Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AL6245

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-10-2003
Datum publicatie
02-10-2003
Zaaknummer
94962 - KG ZA 03-453
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Regiopolitie Kennemerland is op basis van met Bergingsbedrijven gesloten overeenkomsten in kort geding veroordeeld om bergingsopdrachten op het onderliggende wegennet aan deze bedrijven te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 94962/KG ZA 03-453

Vonnisdatum: 2 oktober 2003 (bij vervroeging)

303/CW

RECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTO- EN BERGINGSBEDRIJF VAN DEN BOOGAARD B.V.,

gevestigd ten kantoorhoudende te Beverwijk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BERGINGSCENTRALE H. VAN DER VLIET B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Abbenes, gemeente Haarlemmermeer,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A. MORSCH EN ZONEN B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SMITS KRAAN- EN SLEEPBEDRIJF B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Haarlem,

eisende partij,

procureur mr. R. Mulder,

advocaat mr. A.J. Braakman te Leiden,

-- tegen --

de krachtens artikel 21 van de Politiewet 1993 rechtspersoonlijkheid bezittende regio

REGIOPOLITIE KENNEMERLAND,

zetelende te Haarlem,

gedaagde partij,

verschenen bij daartoe bijzonder gevolmachtigde mr. J. Nijland.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Bergingsbedrijven respectievelijk de Regiopolitie.

1. Het verloop van het geding

1.1 Ter terechtzitting van 16 september 2003 hebben de Bergingsbedrijven overeenkom-stig de dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna onder 3. weergegeven en die vor-dering toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities. De Regiopolitie heeft te-gen deze vordering verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.2 Na verder debat in tweede termijn hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op 3 oktober 2003 of zoveel eerder als mogelijk.

2. De vaststaande feiten

In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

a. De Bergingsbedrijven houden zich bezig met het takelen, bergen en tijdelijk op-slaan van voertuigen die als gevolg van een ongeval of anderszins zijn gestrand.

b. Tussen de Regiopolitie en ieder van de Bergingsbedrijven zijn - inhoudelijk gro-tendeels gelijkluidende - overeenkomsten d.d. 11 december 1995 gesloten (hierna aan te duiden als 'de Overeenkomsten'). De considerans van de Overeenkomsten luidt onder meer als volgt:

(…)

Overwegende dat het van belang is voor de uitvoering van de politietaken dat voertuigen van derden worden overgebracht ter berging of veiligstelling;

Overwegende dat deze overbrenging van voertuigen op elk gewenst ogenblik en op professio-nele wijze moet kunnen plaatsvinden en dat betrouwbare berging en bewaring, gezien de ver-antwoordelijkheid van de politie, voldoende moet zijn gewaarborgd;

Gezien het feit dat het bergingsbedrijf over de mogelijkheden beschikt ter realisering van ge-noemde doelstellingen en dat partijen d.m.v. deze overeenkomst daaraan gezamenlijk onder nader te omschrijven bedingen uitvoering wensen te geven:

Voorts bevatten de Overeenkomsten onder meer de volgende bedingen:

1. De politie verbindt zich tegenover het bergingsbedrijf gedurende de termijn dat de over-eenkomst van kracht is de ter uitvoering van haar taken noodzakelijke verplaatsingen en overbrengingen van voertuigen van derden, te laten uitvoeren door het bergingsbedrijf. Het gebied waarin de berger ingeschakeld wordt is aangegeven op de kaart welke als bij-lage 3 bij de overeenkomst is gevoegd.

(…)

5. De weggesleepte voertuigen zullen - in principe - worden overgebracht naar het terrein van het bergingsbedrijf.

(…)

12. Het bergingsbedrijf treedt met betrekking tot de onder haar beheer aanwezige voertuigen, die op verzoek van de politie zijn overgebracht, op als zaakwaarnemer van de politie.

13. De door de politie in beslag - of in bewaring genomen voertuigen of annexe zaken worden maximaal 90 dagen na de overbrenging opgeslagen op het terrein van het bergingsbedrijf en door dit bedrijf beheerd.

14. Vervolgens worden de onder 13 bedoelde voertuigen/zaken op kosten van het bergingsbe-drijf overgebracht naar een door de politie aangewezen terrein binnen de regio.

