Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AN7521

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-03-2003
Datum publicatie
05-11-2003
Zaaknummer
82961/02
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2003:AO7481
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het op 1 april 1998 in werking getreden nieuwe afstammingsrecht (Wet van 24 december 1997, Stb. 772) bepaalt in artikel 1: 200 lid 6 BW dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning vaderschap bij de rechtbank wordt ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de echtgenoot van zijn moeder vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2003, 38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE HAARLEM

Zaaknummer : [zaaknummer]

Datum beschikking : [datum]

ontkenning vaderschap

BESCHIKKING MEERVOUDIGE KAMER VOOR FAMILIEZAKEN

in de zaak van :

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: verzoekster

procureur mr. P. Heidinga.

1 Verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- het op [datum] ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- de op [datum] ontvangen conclusie van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem strekkende tot toewijzing van het verzoek;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van [datum].

1.2 De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.

2 De feiten en omstandigheden

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:

2.1 Verzoekster is op [geboortedatum] geboren staande het huwelijk van [naam moeder] (hierna: de moeder) en [naam vader] (hierna: de juridische vader). De biologische vader van de vrouw is [naam biologische vader], met wie de moeder tijdens haar huwelijk een kortdurende relatie heeft gehad.

2.2 Verzoekster is opgegroeid in het gezin van haar moeder en juridische vader als derde van zes kinderen. Haar juridische vader heeft haar opgevoed als een eigen kind. Vanaf haar zeventiende jaar wist verzoekster dat haar juridische vader niet haar biologische vader was. Toen zij zevenentwintig jaar oud was heeft zij haar biologische vader voor het eerst ontmoet. In de jaren daarna zijn contacten met de biologische vader geleidelijk aan steeds intensiever geworden.

2.3 De juridische vader van verzoekster is op [datum] overleden.

2.4 Op [datum] heeft verzoekster een notariële akte laten verlijden waarin zij het vaderschap van de juridische vader ontkent en de biologische vader het vaderschap over verzoekster, met haar toestemming, erkent. De moeder van verzoekster alsmede de echtgenote van de biologische vader hebben ten overstaan van de notaris het verzoek van verzoekster ondersteund.

3 Het verzoek

3.1 Verzoekster verzoekt de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader gegrond te verklaren, zulks met het oog op de mogelijkheid tot erkenning door haar biologische vader.

3.2 Verzoekster heeft aan haar verzoek behoudens het feit dat haar juridische vader niet haar biologische vader is, verkort en zakelijk weergegeven het volgende ten grondslag gelegd.

Zij heeft al jaren een nauwe persoonlijke band met haar biologische vader en diens echtgenote.

De laatste tien jaren is het contact even intensief als in een normale goede ouder-kindrelatie. Ook met de familie van de biologische vader zijn betrekkingen ontstaan. Tweemaal bezocht zij een reünie van de familie [naam familie], waarbij zij en haar kinderen in de daar gepresenteerde genealogie werden vermeld als nazaten van de biologische vader. Haar oudste kind heeft zij na overleg met de juridische vader vernoemd naar de biologische vader.

Tot het overlijden van haar juridische vader met wie zij een hechte relatie had en die zij erkentelijk is voor het feit dat hij haar als een eigen kind heeft opgevoed, is bij verzoekster nooit de gedachte gerezen om diens vaderschap te ontkennen. Eerst nadien is er ruimte gekomen en de wens gegroeid de band met haar biologische vader juridisch te formaliseren. Dit is ook de wens van haar biologische vader. Voor de biologische vader speelt daarbij een rol dat zijn huwelijk kinderloos is gebleven; voor verzoekster zou het vestigen van afstammingsbanden met de biologische vader een bevestiging betekenen van haar wortels en haar identiteit.

3.3 Verzoekster erkent dat zij haar verzoek niet heeft ingediend binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn, doch stelt zich op het standpunt dat niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege dient te blijven, nu het vasthouden aan voormelde termijn in dit concrete geval in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Verdrag van 4 november 1950, Trb. 1951, 154, hierna te noemen: EVRM). Verzoekster beroept zich hierbij op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Europese Hof) van 27 oktober 1994 (NJ 1995, 248) in de zaak Kroon, waarin naar haar mening een vergelijkbare situatie aan de orde was, en op de gedachte achter het in 1998 ingevoerde nieuwe afstammingsrecht om zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij de natuurlijke afstamming.

