Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AN8155

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-11-2003
Datum publicatie
14-11-2003
Zaaknummer
15/094188-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is meermalen samen met anderen in het najaar van 2002 betrokken geweest bij de invoer van grote hoeveelheden cocaïne in Nederland, vanuit Venezuela. Een en ander vond plaats in een samenwerkingsverband waarbij verdachte een belangrijke rol vervulde. Dit samenwerkingsverband is aangemerkt als een criminele organisatie. De rechtbank heeft de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/094188-02

Uitspraakdatum: 13 november 2003

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2003 in de zaak tegen:

verdachte,

geboren op (geboortedatum) te (geboorteplaats),

wonende te (woonplaats),

thans gedetineerd in de P.I. Midden Holland - HvB De Geniepoort, Alphen aan den Rijn.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I a en I b aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak

2.1 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Rechtmatigheid aanvang FIOD onderzoek

De raadsman van de verdachte heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en heeft daartoe het volgende gesteld. Een aan verdachte gerichte en door Fedex vervoerde brief is geopend, terwijl de toestemming daarvoor ontbrak. Nu ook het vereiste bevel van de rechter-commissaris ontbreekt, is sprake van schending van het briefgeheim. Voorts heeft de heer (A) van de FIOD onbevoegd gebruik gemaakt van voormelde brief, omdat hij heeft nagelaten die brief in beslag te nemen. Een en ander heeft niet alleen gevolgen voor de FIOD-zaak, maar dient ook te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in deze zaak, nu deze zaak immers is voortgevloeid uit het FIOD-onderzoek naar valsheid in geschrifte en witwassen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het dossier en met name de verklaringen d.d. 30 september 2003 van de getuigen (B) en (C) bij de rechter-commissaris blijkt het volgende.

Op 10 december 2002 heeft de heer (B), die werkzaam was bij het vervoersbedrijf Federal Express (Fedex), een poststuk dat door Fedex was vervoerd van Colombia naar Nederland geopend. Het betrof een enveloppe met een stortingsbewijs van 200 miljoen US-dollar dat was verpakt in een grote Fedex enveloppe.

Artikel 11 van de door Fedex gehanteerde voorwaarden luidt:

" INSPECTION OF SHIPMENTS

Federal Express may, at its option, or at the request of governmental authorities, open and inspect any Shipment at any time."

Artikel 26 van de Douanewet bepaalt dat brieven, die zijn toevertrouwd aan enige instelling van vervoer zonder goedvinden van de afzender of de geadresseerde slechts geopend mogen worden, indien de rechter-commissaris in de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de brief is aangetroffen, daartoe bevel heeft gegeven. De rechtbank leidt hieruit af dat een bevel van de rechter-commissaris achterwege kan blijven, indien toestemming van de afzender tot opening is gegeven.

Volgens voormelde getuige (C) was de airwaybill betreffende het onderhavige poststuk ingevuld en ging hij er vanuit dat (B) gerechtigd was tot opening van het betreffende poststuk. De rechtbank is van oordeel dat de afzender door een poststuk te laten vervoeren door Fedex en de daarvoor bestemde airwaybill in te vullen, waarin wordt verwezen naar de door Fedex gehanteerde contractuele voorwaarden, instemt met de opening van het onderhavige poststuk door Fedex. De heer (B) was derhalve bevoegd om meergenoemd poststuk te openen en heeft daarbij niet onrechtmatig gehandeld. Dat hij dit aan de hand van een selectie van de douane en in het bijzijn van een douaneambtenaar heeft gedaan doet daaraan niet af, aangezien de douane deze bevoegdheid ontleent aan artikel 26 van de Douanewet.

