Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AO0544

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
18-12-2003
Zaaknummer
Reg. nr: Awb 03-1835 - 03-1840
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opschorting van sloopvergunning van panden in het zgn. Raakscarré wordt opgeheven. Onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat deze panden alsnog rijksmonument worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Reg. nr: Awb 03-1835 - 03-1840

Uitspraakdatum: 17 december 2003

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

(artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht)

op een verzoek om voorlopige voorziening

in de zaken van:

gemeente Haarlem,

verzoekster,

gemachtigde: mr. B.C. Romijn, advocaat te Haarlem,

derde partijen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

2. de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

3. de vereniging "vereniging tot behoud van het 19de en vroeg 20ste-eeuwse cultuurgoed in Nederland, het Cuypersgenootschap", zetelend te Ohé en Laak,

4. Raaks Centra b.v., zetelend te Overveen,

gemachtigde: mr. Ch.Y.M. Moons, advocaat te Amsterdam,

5. Stichting De Hoeksteen, gevestigd te Haarlem,

6. Stichting Landschap, Architectuur en Stedenbouw, gevestigd te Haarlem,

7. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

8. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

9. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

10. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

11. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

12. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

13. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

14. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

15. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

16. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

17. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

18. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

19. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

20. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

21. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

22. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

23. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

24. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

25. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

26. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

27. [belanghebbende] wonende te Haarlem,

28. [belanghebbende], wonende te Haarlem,

29. [belanghebbende], wonende te Haarlem.

[HD1]

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 13 augustus 2003, kenmerk BMA 2003/537, heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) aan verzoekster ingevolge artikel 11 Monumentenwet 1988, vergunning verleend voor de sloop van de panden Raaks 14/Zijlvest 25a, plaatselijk bekend als HBS-A, en Jacobstraat 2, plaatselijk bekend als de voormalige Mulo en zoals aangegeven op de bij het besluit gevoegde gewaarmerkte tekening nr. 02082.

Bij besluit van 13 augustus 2003, kenmerk BMA 2003/532, heeft het college aan verzoekster ingevolge artikel 11 Monumentenwet 1988, vergunning verleend voor de gedeeltelijke sloop van de panden Oude Zijlvest 27/Gedempte Voldersgracht 2 (gelegen achter het pand plaatselijk bekend als HBS-B) zoals aangegeven op de bij het besluit gevoegde gewaarmerkte tekening nr. 02083.

Tegen deze besluiten zijn door diverse (rechts)personen bezwaarschriften ingediend, die in deze procedure als derde partij zijn aangemerkt en die hiervoor zijn vermeld onder nrs. 3 tot en met 29.

Om die reden is de werking van de besluiten van 13 augustus 2003 op grond van het bepaalde in artikel 16, zevende lid, Monumentenwet 1988 opgeschort.

Bij brief van 7 november 2003 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank gewend met het verzoek de opschortende werking van de besluiten op te heffen.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 4 december 2003, alwaar namens verzoekster is verschenen haar gemachtigde voornoemd.

Namens het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, is eveneens mr. Romijn verschenen.

Namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is verschenen, B.R. Derks, ambtenaar bij de Rijksdienst voor Monumentenzorg.

Namens de Cuypersgenootschap, zetelend te Ohé en Laak, is verschenen[gemachtigde], bestuurslid en gemachtigde mr. Ch.Y.M. Moons, advocaat te Amsterdam.

Namens Raaks Centra b.v., gevestigd te Overveen is als gemachtigde eveneens mr. Moons verschenen.

Namens de Stichting De Hoeksteen, gevestigd te Haarlem, is verschenen: [gemachtigde], vice-voorzitter.

Namens de Stichting Landschap, Architectuur en Stedenbouw (LAS) gevestigd te Haarlem, is verschenen: [gemachtigde], voorzitter.

[belanghebbende] en [belanghebbende] zijn in persoon verschenen. [belanghebbende] en [belanghebbende] zijn niet verschenen. De overigen personen, genoemd onder derde partij, nr. 10 tot en met 28, hebben Stichting De Hoeksteen gemachtigd om voor hen op te treden.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, zevende lid, Monumentenwet 1988 wordt de werking van een vergunning als bedoeld in artikel 11 van die wet opgeschort totdat op een daartegen ingesteld beroep is beslist. De strekking van deze bepaling brengt met zich dat onder "beroep" in deze bepaling tevens dient te worden verstaan een bezwaarschrift als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8:3 Awb is daarbij van overeenkomstige toepassing.

