomt op de gestelde inbreuk op de privacy van derden, omdat zonder nadere toelichting niet valt in te zien in welk rechtens te respecteren belang verdachte door die vermeende inbreuk zou zijn geschaad. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het optreden van de politie zich blijkens het proces-verbaal heeft beperkt tot de algemene ruimten van de massagesalon en zich niet heeft uitgestrekt tot de privé-vertrekken. Onder die om-standigheden kan niet worden gezegd dat inbreuk is gemaakt op de privacy van de betrokken dames. Voorts merkt de rechtbank nog op dat het door de raadsman aangehaalde vonnis van de rechtbank Amsterdam door het gerechtshof is vernietigd (d.d. 2 mei 2003, zaaknr. 23-003313-02; LJN AH8539).

De raadsman heeft voorts betoogd dat de wijze van opereren met een zogenaamde voorloper, een politieagent die zich voordoet als klant, een vorm van ongeoorloofde infiltratie is en ook overigens in strijd is met de wet, omdat er op een verhoor gelijkende situatie wordt gecreëerd zonder dat de cautie is gegeven. Ook om die redenen zou het openbaar ministerie niet ontvankelijk zijn in zijn vervolging.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. De betreffende politiebeambten voerden in het kader van een zogenaamd handhavingsarrangement tussen de politie en de gemeente Haarlem een prostitutiecontrole uit, waarbij werd gecontroleerd op de juiste naleving van diverse wettelijke regelingen, waaronder de Algemene plaatselijke verordening (APV) en de Wet arbeid vreemdelingen (WAV). De rechtbank stelt vast dat de politie krachtens de APV en krachtens de WAV is aangewezen als toezichthoudende instantie.

Uit het proces-verbaal blijkt dat bij twee reguliere controles, waarbij de politiebeambte bij het aanbellen het doel van zijn bezoek had aangekondigd, telkens eenzelfde dame werd aangetroffen die niet aan het werk, maar slechts op bezoek zou zijn. Daarop is een controle uitgevoerd met behulp van een zogenaamde 'voorloper', die zich eerst als politiebeambte heeft voorgesteld nadat de voor werkzaamheden beschikbare dames aan hem waren voorgesteld, om op die wijze een volledig beeld te krijgen van wie daadwerkelijk werkzaam was binnen de inrichting. Deze bijzondere controle was ook aangekondigd. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven beschreven wijze van optreden door de politie in het onderhavige geval niet in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, mede gelet op het gesloten karakter van de te controleren inrichting.

Naar aanleiding van het hierboven al aangehaalde betoog van de raadsman dat er door deze vorm van controle een op een verhoor gelijkende situatie wordt gecreëerd zonder dat de cautie is gegeven overweegt de rechtbank het volgende. De controle is uitgevoerd in het kader van toezicht, waarbij nog geen sprake was van een verdenking en derhalve evenmin van een verhoor van verdachte of van een daarop gelijkende situatie. Pas geruime tijd nadat er naar aanleiding van die laatste controle enige verdenking was ontstaan, is verdachte als zodanig gehoord. Van misbruik van de controlebevoegdheid ten behoeve van de opsporing is niet gebleken.

Gelet op het vorenoverwogene is het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging. Tenslotte heeft de rechtbank vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3a. Beslissing op verweren

De raadsman heeft betoogd dat verdachte niet wist dat het slachtoffer minderjarig was, zodat hem in die zin geen opzet verweten kan worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de redactie van artikel 250a, eerste lid, aanhef en onder 5, volgt reeds dat de voor strafbaarheid benodigde opzet niet ziet op de minderjarigheid van de ander. De wetsgeschiedenis (MvT 1996/1997, 25437, nr. 3, p. 9) is er ook duidelijk over: de leeftijd van het slachtoffer is een geobjectiveerd bestanddeel van de delictsomschrijving, zodat daaromtrent geen opzet is vereist.

3b. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan op de wijze als vermeld in de van dit vonnis deel uitmakende bijlage II.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl die ander minderjarig is, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen:

Verdachte heeft zich, als beheerder van een zogenoemde erotische massagesalon, samen met zijn ex-echtgenote die eigenaresse van de salon was, schuldig gemaakt aan de exploitatie van een minderjarig meisje van Bulgaarse afkomst dat in die salon tegen betaling seksuele handelingen met derden verrichtte. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte niet alleen een bijdrage geleverd aan het instandhouden van de illegaliteit binnen seksinrichtingen en de met deze vorm van criminaliteit gepaard gaande illegale activiteiten, maar heeft hij ook nagelaten een meisje van zestien jaar oud er van te weerhouden werkzaam te zijn binnen de prostitutie.

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank is echter van oordeel dat een gedeelte van de vrijheidsbenemende straf vooralsnog niet ten uitvoer dient te worden gelegd opdat verdachte er in de toekomst van wordt weerhouden een soortgelijk feit te begaan.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 47, 57 en 250a van het Wetboek van Strafrecht;

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het in de dagvaarding tenlastegelegde feit zoals hierboven vermeld heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde feit levert het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit op.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot twee maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijke gedeelte kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Wolfs, voorzitter,

mrs. Lycklama à Nijeholt en Jochem, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. ing. Van Dam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 december 2003.

Mr. Jochem is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.