(…)

23. Door het bergingsbedrijf zullen gedurende de eerste 30 dagen, dat een voertuig zich op het terrein van het bergingsbedrijf bevindt, geen stallingskosten aan de politie in rekening worden gebracht. Vervolgens zal een bedrag (geldende het VBS tarief) per dag aan stal-lingskosten aan de politie in rekening worden gebracht.

(…)

24. Deze overeenkomst gaat in op 1 januari 1996 en eindigt op 1 juli 1996.

In de maand voorafgaand aan de beëindiging van de overeenkomst zullen beide partijen zich beraden over de voortzetting van de overeenkomst. Indien zij daartoe besluiten wordt de overeenkomst verlengd voor een periode van 5 jaar en vervolgens stilzwijgend voort-gezet voor perioden van gelijke duur na het verstrijken van de vorige, tenzij een der partij-en uiterlijk 3 maanden voor het verstrijken van de vijfjaars-periode de overeenkomst bij aangetekend schrijven heeft opgezegd.

Ingevolge laatstgenoemd (verlengings)beding moeten de Overeenkomsten worden geacht stilzwijgend te zijn verlengd tot 1 juli 2006.

c. In een e-mailbericht d.d. 25 augustus 2003 van de statutair directeur van eiseres sub 1 aan diens raadsman wordt de totstandkoming van de Overeenkomsten als volgt toegelicht:

(…)

Al sinds jaren gaf de politie de opdrachten voor de bergingsopdrachten aan onze bedrijven.

Indien een berging een 'niet politie berging' betrof werden de kosten door ons t.b.v. de politie op de eigenaar of diens verzekeraar verhaald.

Om deze kosten te verhalen werd, indien nodig, het recht van retentie toegepast. (vandaar dat er in de overeenkomst ook is opgenomen dat voertuigen altijd naar de berger versleept worden en dat de berger dan als "zaakwaarnemer van de politie" optreedt)

Indien verhaal niet mogelijk was, (eigenaar van voertuig had geen geld, voertuig geen waarde, voertuig in beslag, zodat geen retentie kan worden toegepast) stond de politie altijd garant voor de bergingskosten.

Daar de politie nogal wat facturen van de bergers ontving en de agenten daarop aangesproken werden, ontstond er bij de agenten grotere terughoudendheid om een berging te laten verrich-ten. Het gevolg was, dat er vaak voertuigen die na een ongeval niet meer rijtechnisch in goede staat verkeerden, toch toestemming van de agenten kregen om hun weg te vervolgen. Dit le-verde uiteraard gevaarlijke situatie's op.

Door de terughoudendheid met het bestellen van bergingen, liepen de aantallen bergingen te-rug en daarmee onze inkomsten. Hierdoor moest onze beschikbaarheid aangepast worden en daarmee ontstond er voor de politie vaak langere wachttijden voor een berging.

Deze wachttijden kostte de politie te veel tijd en ook wilde men bezuinigen op de facturen die men van de bergers ontving.

Toen de politie ook nog door de gemeentelijke milieudiensten werd aangesproken over het stallen van ongevalsvoertuigen op de politiebureau's, alwaar geen voorzieningen voor zulke stalling getroffen was (vloeistofdichte vloeren e.d.), nam de politie met de bergers contact op om voor deze problemen oplossingen te zoeken.

Het uiteindelijke resultaat was:

- De politie zal niet meer terughoudend zijn met het bestellen van bergingshulp, in alle voor-komende gevallen zal de berger besteld worden.

- Hierdoor zal de berger meer bergingen verrichten en zal er financiële ruimte ontstaan voor de overige afspraken.

- De berger zal zijn beschikbaarheid voor het verrichten van bergingen vergroten, en zal zor-gen dat de wachttijd van de politie beperkt zal blijven.

Dit zal voor de politie betekenen dat haar mensen sneller beschikbaar zijn voor andere (politie) taken.

- Voertuigen zullen niet meer naar het politiebureau worden gebracht, doch bij de berger wor-den gestald.

- Technisch onderzoek zal in gevolg bij de berger worden verricht, de berger zal de faciliteiten hiervoor gratis ter beschikking stellen.