2.2. Bij besluiten van 17 april 2003 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Staatssecretaris) de verzoeken om een aantal panden in Haarlem aan te wijzen als beschermd monument op grond van de Monumentenwet 1988, afgewezen.

In dit geding gaat het om de volgende panden, die onderdeel uitmaken van het zogenaamde carré van Dumont:

1. Jacobstraat 2 te Haarlem, voormalige Mulo (kenmerk besluit: RW 2002-1095);

2. Raaks 14 te Haarlem, voormalige HBS-A (kenmerk besluit: RW 2002-1096);

3. Oude Zijlvest 27 te Haarlem, voormalige HBS-B met bijbehorende gymastiekzaal en conciërgewoning (kenmerk besluit: RW 2002-1094).

Deze besluiten zijn gebaseerd op negatieve adviezen van de raad van de gemeente Haarlem van 9 oktober 2002 en 15 januari 2003 en een negatief advies van de Raad voor Cultuur van 21 januari 2003.

2.3. Hiertegen zijn bezwaarschriften ingediend.

2.4. Door de procedure in verband met het verzoek tot het aanwijzen van de panden als beschermd monument op grond van de Monumentenwet 1988, zoals vermeld bij de overwegingen 2.2. en 2.3, vloeit uit artikel 5 Monumentenwet 1988 met betrekking tot de betreffende panden een zogenaamde voorbescherming voort, waardoor bij sloop een vergunning is benodigd ingevolge artikel 11 Monumentenwet 1988.

2.5. Op 17 mei 2003 heeft verzoekster bij het college aanvragen ingediend als bedoeld in artikel 11 Monumentenwet 1988.

Overeenkomstig artikel 16, eerste en tweede lid, Monumentenwet 1988 heeft het college advies ingewonnen bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (hierna: RDMZ).

Bij brief van 26 mei 2003 heeft de RDMZ advies uitgebracht. Uit oogpunt van monumentenzorg bestaat geen bezwaar tegen het slopen van de hier in geding zijnde panden. Verwezen wordt eveneens naar de eerder uitgebrachte besluiten van 17 april 2003 waarbij niet is overgegaan tot het aanwijzen van de panden tot rijksmonument.

2.6. Ter zitting is door verzoekster aangevoerd dat een aantal personen die bezwaar hebben aangetekend tegen de op 13 augustus 2003 door het college verleende sloopvergunningen niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb kunnen worden aangemerkt.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de in de aanhef onder de nrs. 3 tot en met 7 vermelde derde partijen in ieder geval wel als belanghebbende in de sloopvergunningsprocedure - en mitsdien ook als derde partij in de onderhavige procedure - worden aangemerkt.

Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter thans geen aanleiding nader onderzoek te verrichten naar de belanghebbendheid van alle als zodanig aangemerkte derde partijen, temeer nu nagenoeg alle daarbij vermelde natuurlijke personen zich ter zitting hebben laten vertegenwoordigen door Stichting De Hoeksteen.

2.7. Voor het doorbreken van de opschortende werking van artikel 16, zevende lid, Monumentenwet 1988 bestaat slechts aanleiding, indien aan de opheffing van de opschortende werking geen onherstelbare gevolgen zijn verbonden, dan wel er voldoende aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat de op grond van artikel 11 Monumentwet 1988 geweigerde vergunning in de bodemprocedure in stand zal blijven terwijl tevens is gebleken dat degene die om opheffing heeft verzocht door handhaving van de opschortende werking onevenredig nadeel lijdt.

In de onderhavige procedure staat echter niet zozeer de rechtmatigheid van de sloopvergunningen centraal maar veeleer de vraag of de afwijzing van het verzoek om aanwijzing als beschermd monument in bezwaar en, eventueel, in beroep in stand zal kunnen blijven. Onderhavige vergunningen zijn immers slechts een gevolg van het bestaan van de voorbescherming. Indien de afwijzende beslissingen van de Staatssecretaris in stand blijven eindigt de voorbescherming en verliezen de vergunningen hun grondslag.

