Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AM2850

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
27-10-2003
Zaaknummer
190894 / CV EXPL 02-9254
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Werknemer vordert een schadevergoeding wegens zuiver psychisch letsel nu werkgever is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen. Werknemer baseert zijn vordering op artikel 7:658 BW en artikel 7:611 BV.

De kantonrechter is van oordeel dat artikel 7: 658 BW - gelet op de wetsgeschiedenis - alleen ziet op lichamelijk letsel. Dat betekent dat de in casu gevorderde schadevergoeding voor psychisch letsel, temeer nu dit het gevolg is van bejegening door de werkgever, buiten het bereik van artikel 7: 658 BW valt.

Met betrekking tot de toetsing aan artikel 7:611 BW overweegt de kantonrechter dat het eenvoudig weg onvermijdelijk was dat samenvoeging van de vier vestigingen ingrijpende gevolgen zou hebben voor de vier hoofden magazijn. De door werkgever gekozen tijdelijke oplossing kan niet als zodanig onjuist, onredelijk of onbehoorlijk jegens werknemer worden aangemerkt dat dit de conclusie rechtvaardigt dat werkgever in deze haar verplichtingen ten opzichte van werknemer als goed werkgever niet zou zijn nagekomen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2003/188 met annotatie van Mr. M.S.A. Vegter
Prg. 2003, 6075
JAR 2003, 188
VR 2004, 10

Uitspraak

Zaaknummer: 190894 / CV EXPL 02-9254

Datum uitspraak: 18 juni 2003

Rechtbank Haarlem

Sector Kanton, locatie Haarlem

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: Mr. W.A. van Veen

tegen:

De besloten vennootschap Groothandel in Tabaksartikelen Van der Laan B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

verder ook te noemen Van der Laan,

gedaagde partij,

gemachtigde: H. Terhoeven.

1. Verloop van de procedure

[eiser] heeft bij dagvaarding van 28 november 2002 een vordering tegen Van der Laan ingesteld. Van der Laan heeft geantwoord op de vordering.

Naar aanleiding van de rolbeschikking van 5 maart 2003 heeft [eiser] voor repliek geconcludeerd en Van der Laan voor dupliek.

Hierna is uitspraak bepaald.

Van der Laan heeft bij dupliek nog producties in het geding gebracht. [eiser] heeft op die producties niet kunnen reageren. Aangezien die producties voor het beoordelen van de zaak niet van belang zijn, is er geen noodzaak [eiser] alsnog in de gelegenheid te stellen daarop te reageren; [eiser] is immers niet geschaad in zijn verdediging.

2. De vordering

2.1 [eiser] vordert -kort samengevat - veroordeling van Van der Laan tot betaling van

€ 45.113,03 (€ 33.113,03 schadevergoeding en € 12.000,-- immateriële schadevergoeding) vermeerderd met wettelijke rente, alsmede € 2.129,75 (buitengerechtelijke incassokosten), met veroordeling van Van der Laan in de proceskosten. De vordering is vervolgens vermeerderd met € 1.815,12 netto ( 40-jarig jubileumuitkering), alsmede met de wettelijke verhoging en wettelijke rente hierover.

2.2 Ter toelichting op de vordering heeft [eiser] - kort samengevat - het volgende gesteld.

Van der Laan is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen ex artikel 7: 658 BW en artikel 7: 611 BW. Als gevolg hiervan is [eiser] arbeidsongeschikt (wegens psychische klachten) en niet in staat een normaal leven te leiden. Van der Laan is aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de arbeidsongeschiktheid. Het verlies aan arbeidsvermogen resulteert in een inkomstenderving (vanaf april 1999 tot april 2007) van

€ 33.113,03. Het verlies aan levensvreugde (krenking door Van der Laan, leeftijd, aantasting van eer en goede naam, onmogelijkheid om een gewoon gelukkig leven te leiden) resulteert in een smartengeld van € 12.000,--.

Op grond van het Huishoudelijk Reglement heeft een werknemer aanspraak op een (netto)jubileum uitkering ter grootte van een bruto maandsalaris.

