Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AI0303

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-07-2003
Datum publicatie
22-07-2003
Zaaknummer
15/001121-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bewijs tegen verdachte is volgens de raadsman op onrechtmatige wijze verkregen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Er waren voldoende feiten en omstandigheden voor een redelijk vermoeden dat verdachte zich schuldig maakte aan overtreding van de Opiumwet. Het onderzoek op grond van de Opiumwet ingesteld in de reisbagage van verdachte acht de rechtbank derhalve niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

vestiging Schiphol

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/001121-03

Uitspraakdatum: 15 juli 2003

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 juli 2003 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in Detentie Centrum Zeist, loc. vrouwen, Richelleweg 1-13 te Soesterberg.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1.Onrechtmatig verkregen bewijsverweer

De raadsman van verdachte heeft gesteld, dat het bewijs tegen verdachte op onrechtmatige wijze is verkregen en dat zij derhalve dient te worden vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd:

(i) Aangezien de parkeergarage P1 geen voor aankomst en vertrek van reizigers bestemd gedeelte van het luchtvaartterrein als bedoeld in art. 52, vierde lid, Wet wapens en munitie is, hadden de twee mannen in wiens gezelschap verdachte zich bevond niet in die parkeergarage mogen worden gecontroleerd op grond van genoemde bepaling. Aldus is ook jegens verdachte onrechtmatig gehandeld, aangezien zij deel uitmaakte van de gecontroleerde groep en het gesprek dat de verbalisanten met haar hebben gevoerd deel uitmaakte van die controle. De naar aanleiding van de ook jegens verdachte onrechtmatig uitgeoefende controle op grond van de Wet wapens en munitie gevonden cocaïne en de naar aanleiding daarvan door verdachte afgelegde verklaringen zijn onrechtmatig verkregen en dienen van het bewijs te worden uitgesloten.

(ii) Aangezien het gesprek dat de verbalisanten met verdachte hebben gevoerd geen redelijk vermoeden van schuld oplevert terzake overtreding van de Opiumwet, hadden de verbalisanten verdachtes tas niet aan een onderzoek op grond van de Opiumwet mogen onderwerpen. De vondst van de cocaïne mag derhalve niet tot het bewijs worden gebezigd.

Indien voorafgaand aan het gesprek reeds een redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte was ontstaan, dan had zij voor dat gesprek de cautie moeten krijgen, hetgeen niet is geschied, zodat op die grond de door haar afgelegde verklaringen niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting, met name uit het door de opsporingsambtenaren opgemaakte proces-verbaal d.d. 24 mei 2003, mutatienummer PL278B/03-044753, stelt de rechtbank onder meer vast:

a. Het is de Koninklijke Marechaussee bekend dat op Schiphol grote aantallen koeriers met verdovende middelen aankomen en dat niet alle koeriers die met zogenaamde risicovluchten aankomen, bij douanecontrole, worden aangehouden.

b. Het is de Koninklijke Marechaussee bekend dat regelmatig aangifte wordt gedaan van diefstal met geweld of bedreiging met geweld van bagage van aankomende passagiers van die risicovluchten.

c. Op 23 mei 2003 werd op Schiphol aankomsthal 3 de bagage afgehandeld van een vlucht uit St. Maarten en Curaçao. De passagiers van die vlucht die hun bagage hadden opgehaald liepen vanuit de bagagehal het afhalersgedeelde van Schiphol Plaza Terminal 3 Aankomst in.

d. Ten tijde van de afhandeling van voornoemde vlucht zagen opsporingsambtenaren ter hoogte van aankomsthal 3, in de onmiddellijke omgeving van de aldaar uit de bagagehal komende passagiers, twee mannen lopen, die later bleken te zijn genaamd [A] en [B]. Deze mannen waren geen aankomende passagiers. Men zag dat deze mannen contact met elkaar hadden in woord en gebaar.

e. Tegen de achtergrond van de hierboven onder a. en b. omschreven wetenschap wilden de opsporingsambtenaren [A] en [B] controleren op wapenbezit, maar hebben die controle in verband met veiligheidsrisico's op het drukbezochte Schiphol Plaza uitgesteld.

f. Vervolgens zagen opsporingsambtenaren dat ter hoogte van The Body Shop op Schiphol Plaza een vrouw, die later [verdachte] bleek te zijn, stond en dat [A] en [B] contact met die vrouw maakten. Die vrouw was kennelijk kort daarvoor als passagier aangekomen op Schiphol met de hierboven onder c. genoemde vlucht;

g. Opsporingsambtenaren zagen dat [A], [B] en de vrouw gezamenlijk naar de richting van parkeergarage P1 liepen en op weg daar naartoe in woord en gebaar contact met elkaar onderhielden.

h. Toen het drietal de parkeergarage had betreden, hebben opsporingsambtenaren de twee mannen onderworpen aan een controle op grond van art. 52, vierde lid, Wet wapens en munitie. In het kader van die controle is bij [B] niets ter zake dienend aangetroffen. Bij [A] werd een bedrag van 2145 euro aangetroffen.