2.8. Vastgesteld kan worden dat de sloop van de betreffende panden onherstelbare gevolgen zal hebben. Vervolgens moet worden onderzocht of er voldoende aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat het verzoek om aanwijzing als rijksmonument terecht is afgewezen en in het verlengde daarvan de vergunning tot sloop terecht is verleend.

Tenslotte komt de vraag of verzoeksters belang zwaarwegend genoeg is om op de uitkomst van de lopende procedures vooruit te lopen.

2.9. De voorzieningenrechter stelt aan de hand van de ingediende stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de kern van de bezwaren tegen de verleende sloopvergunningen, met name ligt in het navolgende:

a. de juridische procedures die nog lopen dan wel nog moeten beginnen;

b. het feit dat de panden als geheel dan wel ieder afzonderlijk, aangewezen dienen te worden als monument in de zin van de Monumentenwet 1988.

2.10. In het kader van het beroep op de lopende procedures stelt de voorzieningenrechter vast dat daartegen aparte rechtsmiddelen open staan dan wel open hebben gestaan. Argumenten die betrekking hebben op die procedures kunnen op zichzelf in deze procedure derhalve niet leiden tot een afwijzing van het verzoek. De voorzieningenrechter stelt met nadruk vast dat in deze procedure slechts aan de orde is de opheffing van de opschortende werking als bedoeld in artikel 16, zevende lid, Monumentenwet 1988. De voorzieningenrechter toetst het onderhavige verzoek dan ook aan de criteria genoemd in de overwegingen 2.7 en 2.8.

2.11. In dat kader dient de voorzieningenrechter te beoordelen of er voldoende aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat het verzoek om aanwijzing als rijksmonument ten onrechte is afgewezen en in het verlengde daarvan de vergunning tot sloop ten onrechte is verleend.

2.12. Het verzoek tot opheffing is gebaseerd op de verwachting van verzoekster dat de onderhavige panden, de HBS-A, de Mulo en de panden en muur achter het HBS-B gebouw, gelegen aan de Gedempte Voldersgracht, geen status als monument in het kader van de Monumentenwet 1988 zullen verkrijgen. Dienaangaande wordt verwezen naar de adviezen van de Monumentencommissie van de gemeente Haarlem en de mede daarop gebaseerde adviezen van de raad van de gemeente Haarlem, waarin gemotiveerd is geadviseerd om geen monumentale status aan de panden te verlenen. Ook de Staatssecretaris heeft dit advies overgenomen en daarbij tevens het negatieve advies van de Raad voor Cultuur betrokken.

2.13. De panden dienen, volgens de bezwaarmakers, als monument in het kader van de Monumentenwet 1988 te worden aangemerkt omdat het gaat om zeer waardevolle panden, waarbij verwezen wordt naar diverse uitgebrachte rapporten. De Monumentencommissie en de raad van de gemeente Haarlem hebben aan deze rapporten te weinig dan wel geen waarde toegekend en, in de ogen van de bezwaarmakers, geen juiste uitleg gegeven. Daarbij is onvoldoende aandacht geschonken aan de ensemblewaarde van de panden als één geheel, te weten het carré van Dumont.

Voorts blijft het onduidelijk waarom de panden destijds in het kader van de Monumenten Inventarisatie Project (MIP) wel zijn opgenomen, maar in het kader van de uiteindelijke selectie, de Monumenten Selectie Project (MSP), niet. Herhaaldelijke verzoeken om hiervan gegevens te krijgen hebben tot nu toe tot niets geleid. Ten einde te voorkomen dat met de sloop zal worden begonnen voordat over de monumentenstatus meer duidelijkheid bestaat, wordt verzocht onderhavige verzoek af te wijzen.

2.14. Gelet op de thans ter beschikking staande gegevens komt de voorzieningenrechter tot het volgende oordeel.

2.15. Wat er ook van zij dat omtrent de procedure in het kader van het MIP en MSP geen gegevens meer voorhanden zijn, vastgesteld moet worden dat de panden wel zijn opgenomen in het MIP, maar dat uiteindelijk in het kader van het MSP (jongere bouwkunst periode 1850-1940) geen van de in totaal 8 panden in het Raaksgebied als rijksmonument zijn aangewezen.