- De politie zal de eerste 30 dagen geen stalling betalen.

- De politie zal maximaal 60 dagen stalling betalen.

- Indien een voertuig langer dan 90 dagen bij de berger staat, zal de berger het voertuig gratis vervoeren naar een door de politie aan te wijzen opslagplaats.

- Voor bergingen die aan de politie berekend worden, is een speciaal, gereduceerd tarief van toepassing ('politiesleeptarief').

- De berger zal de bergingskosten zo veel mogelijk op de eigenaar of diens verzekeraar verha-len.

- Indien geen verhaal mogelijk is, dan is de politie slechts aansprakelijk voor de kosten con-form het speciale 'politiesleeptarief.

(…)

d. In Nederland opereren in totaal negen alarmcentrales die zich in opdracht van ver-zekeraars bezighouden met het doen bergen van gestrande personenauto's. Alle in Nederland actieve verzekeraars van personenauto's zijn bij één van deze verzeke-raars aangesloten. De kosten van een door tussenkomst van een alarmcentrale in-geschakelde berger zijn (uiteindelijk) voor rekening van de verzekeraar van de be-treffende auto.

e. In 1998 hebben acht van voornoemde negen alarmcentrales de Stichting Incident Management Nederland (SIMN) opgericht. Deze stichting heeft de 'Bergingsrege-ling Incident Management' (BIM) opgesteld. De BIM ziet op het verrichten van de zogenoemde "eerste berging", dat wil zeggen het vrijmaken van de rijbaan en het afvoeren - naar een veilige plaats - van personenauto's die als gevolg van een on-geval zijn gestrand. Daarbij gaat het zowel om bergingen op het hoofdwegennet als om bergingen op het onderliggende wegennet. De kern van de BIM wordt ge-vormd door een systeem van centrale rayonnering waarbij de Nederlandse markt van eerste bergingen is onderverdeeld in ongeveer 200 rayons en de aanstelling van één berger per één of meerdere rayons. Meldingen van een ongeval worden gedaan aan het 'Centraal Meldpunt Incident Management' (CMI) dat meteen de berger van het betreffende rayon vraagt uit te rijden en pas daarna uitzoekt welke alarmcentrale voor de betrokken auto verantwoordelijk is.

f. De aanstelling van één berger per één of meerdere van zo-evenbedoelde rayons heeft, telkenmale na het doorlopen van een aanbestedingsprocedure, plaatsgevon-den op 1 december 1999 en 1 december 2002, beide keren voor een periode van drie jaar. Het op de periode 2002-2005 betrekking hebbende aanbestedingsregle-ment bepaalt dat bergers die inschrijven zich verplichten geen eerste bergingen te verrichten in (een) andere rayon(s) dan die aan hen zijn gegund en in geval van niet-gunning, in geen enkel rayon. Bij de aanbesteding over de periode 2002-2005 hebben de Bergingsbedrijven op geen enkel rayon ingeschreven.

g. Bij besluit d.d. 30 maart 1999 heeft de directeur-generaal van de Nederlandse Me-dedingingsautoriteit (NMa) ten aanzien van de BIM op de voet van artikel 17 Me-dedingingswet (Mw) ontheffing verleend van het verbod op het maken van mede-dingingsbeperkende afspraken.

h. Bij besluit d.d. 18 maart 2003 heeft de directeur-generaal van de NMa de hiervoor onder 2.g. bedoelde ontheffing met ingang van 1 juli 2003 ingetrokken voor zover de BIM betrekking heeft op eerste bergingen die plaatsvinden op het onderliggen-de wegennet.

i. Naar aanleiding van dit laatstgenoemde besluit van de NMa heeft SIMN zich bij brief van haar bestuur d.d. 7 juli 2003 op het standpunt gesteld dat zij met ingang van 1 juli 2003 geen enkele bemoeienis meer mag hebben met eerste bergingen op het onderliggende wegennet en dat deze bergingen met ingang van genoemde da-tum uitsluitend nog de verantwoordelijkheid van de individuele alarmcentrales zijn.