3. Het verweer

Van der Laan voert - kort samengevat - het volgende verweer. Zij betwist dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van artikel 7:658 en 7:611 BW en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de in het kader van het dienstverband verrichte werkzaamheden en de arbeidsongeschiktheid. Zij stelt verder dat psychische schade niet valt onder het regime van art. 7: 658 BW. Zij betwist dat [eiser] niet in staat is een normaal leven te leiden en zij bestrijdt de hoogte van de gestelde inkomensschade.

Tevens betwist zij gehouden te zijn tot uitbetaling van de jubileumuitkering.

4. De feiten

De volgende feiten zijn komen vast te staan omdat deze zijn erkend, dan wel omdat deze niet, althans onvoldoende, zijn betwist.

4.1 [eiser] ([geboortedatum]) is op 17 september 1962 in dienst getreden bij fa Gebr. De Jong als magazijnmedewerker. In de loop der tijd heeft [eiser] diverse promoties gemaakt. Laatstelijk was hij werkzaam als magazijnchef/magazijncoördinator (aldus Van der Laan), althans lid van het managementteam (aldus [eiser]).

4.2 Het laatstgenoten salaris bedraagt ƒ 3.794,23 bruto per maand (aldus [eiser]), althans

ƒ 3520,95 bruto per vier weken (aldus Van der Laan).

4.3 Op 1 april 1987 heeft Van der Laan fa Gebr. De Jong overgenomen. In 1990 is nieuwe huisvesting in gebruik genomen. In 1991 heeft Van der Laan nog een ander bedrijf overgenomen.

4.4 In de zomer van 1991 is [eiser] gedurende twee maanden arbeidsongeschikt geweest wegens overbelasting.

4.5 Omstreeks 1994 (aldus Van der Laan), althans 1997 (aldus [eiser]) is door Van der Laan besloten haar vestigingen te Amsterdam, Delft, Utrecht en Den Haag samen te voegen en te huisvesten in een nieuw te bouwen distributiecentrum te Hoofddorp. Dit is gefaseerd gerealiseerd; de vestigingen te Amsterdam (de grootste) en Delft zijn als eerste verhuisd; vervolgens de vestiging Den Haag en als laatste de vestiging Utrecht. In april 1997, dan wel juli 1997, is de vestiging Den Haag verhuisd naar Hoofddorp.

4.6 [eiser] heeft zich in september 1997 ziek gemeld. In oktober/november 1997 heeft hij

het werk op arbeid therapeutische basis (parttime) hervat. Per 2 februari 1998 is hij volledig hersteld verklaard. Hierna heeft hij aangepaste werkzaamheden (controle werkzaamheden) verricht.

4.7 Op 20 april 1998 heeft [eiser] zich wederom ziek gemeld. Sedertdien heeft hij het werk niet meer hervat. Ingaande 19 april 1999 is [eiser] een WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% tot 100 %. Dit percentage is sedertdien ongewijzigd gebleven. Tot 19 april 2002 ontving [eiser] een loongerelateerde uitkering; sinds 19 april 2002 ontvangt hij een vervolguitkering.

4.8 Van der Laan heeft de WAO-uitkering aangevuld conform de CAO-regeling. Vanaf het derde WAO-jaar vult Van der Laan de WAO-uitkering aan tot 70% van het laatstgenoten salaris tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Deze aanvulling wordt jaarlijks verhoogd met 2 %.

4.9 Medio februari 2002 heeft [eiser] een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter te Haarlem. In deze procedure heeft [eiser] toekenning van een vergoeding verzocht van € 442.943,39. Bij beschikking van 16 april 2002 is de arbeidsovereenkomst ontbonden zonder toekenning van een vergoeding. [eiser] heeft zijn verzoek vervolgens ingetrokken.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 De kantonrechter constateert dat [eiser] schadevergoeding vordert voor zuiver psychisch letsel (d.w.z. niet lichamelijk letsel) als gevolg van de manier waarop hij gedurende een reeks van jaren door Van der Laan is bejegend. De kantonrechter is van oordeel dat artikel 7: 658 BW - gelet op de wetsgeschiedenis - alleen ziet op lichamelijk letsel. Dat betekent dat de in casu gevorderde schadevergoeding voor psychisch letsel, temeer nu dit het gevolg is van bejegening door de werkgever, buiten het bereik van art. 7: 658 BW valt.