2.16. In de besluiten van 17 april 2003, waarin door de Staatssecretaris afwijzend is beslist op de ingediende verzoeken om de panden in het zogenaamde Raaksgebied aan te wijzen als beschermd monument, heeft de Staatssecretaris onder andere overwogen:

- ten aanzien van het pand Oude Zijlvest 27 (HBS-B, gebouwd in 1906-1907):

het schoolgebouw is aangewezen als gemeentelijk monument.

"gaaf bewaard gebleven schoolgebouw, in een verzorgde aan de neo-Hollandse renaissance verwante architectuur en met een heldere, voor schoolgebouwen van rond 1900 kenmerkende opzet. De school heeft tevens een fraai, relatief rijk uitgevoerd interieur waarin de hal en het aansluitende trappenhuis opvallend zijn, onder meer vanwege de zichtbaar gelaten onderdelen van de draagconstructie. De architectonische waarde en typologische kenmerken van het schoolgebouw zijn echter niet zo uitzonderlijk dat er waarden op rijksniveau aanwezig zijn."

- ten aanzien van het pand Raaks 14 (HBS-A, gebouwd in 1912-1914):

"goed voorbeeld van een groot schoolgebouw uit het begin van de twintigste eeuw, met een voor de bouwperiode kenmerkende vormgeving en opzet. Het gebouw heeft enige stedenbouwkundige waarde, onder meer vanwege de situering aan de westzijde van het Raakscarré aan de Zijlvest. Gelet op de geringe architectuurhistorische en typologische waarde voldoet het pand niet aan de criteria voor bescherming op rijksniveau";

- ten aanzien van het pand Jacobstraat 2 (Mulo, gebouwd in 1907):

"goed voorbeeld van een stedelijk schoolgebouw uit het begin van de twintigste eeuw, met een voor de tijd gebruikelijke opzet en sobere vormgeving met verwijzing naar de neo-gotiek. Het gebouw heeft enige stedenbouwkundige waarde, onder meer vanwege de markante situering aan de Jacobstraat. Gelet op de gering architectuurhistorische en typologische waarde voldoet het pand niet aan de criteria voor bescherming op rijksniveau."

Aan de genoemde besluiten van de Staatssecretaris ligt mede ten grondslag een negatief advies van de Raad van Cultuur van 21 januari 2003. Dit adviesorgaan is van mening dat deze combinatie van scholen en kerken uit de tijd 1907-1914, niet uniek is. Er is geen sprake van een vooropgezet stedenbouwkundig plan. Het geheel is als complex niet rijksmonumentwaardig. Over de afzonderlijke objecten in het complex adviseert de Raad van Cultuur negatief te beslissen inzake het verzoek tot rijksbescherming.

Ook de raad van de gemeente Haarlem heeft negatieve adviezen uitgebracht, mede gebaseerd op het advies van de Monumentencommissie van 27 augustus 2002 en de per 1 september 2002 ingestelde commissie Welstand en Monumenten, die op 26 november 2002 advies heeft uitgebracht over het pand Jacobstraat 2 (Mulo). In de adviezen aan de raad van de gemeente Haarlem is onder meer opgemerkt dat de afgelopen 12 jaar het Raaksgebied en de daarin gelegen panden op diverse momenten zijn geïnventariseerd en getoetst op cultuurhistorische en monumentale waarden en dat deze waarden niet zodanig zijn dat de panden op nationaal niveau dienen te worden beschermd.

2.17. Desgevraagd heeft Stichting De Hoeksteen ter zitting ter onderbouwing van haar stelling dat sprake zou zijn van monumentale panden verwezen naar de navolgende rapporten:

- 'kerken in Haarlem-gemeentelijke monumenten' van dr. A.J. Looyenga uit 1997;

- 'De Raaks-carrés te Haarlem, een opmaat naar ideeën' van A.H.M. Schoots-Timmermans uit 1997;

- 'Cultuurhistorische verkenning Raaks-gebied Haarlem' door het bureau M.A. Kooiman Cultuurhistorische Projecten Utrecht 1996;

- ' het rapport ten behoeve van het project de Raaks "Raaksgebied Haarlem, deelonderzoek, onderzoek herbestemming' van ir. F.D. ten Hallers.