j. In een aan de gemeente Bunnik gerichte brief d.d. 22 juli 2003 heeft SIMN mee-gedeeld dat bergingen op het onderliggende wegennet met ingang van 1 juli 2003 door de individuele alarmcentrales zelf onderhands worden gegund. Verder heeft SIMN in deze brief het standpunt ingenomen dat indien een gemeente zou beslui-ten de eerste berging na een ongeval te laten uitvoeren door een berger die geen overeenkomst met een alarmcentrale of SIMN heeft gesloten, die gemeente en niet de betreffende alarmcentrale of SIMN als opdrachtgever van die berger heeft te gelden. In dat geval, zo stelt SIMN, zal de rekening van de berging niet door de alarmcentrale worden voldaan, maar ter betaling worden doorgezonden naar de gemeente.

k. De gezamenlijke regiopolitiekorpsen hebben afgesproken dat zij in geval van ber-gingen op het onderliggende wegennet met ingang van 5 augustus 2003 een nieu-we, uniforme beleidslijn zullen volgen. Deze beleidslijn komt er op neer dat de politie alleen dan zelf een berger aanwijst en een berging op haar kosten laat uit-voeren wanneer het voertuig na een ongeval moet worden veiliggesteld voor on-derzoek door de politie (een zogenaamde 'politiesleep'). In alle overige gevallen zal de melding van een bergingsopdracht worden doorgegeven aan het CMI, dat vervolgens (namens een alarmcentrale) een berger zal inschakelen.

l. Bij brief d.d. 9 augustus 2003 heeft de Regiopolitie het volgende aan de Bergings-bedrijven bericht:

Hiermee stel ik u in kennis van het met ingang van 5 augustus 2003 geherformuleerde politie-beleid met betrekking tot het wegslepen/bergen van aanrijdingsvoertuigen.

In de hieronder omschreven wijze van aanpak is het beleid dat in het verleden is gevoerd en dat in een overlegbijeenkomst in januari jl. dezerzijds concreet aan u is verhelderd, herkenbaar (punt 1 t/m 4, met dien verstande dat in de tweede volzin bij punt 4 wordt gelezen dat de poli-tie alleen dán de sleepopdracht van de bestuurder doorgaf als hij daartoe zelf niet in staat was, of als hij terzake een volstrekt onverschillige houding aannam; uitsluitend laatstbedoelde ge-vallen hebben in het verleden aanleiding gegeven u namens de bestuurder in kennis te stellen van andere bergingen dan de onder punt 2 genoemde).

Eveneens is hierin opgenomen het eenduidige landelijke politiebeleid dat in juli 2003 tot stand is gekomen (punt 4, tweede en derde zin en punt 5).

1. De politie bepaalt op grond van binnenkomende informatie over de plaats en de aard van een aanrijding of naar de aanrijding wordt gegaan.

2. Ter plaatse van de aanrijding wordt na eventuele verlening van slachtofferhulp, vastge-steld of een aanrijdingsvoertuig voor politieonderzoek moet worden wegge-sleept/veiliggesteld. In dat geval geeft de politie de sleepopdracht aan een daartoe in het verleden gecontracteerd sleep-/bergingsbedrijf voor transport naar de voor dat onderzoek noodzakelijke plaats ('eerste berging' door politie).

3. De politie stelt vast of proces-verbaal wordt gemaakt omtrent de aanrijding.

4. Als de situatie onder 2 niet van toepassing is, bepaalt de bestuurder/eigenaar van het voertuig in eerste instantie of een sleep-/bergingsbedrijf wordt gewaarschuwd. Besluit hij daartoe (dit is gebruikelijk), dan biedt de politie aan om zijn sleepopdracht telefonisch door te geven (via het politiemeldcentrum) aan het centrale landelijke meldpunt voor alle bergingen in het kader van verzekeringspolissen.

Hierbij wordt ook het kenteken van de te verslepen auto opgegeven.

5. Via het politiemeldcentrum wordt teruggekoppeld welk sleepbedrijf in aantocht is en wel-ke aanrijtijd daarmee naar verwachting gemoeid zal zijn. Deze informatie wordt aan de bestuurder van het te verslepen voertuig doorgegeven.

Aan de bij de punten 4 en 5 tot uitdrukking gebrachte landelijke beleidsafspraak wordt al-om en ook dezerzijds grote waarde toegekend.

