Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AN8295

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-11-2003
Datum publicatie
17-11-2003
Zaaknummer
15/031128-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een verdachte tot 8 jaar gevangenisstraf vanwege het medeplegen van doodslag op het achttien maanden oude zoontje van zijn vriendin en vanwege de zware mishandeling die hij, in de periode voorafgaande aan de doodslag, ten aanzien van de jongen had gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/031128-02

Uitspraakdatum: 17 november 2003

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 november 2003 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 19 november 2002 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet die [naam slachtoffer] een of meermalen (met kracht) op/tegen/in de buik geslagen en/of gestompt en/of gestoten en/of geduwd en/of die [naam slachtoffer] een of meermalen (met kracht) in/tegen de buik geschopt en/of getrapt, althans uitwendig inwerkend en samendrukkend geweld op de buik van die [naam slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 19 november 2002 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan een (minderjarig) persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een doormidden gescheurde alvleesklier en/of een op meerdere plekken afgescheurde darmscheil), heeft/hebben toegebracht, door opzettelijk die [naam slachtoffer] een of meermalen (met kracht) te slaan en/of te stoten en/of te stompen en/of te duwen en/of te schoppen en/of te trappen op/in/tegen de buik, althans door het opzettelijk op de buik van die [naam slachtoffer] uitoefenen van uitwendig inwerkend en samendrukkend geweld, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 19 november 2002 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een (minderjarig) persoon genaamd [naam slachtoffer], (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten twee gebroken armen en/of een menselijke beetplek in de rechterbil), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) de armen om te draaien en/of (met kracht) aan de armen te trekken en/of in de (rechter)bil te bijten;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1. primair en 2. tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

PRIMAIR:

hij op 19 november 2002 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet uitwendig inwerkend en samendrukkend geweld op de buik van die [naam slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voor-noemde [naam slachtoffer] is overleden.

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 19 november 2002 te Zaandam, gemeente Zaanstad, aan een minderjarig persoon genaamd [naam slachtoffer], telkens opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten twee gebroken armen, heeft toegebracht, door deze opzettelijk met kracht de armen om te draaien.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1. primair en 2. meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 primair overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op het sectierapport en de verklaring van de schouwarts staat vast dat het dodelijke letsel in de nacht van 18 op 19 november 2002 tussen 23.00 uur en 05.00 uur moet zijn toegebracht.

Eveneens staat - op grond van beider verklaringen - vast dat verdachte en zijn mededader [medeverdachte] tussen die tijdstippen in de woning aanwezig waren.

Zowel de bovenbuurvrouw als de onderbuurman hebben verklaard dat zij op 19 november 2002 om respectievelijk 4.20 en 4.15 uur wakker werden. Beiden verklaren zij dat zij geschreeuw van verdachte en zijn mededader hoorden en dat zij [naam slachtoffer] hoorden huilen. Ook spreken beiden over een harde klap of gebonk, waarna zij [naam slachtoffer] niet meer hoorden, maar nog wel geschreeuw van de buren en later hysterisch huilen van de mededader van verdachte.

Ter zitting heeft de officier van justitie verklaard dat de patholoog-anatoom dr. Maes hem in een telefoongesprek had meegedeeld dat de in het sectierapport genoemde tijdsinterval van 6 uur tussen het oplopen van het letsel en het overlijden, een ruime schatting betrof en dat het zeer wel mogelijk was, gelet op de aard van het letsel, dat de dood binnen een uur na het oplopen van het letsel is ingetreden.

Het voorgaande in samenhang bezien, maakt het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat het dodelijke letsel na 04.15 uur aan [naam slachtoffer] is toegebracht en dat, gezien het geschreeuw en naderhand het gehuil van verdachtes mededader, zowel verdachte als zijn mededader op dat moment wakker waren en bij het toebrengen van het dodelijke letsel aanwezig zijn geweest.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende:

- Het gedrag van [naam slachtoffer] veranderde nadat verdachtes mededader met [naam slachtoffer] bij verdachte was ingetrokken;

- Zowel de medader van verdachte als anderen verklaren dat [naam slachtoffer] blauwe plekken had sinds hij bij verdachte woonde;

- Toen [naam slachtoffer] vier weken voordat hij overleed, in het ziekenhuis moest worden behandeld voor een gebroken linkerarm na een vermeende val uit zijn bed, zijn verdachte en zijn medader er door de behandelend arts op gewezen dat dit type breuk niet past bij een val uit een bed en is hen meegedeeld dat mel-ding zou worden gedaan bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK);