De stelling van de raadsman dat de heer (A), teamleider FIOD/ECD, onbevoegd gebruik heeft gemaakt van deze brief - door een kopie van die brief te faxen naar een collega in Haarlem - vindt geen steun in het recht, aangezien er geen wettelijke plicht bestaat tot inbeslagname in dit geval.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het Openbaar Ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.1 Bewijs

De voorgaande verweren heeft de raadsman ook ten grondslag gelegd aan zijn stelling dat de inhoud van de Fedex-enveloppe en al het daarop volgende bewijs voor het bewijs in deze zaak moet worden uitgesloten.

Gelet op het voorgaande wordt ook dit verweer door de rechtbank verworpen.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 01 oktober 2002 tot en met 14 december 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij in de periode van 01 oktober 2002 tot en met 03 februari 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie van natuurlijke personen, welke organisatie

tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het invoeren in Nederland van hoeveelheden cocaïne en/of het plegen van voorbereidingshandelingen daartoe.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten leveren op:

1.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A (oud) van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2.

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bij de bepaling van de strafsoort en -duur heeft de rechtbank meer in het bijzonder het navolgende overwogen.

Verdachte is meermalen, te weten op 27 oktober, 3, 8, 22 november en 14 december 2002, samen met anderen betrokken geweest bij de invoer van grote hoeveelheden cocaïne in Nederland, vanuit Venezuela. Daarnaast heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne in Nederland.

Een en ander geschiedde in het kader van een criminele organisatie die uit winstbejag opereerde en waarin verdachte een belangrijke rol vervulde. De criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte bestond uit één of meer personen in Venezuela en een groep personen in Nederland. Verdachte onderhield daarbij de contacten met het buitenland. Hij kreeg per fax gegevens door vanuit het buitenland; die gegevens betroffen de naam van de koerier, het aantal kilogrammen cocaïne dat in de koffer van de koerier zou zitten, het nummer van het bijbehorende bagagelabel en het type of de kleur van de koffer. Om de gegevens en de gang van zaken te bespreken werden regelmatig bijeenkomsten in hotels en restaurants belegd, waarbij verdachte steeds aanwezig was. De gegevens werden door verdachte vervolgens doorgegeven aan de medeverdachten (D) en (E), die deze gegevens op hun beurt weer doorgaven aan (F) en/of (G), die contacten onderhielden met een Schipholmedewerker, die de bewuste cocaïne uit de bagagekelder van Schiphol moest halen. Verdachte heeft (E) en (F) voorzien van een mobiele telefoon, waarmee zij onderling en met verdachte contact hielden over de onderhavige cocaïnetransporten. Op deze wijze was verdachte in Nederland de belangrijkste schakel in de keten van personen die verantwoordelijk was voor het op professionele wijze invoeren van cocaïne vanuit het buitenland. Voorts valt verdachte ook aan te merken als de persoon die zorgde voor de verdere afzet van de cocaïne in Europa. Verdachte kan daarom worden beschouwd als een spin in het web van deze organisatie.

Aldus heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van een markt voor drugs in Europa, in het bijzonder in Nederland. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Ook gaat de handel in cocaïne vaak gepaard met geweldscriminaliteit. Bovendien heeft cocaïne een verloederende uitwerking op de maatschappij.

De rechtbank houdt tevens ten nadele van verdachte rekening met het feit dat verdachte, blijkens een register uit Der Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof, in 1995 door de Duitse rechtbank is veroordeeld tot 3,5 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van handel in verdovende middelen.

Bij de beslissing over de op te leggen straf heeft de rechtbank er tevens ten nadele van verdachte rekening mee gehouden, dat verdachte heeft erkend zich te hebben schuldig gemaakt aan het strafbare feit, opgenomen op de dagvaarding in de ter informatie bij het dossier gevoegde zaak met het parketnummer 15/094188-02. De rechtbank gaat er vanuit dat de officier van justitie verdachte hiervoor niet meer zal vervolgen.

Gegeven de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is een gevangenisstraf van na te melden duur op haar plaats.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47, 57, 140 van het Wetboek van Strafrecht;

2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TIEN jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Boekhoudt, voorzitter,

mrs. Don en Van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Wu,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 november 2003.