(…)

De inhoud van deze brief had de Regiopolitie voordien op 4 augustus 2003 telefo-nisch aan de Bergingsbedrijven meegedeeld.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De Bergingsbedrijven vorderen, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. de Regiopolitie zal gebieden om de opzegging van de Overeenkomst d.d. 11 de-cember 1995 voor zover betrekking hebbende op het doen van eerste bergingen op het onderliggende wegennet jegens ieder van de Bergingsbedrijven binnen twaalf uur na betekening van dit vonnis ongedaan te maken;

2. de Regiopolitie zal gebieden om de Overeenkomst d.d. 11 december 1995 jegens ieder van de Bergingsbedrijven onverkort en volledig na te komen, zulks in voege dat de Regiopolitie (ook) alle opdrachten tot het doen van alle takel- en bergings-werkzaamheden in de regio Kennemerland op het onderliggende wegennet op de voorwaarden en condities als genoemd in de Overeenkomst dan wel als nader met (één van) de Bergingsbedrijven overeengekomen, aan de Bergingsbedrijven ver-leent op de wijze als voorzien in de Overeenkomst;

3. de Regiopolitie zal veroordelen tot betaling aan de Bergingsbedrijven van een dwangsom groot € 25.000,-- (zegge: vijfentwintigduizend euro) voor iedere dag, een gedeelte van een dag voor een geheel gerekend, dat één of meer van de hier-voor weergeven bevelen jegens de Bergingsbedrijven niet, dan wel niet tijdig wordt nagekomen;

4. de Regiopolitie zal veroordelen in de kosten van dit kort geding.

3.2 Aan deze vordering leggen de Bergingsbedrijven ten grondslag dat de Regiopolitie jegens hen wanprestatie pleegt c.q. onrechtmatig handelt. Zij voeren daartoe het vol-gende aan.

3.3 De hiervoor onder 2.b. geciteerde Overeenkomsten hebben betrekking op het verrichten van alle bergingswerkzaamheden. Anders dan de Regiopolitie heeft gesteld is het toepassingsbereik van de Overeenkomsten derhalve niet beperkt tot de zoge-noemde politieslepen, maar vallen hieronder ook de eerste bergingen op zowel het hoofd- als onderliggende weggennet. Tijdens een op 28 januari 2003 gehouden over-leg tussen de Bergingsbedrijven en de Regiopolitie hebben de Bergingsbedrijven zich bereid verklaard om, zonder hun rechten op te geven, voorlopig te accepteren dat de Regiopolitie de met Rijkswaterstaat aangegane verplichting met betrekking tot ber-gingen op het hoofdwegennet nakomt en hen daarom niet inschakelt bij eerste bergin-gen op het hoofdwegennet. Zulks laat echter onverlet dat de Regiopolitie ingevolge de Overeenkomsten gehouden is om in geval van eerste bergingen op het onderliggende wegennet de Bergingsbedrijven in te schakelen.

3.4 Gegeven dat in het reglement terzake de door SIMN georganiseerde aanbesteding voor de periode 2002-2005 is bepaald dat een inschrijver slechts bergingsopdrachten mag verrichten in (het) aan hem gegunde rayon(s) en een inschrijver in geval van niet-gunning in geen enkel rayon bergingsopdrachten mag verrichten, zou inschrijving door de Bergingsbedrijven hebben geïmpliceerd dat zij de ingevolge de Overeenkom-sten aan hen toegekende rechten zouden prijsgeven. Door niet op deze aanbesteding in te schrijven hebben de Bergingsbedrijven bewerkstelligd dat de BIM, en dan met na-me de aanstelling van één berger per rayon, geen gevolgen heeft gehad voor de gel-ding en het toepassingsbereik van de Overeenkomsten. Op dit moment zijn de Ber-gingsbedrijven nog immer onverkort gerechtigd tot het uitvoeren van bergingsop-drachten die afkomstig zijn van anderen dan SIMN of een alarmcentrale en is de Re-giopolitie nog immer onverkort gehouden tot nakoming van de door haar bij de Over-eenkomsten aangegane verbintenissen.

