Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AI0833

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-08-2003
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
03/281
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 42.700,-- EURO, terzake van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van ten onrechte ondergane verzekering en verdere uitleveringsdetentie wegens een tegen verzoeker in behandeling genomen en inmiddels door de minister van justitie - rauwelijks - afgewezen uitleveringsverzoek van Jordanië.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

RAADKAMER

Registratienummer: 03/281

Parketnummer: 15/700075-02

Uitspraakdatum: 05 augustus 2003

BESCHIKKING (ex art.59 UW jo. art. 89 Sv.)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 03 april 2003 is ter griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een

verzoekschrift, gedateerd februari 2003, van

[naam verzoeker], ook bekend als [naam verzoeker], verzoeker,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in [verblijfplaats],

domicilie kiezende te [adres], ten kantore van mr. V.L. Koppe, advocaat.

Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 42.700,--, terzake van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van ten onrechte ondergane verzekering en verdere uitleveringsdetentie wegens een tegen verzoeker in behandeling genomen en inmiddels door de minister van justitie - rauwelijks - afgewezen uitleveringsverzoek van Jordanië.

Op 09 juli 2003 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld.

Voor verzoeker is verschenen mr. Koppe, voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. N.H. Vogelenzang.

Van het verhandelde in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2. De ontvankelijkheid van het verzoek.

Door de beslissing van de minister van justitie van 13 januari 2003, waarbij het verzoek tot uitlevering van verzoeker, dat reeds d.d. 27 september 2002 per fax bij de officier van justitie was ingekomen, alsnog - in de woorden van de minister - rauwelijks is afgewezen en als gevolg waarvan de uitleveringsdetentie op 13 januari 2003 is opgeheven, is - na intrekking van de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet op 14 januari 2003 - de on-derhavige uitleveringszaak geëindigd.

Het onderhavige verzoekschrift, door verzoeker ondertekend, is op 3 april 2003 ter griffie van deze rechtbank en mitsdien tijdig ingekomen.

Nu in het onderhavige geval de zaak niet is geëindigd in een ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering is er - op grond van de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 59 Uitleveringswet (Uw.)- hier - in beginsel - geen sprake van een geval, waarin het verzoek ex artikel 59 Uw. ontvankelijk is.

Zowel het Openbaar Ministerie als de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat het verzoek desalniettemin ontvankelijk is, omdat -zoals ook met name de officier van justitie heeft benadrukt - op grond van het uitblijven van een beantwoording van de door de verdediging gestelde en door de officier van justitie aan de minister doorgeleide vragen - de stukken ongenoegzaam waren en om die reden - wanneer de rechtbank aan de behan-deling van het uitleveringsverzoek zou zijn toegekomen - ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering had dienen te volgen, welke ontoelaatbaarverklaring slechts achter-wege is gebleven door de "rauwelijkse" afwijzing van het uitleveringsverzoek door de mi-nister.

De rechtbank deelt deze opvatting, daaraan toevoegend dat een andersluidende opvatting de mogelijkheid zou bieden om - bij een te verwachten ontoelaatbaarverklaring van een verzochte uitlevering - toekenning van een op zichzelf gerechtvaardigde vergoeding voor ten onrechte ondergane uitleveringsdetentie te verhinderen.

Verzoeker is dus ontvankelijk in zijn verzoek tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden wegens ten onrechte ondergane inverzekeringstelling en verdere uitleveringsdetentie voor de periode van 13 september 2002 tot en met 13 januari 2003.

3. Beoordeling van het verzoek

Verzoeker heeft het verzoek tot schadevergoeding wegens ten onrechte ondergane vrij-heidsbeneming gebaseerd op artikel 59 Uw. juncto artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.).