De voorzieningenrechter stelt vast dat deze rapporten bij partijen bekend zijn. De raad van de gemeente Haarlem acht de litigieuze panden, in het voetspoor van de Monumentencommissie, mede op basis van deze rapporten, niet monumentaal waardig.

In het algemeen, zo ook in het onderhavige geval, ligt het op de weg van degene die het niet eens is met de uitleg van de uitgebrachte rapporten, om een ander deskundig rapport uit te laten brengen, waaruit zou moeten blijken dat de eerder uitgebrachte rapporten, dan wel de daarop gebaseerde conclusies, niet juist zouden zijn. Rapporten van andere deskundigen, waaruit zou moeten blijken dat wel sprake zou zijn van monumentale panden in de zin van de Monumentenwet 1988, zijn niet overgelegd. Gelet op de inhoud van bovenvermelde rapporten kon de raad van de gemeente Haarlem tot de conclusie komen dat de betreffende panden niet als rijksmonument dienden te worden aangewezen.

Daarbij overweegt de voorzieningenrechter nog dat voor aanwijzing als beschermd rijksmonument een hoge maatstaf geldt, waarbij, naast andere aspecten, het nationale belang van het monument aanwezig moet zijn. Er is onvoldoende komen vast te staan dat daarvan bij de onderhavige panden sprake is.

2.18. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de besluiten van de Staatssecretaris om niet tot aanwijzing als beschermd monument over te gaan niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen. Dat daarbij grote betekenis aan het standpunt van de gemeenteraad is gehecht, kan, bezien in de context van de Monumentenwet 1988, niet als onjuist worden gezien.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de besluiten van 17 april 2003 van de Staatssecretaris om de panden niet aan te wijzen als rijksmonument in bezwaar geen stand zal houden. In verband hiermee moet er van worden uitgegaan dat het college terecht de vergunningen ex artikel 11 van de Monumentenwet 1988 hebben verleend.

2.19. De voorzieningenrechter komt thans toe aan de vraag of de belangen van verzoekster zwaarwegend genoeg zijn om op de uitkomst van de lopende procedures vooruit te lopen.

2.20. Het belang van verzoekster bij opheffing van de opschortende werking, als bedoeld in artikel 16, zevende lid, Monumentenwet 1988 is gelegen in de voortgang van de realisering van het zogenaamde Raaksproject, een omvangrijk bouwproject in de binnenstad van Haarlem. Daarbij is verwezen naar de afspraken die daaromtrent zijn gemaakt met een ontwikkelingsmaatschappij en de daarmee samenhangende planning.

Deze planning kan, gelet op de huidige stand van de daarop betrekking hebbende besluitvormingsprocessen, als realistisch worden aangemerkt.

De aanvang van de sloop is begin januari 2004 gepland, waarna zal worden gestart met een noodzakelijke bodemsanering.

Voortduring van de opschortende werking ten aanzien van de sloopvergunningen totdat in laatste instantie is beslist over de gevraagde monumentenstatus van de te slopen panden zal een ernstige vertraging, met alle consequenties van dien, opleveren voor de realisering van het bouwproject.

Daartegenover staat het belang van bezwaarmakers, gericht op het behoud van de bedoelde panden. Het behoud van de panden, dat via de gevraagde monumentstatus zou moeten worden gerealiseerd.

Nu er, zoals reeds is overwogen, onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de panden een dergelijke monumentenstatus zullen verkrijgen, valt niet te verwachten dat de verleende sloopvergunningen niet in stand zullen blijven. Gelet daarop komt aan de belangen van verzoekster bij de gevraagde opheffing doorslaggevend gewicht toe.

De verzoeken om opheffing van verzoekster dienen dan ook te worden toegewezen.

2.21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de verzoeken om opheffing van de van rechtswege ontstane opschorting als bedoeld in artikel 16, zevende lid, Monumentenwet 1988 toe.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.F.W. Brouwer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van B.E. Willems, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003

in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op :

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

[HD1]Derde partij ? selecteer deze stop (indien nog niet geselecteerd) knop snel invoegen, type 3, enter. Geen derde partij ? wis stop.

Reg. nr: Awb 03-1835 - 03-1840 - 3 -