3.5 De hiervoor onder 2.k. en 2.l. bedoelde beleidswijziging van de regiopolitiekorpsen vindt haar grondslag in het standpunt van SIMN en de alarmcentrales dat zij slechts de kosten van een eerste berging zullen vergoeden indien deze berging is uitgevoerd door een bedrijf aan wie het betreffende rayon in het kader van de aanbesteding voor de pe-riode 2002-2005 is gegund. De Overeenkomsten staan echter geheel los van deze aan-besteding terwijl eerste bergingen op het onderliggende wegennet ingevolge het hier-voor onder 2.h. genoemde besluit van de NMa per 1 juli 2003 bovendien geen deel meer uitmaken van de BIM. Voorts hebben de Bergingsbedrijven sinds jaar en dag de kosten van de door hen verrichtte eerste berging bij de eigenaar van de auto dan wel bij diens verzekeraar en niet bij de alarmcentrale in rekening gebracht en is vervolgens ook steeds betaling verkregen van de verzekeraar, diens gemachtigde of de eigenaar. Het zo-evenbedoelde standpunt van de SIMN kan deze beleidswijziging dan ook niet dragen.

3.6 Van belang is verder dat de Overeenkomsten een bepaalde geldingsduur hebben en dat daarin geen mogelijkheid van tussentijdse opzegging is bedongen. Dit een en ander brengt mee dat de Overeenkomsten in beginsel niet eenzijdig tussentijds kunnen wor-den opgezegd (vgl. HR 21 oktober 1988, NJ 1990, 439). De onderhavige beleidswijzi-ging kan voorts niet worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid die van dien aard is dat zij opzegging van de Overeenkomsten door de Regiopolitie niettemin zou rechtvaardigen. Immers, nu de rekeningen van de Bergingsbedrijven tot 5 au-gustus 2003 steeds door de verzekeraars of de eigenaar van de auto zijn voldaan is er geen reden om aan te nemen dat zulks na die datum anders zal zijn en is er ook geen sprake van (dreigend) nadeel voor de Regiopolitie. In het geval dat de onderhavige beleidswijziging wel als een voldoende rechtvaardiging voor tussentijdse opzegging van de Overeenkomsten zou moeten worden aangemerkt, geldt bovendien dat slechts kan worden opgezegd indien de Regiopolitie de door de Bergingsbedrijven als gevolg van die opzegging geleden schade vergoedt (vgl. HR 23 juni 1989, NJ 1991, 673). Een aanbod tot zodanige schadevergoeding heeft de Regiopolitie tot dusver echter niet ge-daan.

3.7 Sinds de per 5 augustus 2003 ingevoerde beleidswijziging hebben de Bergingsbedrij-ven geen opdrachten voor bergingen op het onderliggende wegennet van de Regiopo-litie verkregen. Hierdoor is ongeveer 98% van hun voorheen op de Overeenkomsten behaalde omzet weggevallen en lijden zij een schade die voor hen tezamen wordt ge-raamd op € 5.000,-- per dag. Nu de Bergingsbedrijven hun bedrijfsvoering, materieel en personeelsbestand volledig hebben afgestemd op het ingevolge de Overeenkomsten te verkrijgen volume aan sleepopdrachten, worden zij als gevolg van deze gang van zaken rechtstreeks in hun voortbestaan bedreigt. De Bergingsbedrijven hebben dan ook een spoedeisend belang bij hun vordering.

4. Het verweer en de slotsom daarvan

De Regiopolitie heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd en geconclu-deerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van de Bergingsbedrijven in de kosten van het geding. Op dit verweer zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. De gronden van de beslissing

5.1 De Regiopolitie kan niet worden gevolgd in haar betoog dat de vordering van de Bergingsbedrijven spoedeisend belang zou ontberen. In de aan deze vordering ten grondslag gelegde stelling dat de Bergingsbedrijven als gevolg van de beleidswijzi-ging een zodanig omzetverlies lijden dat de continuïteit van hun ondernemingen in gevaar komt is op zich een voldoende spoedeisend belang gelegen om in die vordering te kunnen worden ontvangen.