Voorts voert zij aan dat op grond van voormeld artikel 8 EVRM een beperking van het recht op eerbiediging van iemands gezinsleven slechts mogelijk indien deze beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. Daarvan is, aldus verzoekster, in dit concrete geval geen sprake. Het belang van de rechtszekerheid dat blijkens de parlementaire geschiedenis bij de in 1998 ingevoerde afstammingswetgeving aan het stellen van termijnen ten aanzien van de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap ten grondslag ligt, wordt niet geschaad. Immers alle belanghebbenden, te weten verzoekster, de biologische vader en de moeder van verzoekster wensen de ontkenning van het vaderschap.

4 Beoordeling

4.1 Onder het tot 1 april 1998 geldende afstammingsrecht bestond voor het kind niet de mogelijkheid het vaderschap van zijn juridische vader te ontkennen.

4.2 Het op 1 april 1998 in werking getreden nieuwe afstammingsrecht (Wet van 24 december 1997, Stb. 772) bepaalt in artikel 1: 200 lid 6 BW dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning vaderschap bij de rechtbank wordt ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de echtgenoot van zijn moeder vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

4.3 Artikel II lid 3 van het overgangsrecht bij voormelde wet bepaalt dat een kind aan wie tijdens de meerderjarigheid bekend is geworden en op het moment van inwerkingtreding van de wet bekend is dat de man die op het tijdstip van zijn geboorte de echtgenoot van zijn moeder was, vermoedelijk niet zijn biologische vader is, gedurende een termijn van drie jaren te rekenen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de wet een verzoek tot ontkenning van het vaderschap kan doen overeenkomstig de bepalingen van de wet.

4.4 Naar het oordeel van de rechtbank vormt voormelde overgangbepaling het op het verzoek toepasselijke recht, nu deze bepaling bedoeld is voor gevallen waarin onder de oude regeling geen mogelijkheid tot ontkenning bestond en de termijnen van de nieuwe regeling zijn verstreken. Daarbij verdient wel opmerking dat genoemde overgangsbepaling uitsluitend spreekt over het kind dat tijdens de meerderjarigheid bekend is geworden met het feit dat de echtgenoot van zijn moeder vermoedelijk niet zijn biologische vader is, terwijl verzoekster reeds tijdens haar minderjarigheid hiervan op de hoogte is geraakt, welke situatie naar de letterlijke tekst niet onder de overgangsbepaling valt. De rechtbank is evenwel, gelet op de strekking van het overgangsrecht, te weten om de kinderen die tot dan toe niet beschikten over de mogelijkheid het vaderschap van hun juridische vader te ontkennen, alsnog die mogelijkheid te geven gedurende de in de wet opgenomen overgangstermijn, van oordeel dat dit ontbreken niet berust op een welbewuste keuze van de wetgever, maar als een kennelijk omissie dient te worden beschouwd. Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat ook voor kinderen in de situatie van verzoekster geldt dat zij op grond van het overgangsrecht tot drie jaren na de inwerkingtreding van de wet in de gelegenheid zijn gesteld het vaderschap van hun juridische vader te ontkennen. Deze termijn was ten tijde van de indiening van het verzoek verstreken.

Indien aangenomen moet worden dat het sinds 1 april 1998 geldende artikel 1:200, lid 6 BW op het onderhavige verzoek van toepassing is, gelijk verzoekster heeft gedaan, geldt eveneens dat het verzoek is gedaan na afloop van de daarvoor gestelde termijn.

De termijnoverschrijding wordt door verzoekster erkend.

4.5 De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verzoekster terecht heeft aangevoerd dat niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege dient te blijven in verband met het bepaalde in artikel 8 EVRM. Daarbij heeft zij een beroep gedaan op het Kroon-arrest van het Europese Hof, in het bijzonder op de overweging dat respect voor het familie- en gezinsleven vereist dat de biologische en sociale werkelijkheid gaat boven een wettelijke presumptie inzake het vaderschap indien deze in flagrante botsing komt met de vaststaande feiten en ingaat tegen de wensen van alle betrokkenen zonder dat iemand daar werkelijk profijt van heeft.

