Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AN9132

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-11-2003
Datum publicatie
28-11-2003
Zaaknummer
03-201 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtvaardigt schending van de geheimhoudingsplicht het opleggen van onvoorwaardelijk strafontslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

reg. nr: Awb 03-201 AW

uitspraakdatum: 11 november 2003

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. K. Roukema,

-- tegen --

de Algemeen Directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer,

verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 10 oktober 2002 heeft verweerder aan eiseres op grond van artikel 123, eerste lid, onder i, van het Rechtspositiereglement van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 oktober 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 december 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Daarbij heeft verweerder voor de motivering verwezen naar het advies van 17 december 2002 van de hoorcommissie.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 24 januari 2003 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 september 2003, alwaar eiseres is verschenen, bijgestaan daar haar gemachtigde, voornoemd, en verweerder is vertegenwoordigd door mr. M.E. van Motman.

2 Overwegingen

2.1. Eiseres is in 1986 bij verweerder in dienst getreden. Bij indiensttreding heeft eiseres op 29 april 1986 een verklaring inzake geheimhouding getekend. Eiseres werkt als administratief medewerkster en heeft vanuit die functie toegang tot het kentekenregister in die zin dat zij onder andere gegevens kan opvragen over de huidige eigenaar van een auto. Verweerder heeft bij brief van de directeur RDW van 13 juli 1990, brief van de directeur RDW van 28 februari 1992, de Richtlijnen voor de medewerker van 26 juni 1996 en de Brochure integriteit bij de RDW aangegeven dat het niet is toegestaan vertrouwelijke informatie aan derden te geven. In de, aan alle medewerkers van de RDW gerichte, brief van 28 februari 1992 schrijft de directeur RDW dat een ieder die zich bewust of onbewust schuldig maakt aan overtreding van het verbod om inlichtingen uit het kentekenregister te verstrekken er rekening mee dient te houden dat tegen hem of haar ernstige maatregelen zullen worden genomen, inclusief eventueel disciplinair ontslag. Uit onderzoek van de politie blijkt dat eiseres op 8 maart 2002, zonder medeweten van verweerder, via een e-mail informatie uit het kentekenregister aan een vriendin heeft verstrekt. Zij heeft dit gedaan op verzoek van die vriendin. De informatie betreft de woonplaats ([woonplaats]) en de geboortedatum van de eigenaar van een auto. Deze auto, die heeft toebehoord aan de vriend van de vriendin aan wie eiseres de informatie heeft gegeven, is tussen 15 en 16 maart 2002 ontvreemd. Op 21 augustus 2002 is eiseres door de politie gehoord. De regiopolitie Drenthe heeft verweerder geïnformeerd over de omstandigheid dat eiseres informatie uit het kentekenregister aan haar vriendin heeft gegeven. Op 3 september 2002 en op 9 oktober 2002 heeft eiseres bij verweerder mondeling verantwoording afgelegd. Van deze gesprekken is proces-verbaal opgemaakt. Op 10 oktober 2002 heeft verweerder besloten eiseres de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.

2.2. Verweerder stelt dat eiseres wist dat zij zonder toestemming van verweerder geen vertrouwelijke gegevens uit het kentekenregister aan derden mocht geven. Vanwege het feit dat de in de registers verwerkte gegevens aan verweerder zijn verstrekt op grond van een wettelijke plicht moet volgens verweerder uiterste zorgvuldigheid in acht worden genomen bij het beheer van deze gegevens. Verweerder vindt het gedrag van eiseres verwijtbaar. Eiseres had naar de mening van verweerder redelijkerwijs kunnen vermoeden dat de informatie zou worden misbruikt. Verweerder betoogt voorts dat eiseres had moeten bedenken dat, nu de woonplaats een klein dorp blijkt te zijn, het eenvoudig is de verstrekte gegevens te herleiden naar relevante persoonsgegevens. Verweerder vindt dat sprake is van ernstig plichtsverzuim als bedoeld in artikel 122, tweede lid, van het rechtspositiereglement RDW en dat de opgelegde straf niet onevenredig is.