5.2 Resteert de toetsing aan artikel 7:611 BW.

[eiser] stelt dat hij in de periode 1990/1991 gedurende vier maanden elf uur of meer achtereen gewerkt heeft gedurende zes dagen (inclusief zaterdag) van de week. Vanaf juli 1994 tot aan de verhuizing naar Hoofddorp (medio 1997) heeft hij " gedurende vele maanden 10 à 11 uur per dag gewerkt". Voorts stelt [eiser] dat deze buitensporige werktijden hebben geleid tot zijn arbeidsongeschiktheid.

5.3 De kantonrechter constateert dat [eiser] met betrekking tot de aard van zijn arbeidsongeschiktheid slechts twee producties heeft overgelegd ter staving van zijn stellingen. Dit betreft een rapportage van het RIAGG Zuidhage van 19 januari 1998 en een rapportage (genoemd "rapportage algemeen") van GAK Nederland BV van 5 januari 1999, die is opgesteld door een verzekeringsarts. Deze laatste rapportage betreft - kennelijk - een onderzoek in het kader van de vaststelling van de rechten van [eiser] op een WAO-uitkering. In beide rapportages wordt uitsluitend een relatie gelegd tussen de verhuizing van de vestiging naar Hoofddorp (vanuit Den Haag) en de gevolgen hiervan voor [eiser] (onduidelijkheid over inhoud functie, hiërarchische positie binnen de organisatie die tot psychische druk en arbeidsongeschiktheid hebben geleid). Beide rapportages gaan uit van een spoedig herstel en werkhervatting. In geen van beide rapportages wordt een relatie gelegd tussen de lange werkdagen en de arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te concluderen, of zelfs maar aannemelijk te maken, dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de gestelde (en overigens betwiste) lange werktijden en de (kennelijk definitieve) arbeidsongeschiktheid van [eiser].

5.4 [eiser] stelt voorts dat Van der Laan als (goed) werkgever is tekortgeschoten door hem na de periode van arbeidsongeschiktheid in 1991 (juli en augustus 1991) niet onmiddellijk terug te plaatsen in zijn functie van "Hoofd Magazijn". Uit de overgelegde stukken blijkt dat tussen [eiser] en Van der Laan enige tijd voor de uitval (wegens overbelasting) is gesproken over de werkverdeling/werkbelasting. Het gespreksrapport van 6 mei 1991 bevat de volgende passage: "Besproken is de werkverdeling in het magazijn. In de loop v.d. jaren is R. [eiser] meerdere malen het slachtoffer (stress) geworden van zijn inzet en betrokkenheid in onze onderneming.

Het lijkt [X] raadzaam om een deel van de taak van HRD over te laten aan anderen. In de praktijk blijkt dit beter te werken".

(…)

Voorlopig gaat hij in het magazijn controlewerkzaamheden uitvoeren e.e.a. met behoud van functie en functiewaardering".

Bij brief van 26 augustus 1991 heeft [eiser] geprotesteerd tegen het wegnemen van een deel van zijn werkzaamheden. In het gespreksrapport van 24 december 1991 (dat door [eiser] voor ontvangst is ondertekend) staat: "Het feitelijke leidinggeven in het magazijn maakt in de vestiging Den Haag geen deel meer uit van de taak van HRD. In het belang van het bedrijf en betrokken medewerkers is tot deze maatregel besloten".

5.5 Uit de overgelegde bescheiden leidt de kantonrechter af dat de aanleiding tot de wijziging van het takenpakket van [eiser] (in 1991) niet zijn afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid is geweest, doch dat er voordien al sprake was van gewenste/beoogde wijzigingen van taken en verantwoordelijkheden van de door [eiser] uitgeoefende functie. Weliswaar heeft [eiser] hiertegen op 26 augustus 1991 geprotesteerd, doch in het verslag d.d. 24 december 1991 staat niets omtrent een (nog resterend) bezwaar of protest van [eiser]. Indien [eiser] de wijziging van het takenpakket toen nog steeds als een onterechte maatregel zou hebben ervaren, zou dit - naar mag worden aangenomen - in dit verslag zijn vermeld.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te komen tot de conclusie dat sprake is van een oorzakelijk verband tussen dit feitencomplex (in 1991) en de (kennelijk) definitieve uitval van [eiser] in 1997, hetgeen temeer klemt nu [eiser] volgens zijn eigen stelling in 1994 weer in zijn positie van Hoofd van het magazijn is hersteld.