4.6 De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het Kroon-arrest in zoverre niet opgaat dat de situatie van verzoekster wezenlijk verschilt van die welke in genoemd arrest aan de orde was. In dat arrest ging het om een situatie waarin de juridische vader de band met de moeder al voor de geboorte van het kind verbroken had en de uitoefening van het familie- en gezinsleven feitelijk plaatsvond met de biologische vader. Verzoekster daarentegen heeft vanaf haar geboorte in

gezinsverband geleefd met haar moeder en juridische vader, samen met haar broertjes en zusjes. Er is derhalve een jarenlang en daadwerkelijk uitgeoefend family-life geweest tussen verzoekster en haar juridische vader. Tegelijk met dit family-life heeft verzoekster later in haar leven family-life gekregen met haar biologische vader. Van een wettelijke presumptie van vaderschap die in flagrante botsing komt met de biologische en sociale werkelijkheid kan naar het oordeel van de rechtbank in deze situatie niet gesproken worden, nu het vaderschap van de juridische vader niet botst met de sociale werkelijkheid.

4.7 Voor zover het beroep van verzoekster op het Kroon-arrest er meer in zijn algemeenheid toe strekt te betogen dat waar tussen een kind en zijn biologische vader family-life bestaat, uit artikel 8 EVRM voortvloeit dat zij er in beginsel recht op hebben dat die relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke relatie, hetgeen onder invloed van het Kroon-arrest ook in het Nederlandse afstammingsrecht tot uitgangspunt is gekozen deelt de rechtbank het standpunt van verzoekster dat de beperking in de tijd die het Nederlandse recht in artikel 1:200 lid 6 BW en het daarbij behorende overgangsrecht stelt aan de mogelijkheid van ontkenning van het vaderschap van de juridische vader en daarmee aan het kunnen vestigen van een afstammingsrelatie met de biologische vader een inmenging vormt in het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven.

4.8 Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of verzoekster gevolgd moet worden in haar standpunt dat in dit geval sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, EVRM.

4.9 Verzoekster stelt terecht dat de termijn in artikel 1: 200 lid 6 BW door de wetgever is gesteld uit het oogpunt van rechtszekerheid. Voor het bij artikel 1: 200 lid 6 behorende overgangsrecht dat een eenmalige inhaalslag beoogt te zijn, kan hetzelfde worden aangenomen. De staatssecretaris van Justitie heeft bij de parlementaire behandeling (in de Eerste Kamer) van het wetsontwerp dat geleid heeft tot de nieuwe afstammingswetgeving verklaard dat hij in het belang van de rechtszekerheid de termijnen heeft kunnen stellen zonder in strijd te komen met de verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM. Verzoekster stelt allereerst dat de arresten waarnaar de staatssecretaris in dat verband heeft verwezen, te weten het arrest van het Europese Hof van 28 november 1984, NJ 1986/4, in de zaak Rasmussen en het arrest van de Hoge Raad van 17 september 1993, NJ 1994/372 gewezen zijn voor het arrest in de zaak Kroon en daardoor grotendeels hun waarde hebben verloren, temeer nu in de zaak Kroon een beroep werd gedaan op het belang van de rechtszekerheid, zodat dit belang al is meegewogen bij de beslissing van het Europese Hof.

Voor zover voornoemde arresten nog wel relevant zouden zijn, stelt verzoekster zich op het standpunt dat er een groot verschil is tussen deze zaken en de onderhavige zaak. In genoemde zaken werd het verzoek gedaan door een der ouders en werd de rechtvaardiging van de termijnstelling behalve door verwijzing naar het belang van de rechtszekerheid, gemotiveerd met een beroep op de belangen van het kind. In de onderhavige zaak, waar het kind zelf het verzoek tot ontkenning doet, is het belang van het kind niet aan de orde.

Verzoeksters is van opvatting dat het -resterende- belang van de rechtszekerheid in dit concrete geval niet wordt geschaad, aangezien alle belanghebbenden wensen dat het vaderschap van de juridische vader wordt ontkend.

4.10 Met verzoekster oordeelt de rechtbank dat het 'belang van het kind' in het onderhavige geval niet in het geding is, zodat uitsluitend beoordeeld moet worden of het belang van de rechtszekerheid een rechtvaardiging vormt voor de termijnstelling van artikel 1: 200 lid 6 BW en de daarbij behorende overgangsbepaling en daarmee voor de inmenging in het tussen verzoekster en haar biologische vader bestaande family-life.