5.2 Het door de Regiopolitie ten gronde gevoerde verweer komt er op neer dat de Overeenkomsten alleen betrekking hebben op politieslepen en dat haar naar aanleiding van de met ingang van 5 augustus 2003 ingevoerde beleidswijziging daarom geen wanprestatie kan worden verweten. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

5.3 De Bergingsbedrijven onderbouwen hun stelling dat de Overeenkomsten alle ber- gingen betreffen door in de eerste plaats te verwijzen naar de schets van de achter-grond van de Overeenkomsten zoals die is vervat in het hiervoor onder 2.c. geciteerde e-mailbericht. Hierin komt naar voren, zo benadrukken de Bergingsbedrijven, dat voor de Regiopolitie belangrijke motieven voor het aangaan van de Overeenkomsten waren gelegen in kostenbeperking en het voorkomen dat de Regiopolitie zelf kosten aan de eigenaren van de geborgen auto's moest gaan doorberekenen. In het verlengde hiervan wijzen de Bergingsbedrijven er op dat zij met de Regiopolitie zeer substantiële kortin-gen op hun tarieven zijn overeengekomen. Zouden de Overeenkomsten zijn beperkt tot politieslepen dan hadden de Bergingsbedrijven, naar zij stellen, nimmer met zoda-nige kortingen hebben ingestemd, aangezien het aantal politieslepen betrekkelijk ge-ring is (minder dan 2% van de totaalomzet) en deze kortingen juist zijn gebaseerd op een groot volume aan sleep- en opslagopdrachten. Daarnaast hebben de Bergingsbe-drijven er op gewezen dat uit de stroomschema's die deel uitmaken van de Overeen-komsten blijkt dat voertuigen die betrokken zijn bij een ongeval en niet door de politie zullen worden onderzocht, niettemin naar de opslag van het betreffende Bergingsbe-drijf worden gebracht en dat het Bergingsbedrijf vervolgens zelf alles afhandelt. Ook hebben de Bergingsbedrijven gewezen op 'het Sleepbegeleidingsformulier' met de op de achterzijde gedrukte 'Leidraad Auto's' van de Regiopolitie d.d. 3 september 1997 waarin is vermeld dat 'alle auto's dienen te worden versleept naar het bergingsbedrijf'. Uit publicaties in onder meer het Regiopolitie-maandblad 'Regionaal' van 22 decem-ber 1995 valt volgens de Bergingsbedrijven eveneens op te maken dat de Overeen-komsten mede betrekking hebben op voertuigen die betrokken zijn bij een aanrijding en waarvan de bergingskosten door de eigenaar of diens verzekeraar moeten worden betaald.

5.4 Tegenover deze stellingname heeft de Regiopolitie volstaan met het kwalificeren van de stellingen van de Bergingsbedrijven als 'onjuistheden' en het handhaven van haar standpunt dat de Overeenkomsten uitsluitend betrekking hadden op politieslepen, het-geen niet als een voldoende gemotiveerde betwisting kan worden aangemerkt. Daar komt bij dat de Regiopolitie ter terechtzitting, naar aanleiding van daartoe strekkende vragen van de voorzieningenrechter, het in voormeld e-mailbericht gestelde omtrent het verhaal van de kosten van een niet-politieberging, de wens van de politie om bij bergingen wachttijden en kosten te beperken alsmede het resultaat van de Overeen-komsten op zichzelf als juist heeft erkend. Hieruit vloeit noodzakelijkerwijs voort dat partijen met het sluiten van de Overeenkomsten een regime in het leven hebben willen roepen waarbij de door de Regiopolitie gewenste kostenbeperking en zekerheid van een snelle berging is uitgeruild tegenover de door de Bergingsbedrijven gewenste ze-kerheid van een groot volume aan bergingsopdrachten. Nu voorts niet gemotiveerd is bestreden dat het aantal politieslepen slechts een zeer gering percentage van de totale verslepingen vormt, is de conclusie dat de Overeenkomsten mede strekken tot het ver-richten van eerste bergingen op het hoofd- en onderliggende wegennet onontkoom-baar.