- Verdachte heeft op 16 oktober 2002 zijn mededader gebeld met de mededeling dat hij [naam slachtoffer] geslagen had. De volgende dag zag zijn mededader dat [naam slachtoffer] een grote blauwe plek in zijn gezicht had;

- De mededader van verdachte heeft verklaard dat ze vermoedens had dat verdachte [naam slachtoffer] mishandelde;

- De mededader van verdachte heeft verklaard dat verdachte [naam slachtoffer] wel eens mee nam naar zijn kamertje en zij hoorde dan geluiden die leken op slaan; ze hoorde [naam slachtoffer] dan ook huilen en zag even later rode plekken bij hem;

- De mededader van verdachte heeft verklaard dat verdachte [naam slachtoffer] een keer een bloedlip heeft geslagen;

- De mededader van verdachte heeft verklaard dat zij op 18 november 2002 bij thuiskomst een totaal ander kind aantrof dan zij had achtergelaten toen ze naar haar werk ging. [naam slachtoffer] was toen zij thuiskwam ziek, moe, sloom en niet lekker: vergelijkbaar met de keer in oktober dat verdachte hem had geslagen.

- Verdachte heeft verklaard dat [naam slachtoffer] op 18 november 2002 steeds moest braken en niet wilde eten. Verdachte heeft toen eten in zijn mond gedaan en daarna met zijn hand de wangen (kaak) gepakt om [naam slachtoffer] het eten te laten doorslikken. [naam slachtoffer] wilde niet eten en verdachte werd boos. Verdachte heeft hem toen stevig vastgepakt bij zijn zij.

- Uit het sectierapport blijkt dat [naam slachtoffer] een humane bijtplek op zijn rechterbil had; een orthodontoloog heeft verklaard dat die door een mens met kracht moet zijn toegebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij [naam slachtoffer] op 18 november 2002 in zijn billen heeft gebeten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte degene is geweest die het fatale geweld op [naam slachtoffer] heeft uitgeoefend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het dossier geen aanwijzingen zijn voor het door mededader van verdachte persoonlijk aanwenden van ernstig geweld tegenover haar zoon. Wel heeft zij naar het oordeel van de rechtbank het feit medegepleegd door [naam slachtoffer] binnen het bereik van verdachte te houden terwijl er meer dan voldoende aanwijzigen waren dat [naam slachtoffer] door hem werd mishandeld. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat er tussen verdachte en zijn mededader sprake was van een zodanige, nauwe, bewuste en volledige samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken.

Opzet

Gezien het sectierapport is bovenmatig geweld toegepast op [naam slachtoffer], een kind van slechts achttien maanden oud. Gezien de aard van het letsel - in de buikholte was het darmscheil op meerdere plaatsen afgescheurd en de alvleesklier was doormidden gescheurd, beide onderkwabben van de longen waren gekneusd - moet het voor verdachte en zijn medader duidelijk zijn geweest dat door dit geweld de aanmerkelijke kans bestond dat vitale organen werden beschadigd, waardoor de dood zou intreden. Het toebrengen van dergelijk letsel bij een klein kind is gedrag dat naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer is gericht op het toebrengen van do-delijk letsel, dat verdachte en zijn mededader de aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg willens en wetens aanvaard. De rechtbank acht derhalve sprake van voorwaardelijk opzet.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1. primair: medeplegen van doodslag

2. zware mishandeling

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft [naam slachtoffer], het zoontje van zijn vriendin, zwaar mishandeld en heeft op 19 november 2002 zodanig geweld tegen hem uitgeoefend, dat hij aan de gevolgen hiervan is overleden. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij dit kind van slechts 18 maanden oud, dat mede aan zijn zorg was toevertrouwd, niet de geborgenheid en veiligheid heeft geboden waar het recht op had. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich geen rekenschap gegeven van de kwetsbaarheid van [naam slachtoffer] en heeft hij zijn overwicht als volwassene ten opzichte van dit kind op grove wijze misbruikt.

De dood van [naam slachtoffer] heeft bij de nabestaanden onherstelbaar leed, intense gevoelens van verdriet en ontsteltenis teweeggebracht.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bijzonder ernstige misdrijven die grote afschuw en onbegrip in de samenleving opwekken. De rechtsorde is daardoor ernstig geschokt.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Op grond van al het hiervoor overwogene acht de rechtbank de navolgende vrijheidsbenemende straf passend en geboden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1. primair en 2. tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals

hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Diender, voorzitter,

mrs. Mateman en Italianer, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. De Vries en Lijnse, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 november 2003.

Mr. Italianer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.