5.6 [eiser] stelt verder dat Van der Laan bij de gang van zaken rondom de verhuizing naar Hoofddorp (medio 1997) ernstig tekortgeschoten is als (goed) werkgever door [eiser] in onzekerheid te laten over zijn positie in de organisatie na de samenvoeging van vier vestigingen in het nieuwe distributiecentrum te Hoofddorp.

Van der Laan heeft hieromtrent gesteld dat zij destijds heeft gekozen voor een tijdelijke oplossing. Die tijdelijke oplossing bestond eruit dat het magazijn zou worden geleid door twee "koppels" ([eiser] / [koppelgenoot A] en [koppel 2]). In de lezing van Van der Laan is in periode medio juli 1997 tot begin september 1997 (toen [eiser] zich arbeidsongeschikt meldde) op deze wijze gewerkt. De reden voor deze oplossing was dat het ging om een samengaan van vier afzonderlijke vestigingen met elk een eigen werkcultuur en werkwijze, die tezamen een aanmerkelijk grotere en complexere organisatie zouden gaan vormen dan de vier afzonderlijke magazijnen. Voorts stelt Van der Laan dat hierover overleg met de betrokken magazijn hoofden (waaronder [eiser]) is gevoerd. Deze gang van zaken is niet door [eiser] betwist.

5.7 Uit de overgelegde bescheiden ter zake de arbeidsongeschiktheid van [eiser] blijkt dat de onzekerheid over zijn toekomstige positie binnen de vestiging te Hoofddorp zeer belastend voor hem is geweest. De kantonrechter is echter van oordeel dat, gelet op de over deze periode verstrekte informatie, niet geconcludeerd kan worden dat Van der Laan jegens [eiser] is tekortgeschoten als goed werkgever. Immers, het is duidelijk dat de samenvoeging van de vier vestigingen ingrijpende consequenties zou hebben voor de vier betrokken Hoofden Magazijn. Dat was eenvoudigweg onvermijdelijk. Hiervoor treft Van der Laan geen verwijt. De handelwijze van Van der Laan (het kiezen voor een tijdelijke oplossing in die zin dat alle vier betrokken functionarissen - Hoofd Magazijn - gezamenlijk verantwoordelijkheid zouden dragen voor het magazijn) kan niet als zodanig onjuist, onredelijk of onbehoorlijk jegens [eiser] worden aangemerkt dat dit de conclusie rechtvaardigt dat Van der Laan in deze haar verplichtingen ten opzichte van [eiser] als goed werkgever niet zou zijn nagekomen. Kortom, het betrof een cruciaal moment in de carrière van [eiser] (dat voorspelbaar tot een spannende periode voor hem en zijn drie collega's zou leiden) waarvan de spanning hem kennelijk teveel is geworden. Echter, uit de beschikbare informatie kan de kantonrechter niet concluderen dat Van der Laan jegens [eiser] duidelijk tekort is geschoten. De vordering, gebaseerd op schending van het goed werkgeversschap, wordt derhalve afgewezen.

5.8 Met betrekking tot de gevorderde jubileum uitkering constateert de kantonrechter dat Van der Laan in dupliek niet heeft betwist dat in haar Huishoudelijk Reglement de rechten op een jubileumuitkering (bij een 40-jarig dienstverband) zijn vastgelegd. De kantonrechter verbindt hieraan de conclusie dat Van der Laan haar verweer tegen de vordering van [eiser] prijsgeeft. De gevorderde jubileum uitkering zal worden toegewezen. De wettelijke verhoging wordt vastgesteld op 20 %, zijnde € 363,02. De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.178,14 netto.

5.9 Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd behoeft geen bespreking, aangezien de beslissing daardoor niet anders wordt.

5.10 [eiser] dient als de meest in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure veroordeeld te worden.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Van der Laan om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 2.178,14 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2002 tot de dag van voldoening;

- veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Van der Laan, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.090,-- aan salaris gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Stolp, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op bovengenoemde datum.