In het verzoekschrift is namens verzoeker op de in het verzoekschrift ontwikkelde gronden

betoogd dat het uitleveringsverzoek van Jordanië met medeweten van de minister was geconstrueerd en dat de minister bevreesd was dat deze doelbewuste veronachtzaming van de belangen van verzoeker en deze schending van diens fundamentele rechten ingevolge de artikelen 5 en 6 EVRM in het kader van de uitleveringsprocedure door de verdediging aan-nemelijk zou worden gemaakt, hetgeen de minister kennelijk heeft willen voorkomen door halsoverkop tot uitzetting van verzoeker over te (willen) gaan zonder dat zijn raadslieden dit te horen zouden krijgen. Om die reden is verzoeker van mening dat de minister in ernstige mate onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzoeker en verzoekt hij de rechtbank het gebruikelijke tarief voor schadevergoeding te vervijfvoudigen tot € 350,-- per dag.

Belangrijk onderdeel van het betoog van de raadsman is daarbij dat hij sinds 24 september 2002 de beschikking had over een AIVD-ambtsbericht van 13 september 2002, waaruit, aldus de raadsman, - kort gezegd - blijkt dat verzoeker deel uit zou maken van het Al Qai-da-netwerk en betrokken zou zijn geweest bij een bomaanslag op 28 februari 2002 op het hoofd van de afdeling contraterrorisme van de Jordaanse veiligheidsdienst, welk ambtsbericht de verdediging overigens - naar de raadsman stelt - bewust niet heeft overgelegd, noch voorafgaand aan of bij kennisneming van het uitleveringsverzoek d.d. 16 september 2002 noch tijdens de behandeling van een door de verdediging ingediend verzoek tot opheffing van de uitleveringsdetentie op 9 januari 2003.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een gematigde toewijzing van het verzoek.

De rechtbank overweegt dienaangaand als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat - nu aan de orde is een verzoek om schadevergoeding, gebaseerd op artikel 59 Uw. juncto de artikelen 89 en 90 Sv. en niet een vordering uit onrecht-matige daad jegens de minister van justitie - de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of er redenen zijn voor toekenning van schadevergoeding wegens ten onrechte ondergane uitleveringsdetentie, zal dienen te bezien of er - alle omstandigheden in aanmerking ge-nomen - gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van enige schadevergoeding en zo ja, tot welke hoogte.

Bij dit uitgangspunt betrekt de rechtbank, dat de verdediging weliswaar stelt dat sprake is van onrechtmatig handelen van de minister van justitie, maar dat enig onderzoek naar de vraag of er van misleiding door de minister - zoals de raadsman stelt - sprake is geweest, niet heeft kunnen plaatsvinden, reeds omdat de verdediging - kennelijk welbewust - in gebreke is gebleven het hiervoor bedoelde AIVD-bericht, waarop zij zich daarvoor - onder meer - baseert, in de loop van de uitleveringsprocedure over te leggen. De rechtbank handhaaft dan ook onverkort haar standpunt, na de behandeling van het verzoek tot opheffing van de uitleveringsdetentie op 9 januari 2003 gegeven, dat van een misleiding als door de verdediging gesteld, voorshands niet is gebleken.

Uitgaande van de - overigens ook door de officier van justitie niet betwiste - juistheid van vorenbedoeld ambtsbericht, overweegt de rechtbank, dat dit bericht bij overlegging daar-van in de loop van de uitleveringsprocedure, de rechtbank aanleiding zou hebben gegeven de minister om nadere informatie te vragen.

In dat verband is het volgende van belang.

De minister van justitie heeft in zijn brief van 28 november 2002 aan verzoekers raads-man, voorzover in dit verband van belang, de raadsman - kort gezegd - bericht dat het in artikel 12 Uw. neergelegde specialiteitsbeginsel meebrengt dat de uitlevering slechts geschiedt ten aanzien van de feiten, waarvoor de uitlevering is toegestaan (….) en dat gelet op het specialiteitsbeginsel en de verkregen garantie de Jordaanse autoriteiten verzoeker niet zullen vervolgen voor andere feiten dan de feiten genoemd in het uitleveringsverzoek van 16 september 2002 en de stukken ter ondersteuning daarvan.