2.3. Eiseres vindt dat zij geen duidelijke richtlijnen heeft gekregen van verweerder over het verstrekken van gegevens. De door verweerder genoemde schriftelijke informatie daarover is erg oud en was haar niet bekend. Eiseres stelt dat door haar leidinggevende is gezegd dat geen naam en volledige adresgegevens mochten worden verstrekt en dat heeft zij ook niet gedaan. Zij heeft uitsluitend een geboortedatum en een plaatsnaam verstrekt, terwijl verweerder onder volledige adresgegevens verstaat de zogenaamde NAW-gegevens zijnde: naam, adres en woonplaats. Door verweerder is, volgens eiseres, tijdens het eerste gesprek op 3 september 2002 de indruk gewekt dat er geen strafontslag zou volgen indien uitsluitend gegevens met betrekking tot woonplaats en geboortedatum zouden zijn doorgegeven. Voorts wijst eiseres erop dat iedere burger tegen een geringe vergoeding bij verweerder kentekengegevens kan opvragen. Eiseres betoogt dat de opgelegde straf niet in verhouding staat tot de mate van plichtsverzuim. Zij brengt in dat kader ook nog haar lange onberispelijke staat van dienst bij verweerder onder de aandacht.

2.4. Eiseres heeft in de verklaring die zij op 21 augustus 2002 heeft afgelegd bij de politie, voor zover hier van belang, het volgende gezegd: "(.....)Geen adresgegevens mogen worden verstrekt. Wel de technische gegevens. Tegen betaling kunnen mensen naam en adresgegevens opvragen bij de RDW in Veendam. (.....)Wel weet ik dat persoonlijke gegevens niet mogen worden verstrekt. (.....)Ik heb haar geholpen omdat zij veel problemen heeft met haar vriend. De auto van haar vriend was ingenomen door de politie en geveild. Dit was in verband met een inval in de woning van [naam vriend]. Daarover ontstond een ruzie tussen [naam vriendin] en haar vriend. Ik denk dat [naam vriendin] wel onder druk is gezet om deze gegevens via mij boven water te krijgen. Zij werd ook wel geslagen door haar vriend omdat er al eerder wat gebeurd was met de familie van [naam vriend]. Haar vriend wilde weten waar de auto was gebleven.(.....) Maar ik heb deze gegevens gegeven omdat ik [naam vriendin] vertrouwde. Ik wilde haar helpen. Ik vermoedde dat haar vriend zijn auto terug wilde hebben. Waarom weet ik niet." Nadat ik de gegevens had verstrekt adviseerde [naam vriendin] mij om mijn mailbox te schonen. Op de vraag waarom heb ik toen geen antwoord gekregen. (.....) Ik dacht dat [naam vriend] wilde weten waar de auto was gebleven puur uit nieuwsgierigheid en niet met andere bedoelingen (.....) Ik zie nu wel dat mijn gegevens hebben geholpen dit voertuig te vinden. Ik wist niet dat men dit voertuig wilde stelen." Hoewel eiseres later heeft aangegeven dat zij zich bij het afleggen van deze verklaring onder druk gezet voelde, kent de rechtbank betekenis toe aan de door eiseres gedane uitlatingen aangezien zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bovenvermelde uitlatingen onjuist of onvolledig zouden zijn. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat ze dacht dat de vriend van haar vriendin wilde weten of de dienst Domeinen de auto al verkocht had omdat hij nog op de auto wilde bieden.