4.11 Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Allereerst is de rechtbank van oordeel dat het Kroon-arrest voor de vraag of een termijnstelling met het oog op het belang van de rechtszekerheid geoorloofd is, geen directe betekenis heeft nu die vraag daar niet aan de orde was. Voorts wijst de rechtbank er op dat de Hoge Raad bij arrest van 15 november 2002, JOL 2002, 605 opnieuw heeft uitgesproken dat de wetgever het stellen van de in artikel 1: 200 BW opgenomen termijnen redelijkerwijs kon aanmerken als in een democratische samenleving noodzakelijk teneinde de rechtszekerheid te waarborgen en ter bescherming van de belangen van het kind, zoals de Hoge Raad dat eerder in het door de staatssecretaris van Justitie genoemde arrest van 17 september 1993, NJ 1994/372 had gedaan. Voorts heeft de Advocaat-Generaal in zijn conclusie bij eerdervermeld arrest van 15 november 2002 onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof in de zaak Rasmussen overwogen dat het verbinden van termijnen aan de ontkenning van het vaderschap valt binnen de beleidsvrijheid van de verdragsstaten en geen strijd met artikel 8 EVRM oplevert. Gelet op het vorenstaande deelt de rechtbank niet het standpunt van verzoekster dat de door de staatssecretaris van Justitie bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voor het nieuwe afstammingsrecht aangehaalde arresten als achterhaald dienen te worden beschouwd.

4.12 De rechtbank volgt verzoekster evenmin in haar stelling dat wat er zij van voormelde arresten, in haar geval het belang van de rechtszekerheid niet wordt geschaad, omdat alle belanghebbenden wensen dat het vaderschap van haar juridische vader wordt ontkend. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de per 1 april 1998 ingevoerde nieuwe afstammingswetgeving wordt met betrekking tot de termijnen voor de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap het volgende opgemerkt: Uit een oogpunt van rechtszekerheid zijn er aan de ontkenning van het vaderschap termijnen gesteld. (..) Het stellen van termijnen voorkomt dat nog jaren nadat duidelijk is geworden dat een ander de biologische vader van het kind moet zijn, onzekerheid over het al dan niet ontkennen van het vaderschap en daarmee over de positie van degene die als vader geldt blijft voortduren (Kamerstukken II, 24 649, nr.3, blz. 17)

Voor zover het aldus verwoorde belang van de rechtszekerheid al niet een ruimere strekking heeft dan het waarborgen van de rechtszekerheid van uitsluitend de direct betrokkenen, brengt de omstandigheid dat een van de direct betrokkenen, de juridische vader wiens vaderschap bij toewijzing van het verzoek met terugwerkende kracht tot de geboorte van verzoekster zou vervallen, is overleden en de overblijvende direct betrokkenen -om overigens respectabele redenen- na zijn overlijden allen de wens hebben dat er in de al jaren bestaande situatie inzake het vaderschap van verzoekster wijziging komt, niet met zich dat het belang van de rechtszekerheid, zoals dat verwoord is in de wetsgeschiedenis, niet meer in het geding is dan wel niet wordt geschaad.

4.13 Het belang dat de wetgever heeft gehecht aan de vaststelling en de beperkte duur van de termijnen voor het indienen van een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap blijkt ook uit de verdere parlementaire behandeling.

Een amendement om de termijnen van artikel 1: 200 BW te verruimen, waarbij voor de ouders een termijn van vijf jaar en voor het kind een termijn van tien jaar werd voorgesteld, werd na verzet van de regering ingetrokken. Dit gebeurde nadat de regering een rechtsvergelijkend overzicht had gepresenteerd betreffende de termijnen in ons omringende landen, waaruit bleek dat daar eveneens korte termijnen gelden.

Uitsluitend bij een verzoek tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap -derhalve in de situatie dat een kind nog geen juridische vader heeft, heeft de wetgever er voor gekozen om het kind een onbeperkte termijn te gunnen nu dit voor hem een laatste mogelijkheid is om "vaderschap" te vestigen.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is de vraag gesteld of in het licht van artikel 8 EVRM, artikel 1: 200 BW niet uitgebreid zou moeten worden met een hardheidsclausule "voor die gevallen waarin geen enkel belang gediend is met het stellen van een termijn." Hierop heeft de regering ontkennend geantwoord.

4.14 Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot het belang van de rechtszekerheid zowel in algemene zin als in dit concrete geval is overwogen en in aanmerking nemende dat het belang van de rechtzekerheid in de rechtspraak van het Europese Hof en de Hoge Raad is aanvaard als een grond die een inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM kan rechtvaardigen, vormt de termijnstelling van artikel 1: 200 lid 6 BW en het daarbij behorende overgangsrecht in verzoeksters geval niet een ongeoorloofde inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, EVRM. Dit leidt tot het oordeel dat verzoekster wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van haar juridische vader.

5 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Aldus gegeven door mr. J.G. Kok, als voorzitter en mrs. A.J. Milius en E.A. Mink als leden van deze kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.