Om die reden stelt de minister zich op het standpunt dat de vraagstelling of de minister of enige andere Nederlandse overheidsinstantie wetenschap heeft over een verdenking jegens verzoeker in Jordanië van andere feiten dan de feiten waarvoor thans zijn uitlevering wordt gevraagd, niet aan de orde is en dat de vooronderstellingen van de raadsman dat de minister de verdediging bewust onjuist voorlicht en informatie achterhoudt, ongepast is.

Uitgaande van de juistheid van de verdenking, neergelegd in het uitleveringsverzoek en de stukken ter ondersteuning daarvan, miskent de in voormelde brief besloten liggende opvatting van de minister, dat de rechter die over de toelaatbaarheid van een uitleveringsverzoek heeft te oordelen en daarmee ook de officier van justitie en de raadsman wel degelijk die-nen te beschikken over informatie als door de raadsman bedoeld in de brief, die aanleiding gaf tot de hiervoor bedoelde brief van de minister van 28 november 2002, al was het alleen maar voor het door die rechter te geven en - naar de rechtbank aanneemt - door de minis-ter ernstig te nemen advies, of aan het verzoek tot uitlevering gevolg dient te worden gege-ven.

Op grond van het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat overlegging van vorenbedoeld ambtsbericht door de verdediging zou hebben geleid tot nadere informatie inwinning bij de minister van justitie. Daarbij is niet onaannemelijk dat de nadere in-formatieverschaffing of het uitblijven daarvan, ertoe had kunnen leiden dat de rechtbank onder toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering, eventueel met opheffing van de uitleveringsdetentie, de minister had geadviseerd geen gevolg te geven aan de verzochte uitlevering.

Nu de verdediging, hoewel reeds op 24 september 2002 beschikkend over meergenoemd ambtsbericht - zoals eerder overwogen - kennelijk welbewust heeft nagelaten dat ambtsbericht aan de rechtbank over te leggen, heeft verzoeker het in belangrijke mate aan zichzelf te wijten gehad dat een eerdere invrijheidstelling niet is gevolgd.

De rechtbank acht daarom slechts gronden van billijkheid aanwezig om met inachtneming van een periode van twee maanden vanaf 24 september 2002, zijnde een periode die er redelijkerwijze mee gemoeid zou zijn geweest om, wanneer de verdediging aanstonds het door haar bedoelde ambtsbericht had overgelegd, helderheid te krijgen over de aan dat door de raadsman bedoelde ambtsbericht te verbinden gevolgen - aan verzoeker een scha-devergoeding toe te kennen over de periode van 13 september 2002 tot en met 23 november 2002, zijnde 71 dagen.

Voor wat betreft de hoogte van de toe te kennen vergoeding oordeelt de rechtbank dat - in aanmerking genomen dat van onrechtmatig optreden van de minister niet is gebleken ener-zijds en anderzijds dat geen in de persoon van verzoeker of diens omstandigheden gelegen redenen zijn aangevoerd of gebleken die aanleiding geven tot een hogere vergoeding dan de gebruikelijke over te gaan - zij gronden van billijkheid aanwezig acht om aan verzoeker het gebruikelijke bedrag van € 70,-- per dag als schadevergoeding toe te kennen.

De rechtbank zal daarom - gelet op de betrekkelijke wetsbepalingen - als volgt beslissen.

4. Beslissing

De rechtbank:

Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 4970,-- zegge: vierduizend negenhonderd en zeventig euro), welk bedrag als volgt is samengesteld:

71 x € 70,-- wegens een verblijf van 71 dagen in een huis van bewaring.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Beveelt de uitbetaling door de griffier van deze rechtbank van de bij deze beschikking aan verzoeker toegekende vergoeding op de derdengeldrekening van verzoekers advocaat, bankrekeningnummer 52.20.20.380 bij de ABN AMRO-bank ten name van de Stichting Beheer Derdengelden Böhler Franken Koppe de Feijter, onder vermelding van verzoekers naam.

4. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. Toeter,voorzitter

mrs. Smit en Goossens, rechters,

in tegenwoordigheid van Boekel, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 05 augustus 2003.