i. Tijdens de controle verklaarde [B] dat hij samen met [A] naar Schiphol was gekomen om de vriendin van [A] op te halen. [A] verklaarde daarentegen dat hij met [B] naar Schiphol was gekomen om de vriendin van [B] op te halen.

j. Daarop hebben de opsporingsambtenaren [verdachte] aangesproken, die verklaarde dat zij vanuit Curaçao was aangekomen en dat ze [A] en [B] niet kende. Voorst verklaarde [verdachte] dat zij met de taxi wilde vertrekken, dit terwijl zij zich in de parkeergarage en niet bij de taxistandplaats bevond, en vertoonde zij zenuwachtig gedrag (het wegdraaien van haar hoofd, zuchten en het draaien op haar voeten) tijdens het gesprek dat de verbalisanten met haar hadden.

k. Op grond van de verklaringen van [A], [B] en [verdachte] en het gedrag van [verdachte] is zij door de verbalisanten aangemerkt als verdachte terzake de Opiumwet en is op grond van die wet een onderzoek ingesteld in haar reisbagage, waarbij de in de tenlastelegging bedoelde cocaïne is aangetroffen. Vervolgens is [verdachte] aangehouden en is haar de cautie gegeven.

Ad (i) Uit het vorenweergegevene volgt dat alleen ten aanzien van [A] en [B] sprake was van controle op grond van art. 52, vierde lid, Wet wapens en munitie. Dat verdachte zich in het gezelschap van [A] en [B] bevond ten tijde van de controle en dat naar aanleiding van hetgeen [A] en [B] bij die controle hebben verklaard door de verbalisanten met verdachte is gesproken, betekent niet dat die controle zich ook tot haar uitstrekte.

De vraag of de op grond van art. 52, vierde lid, Wet wapens en munitie gebaseerde controle van [A] en [B] onrechtmatig is, aangezien deze heeft plaatsgevonden in de parkeergarage P1 welke plaats niet zou vallen onder de territoriale beperking van voornoemde bepaling, behoeft in het kader van de onderhavige zaak geen beantwoording. Ook indien ten opzichte van [A] en [B] onrechtmatig zou zijn gehandeld, brengt dat niet mee dat ten aanzien van verdachte onrechtmatig is gehandeld aangezien - zoals hiervoor reeds is overwogen - de controle op grond van art. 52, vierde lid, Wet wapens en munitie zich niet tot verdachte uitstrekte.

Ad (ii) Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die moeten leiden tot de vaststelling dat er tijdens de controle van [A] en [B] al sprake was van voldoende verdenking tegen verdachte in de zin van artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. De vragen die de verbalisanten na de controle van [A] en [B] aan verdachte hebben gesteld, droegen daarom nog een informatief, niet onder de cautieplicht vallend, karakter en kwamen kennelijk voort uit het feit dat [A] en [B] tegenstrijdige verklaringen hadden afgelegd over wiens vriendin verdachte zou zijn. De antwoorden die verdachte op die vragen gaf, leverden, in samenhang met de feiten en omstandigheden als omschreven in de hierboven weergegeven inhoud van het door de opsporingsambtenaren opgemaakte proces-verbaal, voldoende feiten en omstandigheden op voor een redelijk vermoeden dat verdachte zich schuldig maakte aan overtreding van de Opiumwet. Vanaf dat moment waren de verbalisanten derhalve bevoegd om de tas die verdachte bij zich had aan een onderzoek op grond van de Opiumwet te onderwerpen en de vondst van cocaïne in die tas is daarom niet onrechtmatig.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer dat het bewijs jegens verdachte op onrechtmatige wijze zou zijn verkregen.

3.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan

in dier voege dat zij op 23 mei 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2.205,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van een hoeveelheid cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid, 2,2 kilo, was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank geen aanleiding om in verdergaande mate dan zij blijkens het navolgende zal doen, af te wijken van de straf die normaalgesproken ten aanzien van dit soort misdrijven pleegt te worden opgelegd.

Onder aanvoering van hetgeen hiervoor onder 3.1 is vermeld heeft de raadsman subsidiair verzocht om strafvermindering. Aangezien de rechtbank op grond van het hiervoor onder 3.1 overwogene van oordeel is dat tijdens het voorbereidend onderzoek jegens verdachte geen vormverzuimen zijn begaan, is er geen reden om toepassing te geven aan het bepaalde in art. 359a, eerste lid aanhef en onder a, Sv.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank na te noemen straf passend en geboden.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een vliegticket, dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat ticket, dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

24, 33, 33a van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJFTIEN MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 1.00 STK Vliegticket Kl: Meerkl. KLM

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1.00 STK Telefoontoestel Mobiel + incl. simkaart

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Bijvoet, voorzitter,

mrs. De Ruijter en Scherpenhuijsen Rom, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van der Zalm,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 juli 2003.

Mr. Scherpenhuijsen Rom is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.