5.5 Gegeven deze strekking heeft de Regiopolitie door vanaf 5 september 2003 in het geheel geen opdrachten inzake eerste bergingen op het onderliggende wegennet aan de Bergingsbedrijven te verstrekken, de Overeenkomsten met ingang van die datum feitelijk opgezegd. Dat de aan deze opzegging ten grondslag liggende beleidswijziging kan worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid die van dien aard is dat de Bergingsbedrijven naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde in-standhouding van de Overeenkomsten niet mogen verwachten, is voorts gesteld noch gebleken. De drastische maatregel die de Regiopolitie wat betreft haar relatie tot de Bergingsbedrijven heeft doorgevoerd behoeft een aanzienlijk steviger motivering dan ter terechtzitting is gegeven. De Regiopolitie moet dan ook vooralsnog onverkort tot nakoming van de Overeenkomsten gehouden worden geacht.

5.6 Voorts is het gestelde omtrent de feitelijke gevolgen van de door de Regiopolitie gemaakte draai niet betwist. Uit die stellingen vloeit voort dat voortduring van de thans bestaande feitelijke situatie welhaast onontkoombaar tot het faillissement van de Bergingsbedrijven zal leiden. Bij die stand van zaken dient een voorziening te wor-den getroffen die waarborgt dat de status quo ante wordt hersteld totdat in een bodem-procedure zal zijn vastgesteld dat de Regiopolitie een toereikende grond voor beëindi-ging van de Overeenkomsten heeft.

5.7 Niet in geschil is dat het de Regiopolitie ook vóór 5 augustus 2003 vrijstond om een ander dan de Bergingsbedrijven in te schakelen indien de bestuurder van het gestrande voertuig hier om had verzocht. De voorziening zal zodanig worden geformuleerd dat deze ruimte blijft bestaan en dat executieproblemen zoveel mogelijk worden voorko-men. Tevens zal de gevorderde dwangsomveroordeling worden gemaximeerd als hierna te melden.

5.8 De Regiopolitie zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Gezien de bewerkelijkheid van de zaak en het gebrek aan pleitbaarheid van het door de Regiopolitie ingenomen standpunt ziet de voorzienin-genrechter aanleiding het procureurssalaris wat hoger te liquideren.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1 Gebiedt de Regiopolitie om ingaande vierentwintig uur na betekening van dit vonnis en totdat in een bodemprocedure anders zal zijn beslist de Overeenkomsten jegens ie-der van de Bergingsbedrijven onverkort en volledig na te komen, en wel aldus dat de Regiopolitie alle opdrachten tot het doen van takel- en bergingswerkzaamheden in de politieregio Kennemerland op het onderliggende wegennet aan de Bergingsbedrijven verleent op de wijze, voorwaarden en condities als voorzien respectievelijk vervat in de Overeenkomsten, met dien verstande dat in de gevallen dat geen sprake is van een politiesleep in de hiervoor bedoelde zin en de eigenaar c.q. bestuurder van het ge-strande voertuig er de voorkeur aan geeft dat zijn voertuig wordt geborgen door een ander dan één van de Bergingsbedrijven, het de Regiopolitie vrijstaat om deze voor-keur te respecteren, dit laatste op voorwaarde dat in die gevallen de naam en adresge-gevens van de eigenaar c.q. bestuurder alsmede het kenteken binnen 48 uur na het ge-ven van de sleepopdracht op de door de eigenaar c.q. bestuurder gewenste wijze wordt doorgegeven aan een door de Bergingsbedrijven aan te wijzen vertegenwoor-diger.

6.2 Veroordeelt de Regiopolitie tot betaling aan de Bergingsbedrijven van een dwangsom:

- gedurende de eerste week na deze uitspraak groot € 2.000,-- (tweeduizend euro) per dag voor iedere dag, een gedeelte van een dag voor een geheel gerekend;

- nadien groot € 5.000,-- (vijfduizend euro) per dag voor iedere dag, een gedeelte van een dag voor een geheel gerekend;

dat het hiervoor weergegeven gebod jegens de Bergingsbedrijven niet wordt nageko-men, tot een maximum van € 500.000,-- (vijfhonderdduizend euro).

6.3 Veroordeelt de Regiopolitie in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van de Bergingsbedrijven begroot op € 273,20 aan verschotten en € 2.000,-- aan salaris voor de procureur.

6.4 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

6.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter van deze recht-bank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 2 oktober 2003, in tegen-woordigheid van de griffier.