2.5. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat eiseres wist dat zij door de gegevens met betrekking tot woonplaats en geboortedatum, zonder goedkeuring van verweerder, aan haar vriendin te verstrekken handelde in strijd met de regels van verweerder. De rechtbank heeft overwogen dat eiseres bij indiensttreding een verklaring inzake geheimhouding heeft getekend en dat door verweerder, gedurende de duur van het dienstverband, een aantal keren is gewezen op de vertrouwelijkheid van de gegevens uit het kentekenregister. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen hetgeen eiseres heeft gezegd in haar op 21 augustus 2002 afgelegde verklaring en de omstandigheid dat zij haar mailbox na het verzenden van de e-mail van 8 maart 2002 heeft geleegd. Voor de stelling van eiseres dat uitsluitend het verstrekken van naam en volledige adresgegevens niet was toegelaten is in de dossierstukken of anderszins geen steun te vinden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de stelling van eiseres, dat een ieder tegen vergoeding gegevens uit het kentekenregister kan verkrijgen niet juist is, nu is gebleken dat de aanvrager zich bekend moet maken en een, met redenen omkleed, verzoek om informatie pas wordt ingewilligd als de degene op wie de informatie betrekking heeft daarin toestemt.

2.6. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan schending van de door verweerder gestelde norm en dat hier sprake is van een strafwaardig plichtsverzuim. Verweerder kon derhalve besluiten tot het opleggen van een straf.

2.7. De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of de aan eiseres opgelegde straf van ongevraagd ontslag de hier aan te leggen toetsing aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dat geen onevenredigheid mag bestaan tussen de nadelige gevolgen van het besluit voor de belanghebbende in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen, kan doorstaan.

2.8. Eiseres heeft misbruik gemaakt van de informatie waarover zij vanuit haar functie kon beschikken terwijl de aard van die functie juist met zich bracht dat zij daar zeer voorzichtig mee moest omgaan. Door zich niet te houden aan haar geheimhoudingsplicht heeft zij het aanzien en de integriteit van het openbaar bestuur geschonden. De verklaringen, die eiseres op 21 augustus 2002 jegens de politie en op 21 november 2002 tijdens de hoorzitting heeft gegeven, over de reden waarom zij dacht dat de vriend van haar vriendin de informatie over de auto wilde hebben acht de rechtbank, mede gelet op het verschil in die verklaringen, niet geloofwaardig. De rechtbank heeft zwaar laten wegen dat de informatie door eiseres werd verstrekt aan haar vriendin doch dat eiseres wist dat deze was bestemd voor een persoon met justitiële contacten en dat de desbetreffende auto kort na de informatieverstrekking is gestolen, waarbij de rechtbank, hoewel zij zich niet behoeft uit te laten over de vraag wie de desbetreffende auto heeft gestolen, voldoende aannemelijk acht dat er een rechtstreeks verband is tussen de informatieverstrekking en de diefstal. De gevolgen van de doorbreking van de geheimhoudingsplicht mogen eiseres worden aangerekend, nu zij voldoende op de hoogte was van de handel en wandel van deze persoon.

2.9. Eiseres wijst er in haar verweerschrift op dat door verweerder (de divisiemanager Voertuigtechniek [naam persoon]) tijdens het gesprek van 3 september 2002 de indruk is gewekt dat zij geen strafontslag zou krijgen als ze "slechts" de woonplaats en geboortedatum zou hebben doorgegeven. De rechtbank heeft in het (korte) verslag van dat gesprek of anderszins geen aanwijzingen gevonden dat een dergelijke verwachting daadwerkelijk is gewekt. Het gegeven dat het langdurig functioneren van eiseres nooit aanleiding heeft gegeven tot klachten heeft de rechtbank evenmin tot de overtuiging kunnen leiden dat de opgelegde straf als onevenredig moet worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het vorenstaande de gedragingen van eiseres een zo ernstig plichtsverzuim opleveren, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten en dat het bestreden besluit deswege de toetsing aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb kan doorstaan.

2.10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Gaartman, voorzitter van de meervoudige kamer en mrs. A.C.M. Rutten en J.M. Legeland, leden, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.