Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AI0129

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-07-2003
Datum publicatie
18-07-2003
Zaaknummer
15/030591-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafvonnis met betrekking tot de exploitant van de cafe De Hemel (cafebrand De Hemel te Volendam op 1 januari 2001)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 158
Wetboek van Strafrecht 176
Wetboek van Strafrecht 307
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Wetboek van Strafvordering 351
Drank- en Horecawet
Drank- en Horecawet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 306
NBSTRAF 2003/306
NJ 2003, 531

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/030591-01

Uitspraakdatum: 18 juli 2003

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23, 24, 26 en 27 juni 2003 en 1, 2 en 4 juli 2003 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [woonadres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

2.1. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft allereerst een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging - naar de rechtbank begrijpt ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 - omdat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en daarmee een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het in deze zaak gaat om een dramatische samenloop van omstandigheden, waarbij velen - op welke wijze dan ook - ongewild en onbedoeld betrokken waren en waarbij gedacht kan worden aan de eigenaar van het café, zijn personeel, de gemeente Edam-Volendam, de brandweer en de jongeren die grote sterretjes mee de zaak inbrachten en deze aanstaken. Nu - behalve verdachte, zijn dochter en de bedrijfsleider - geen van de hiervoor bedoelde (rechts)personen vervolgd wordt, heeft - zo begrijpt de rechtbank de verdediging - het openbaar ministerie het gelijkheidsbeginsel geschonden. De keuze om verdachte, zijn dochter en de bedrijfsleider te vervolgen is een willekeurige en het openbaar ministerie heeft in redelijkheid niet tot de beslissing om juist hen te vervolgen kunnen komen. In het bijzonder heeft - aldus de verdediging - het openbaar ministerie lichtvaardig en overhaast besloten om de gemeente niet te vervolgen.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat de keuze om al dan niet tot vervolging over te gaan op basis van het Nederlandse systeem van strafvordering aan de officier van justitie is voorbehouden en dat de rechtbank deze beslissing slechts marginaal kan toetsen.

In dit concrete geval geldt dat in aanmerking genomen:

- de bijzondere verantwoordelijkheid die verdachte als exploitant van de bar De Hemel had voor een veilige inrichting van en voor het toelatingsbeleid in dat café

- het gegeven dat een bedrijfsleider in beginsel ook die verantwoordelijkheid heeft

- en voorts dat - naar uit de stukken van het onderzoek kon worden opgemaakt - verdachtes dochter bijzondere betrokkenheid had gehad bij het ophangen van de kerstversiering,

het openbaar ministerie - zonder miskenning van het gelijkheidsbeginsel - op basis van het opsporingsonderzoek in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat slechts tot vervolging van hen moest worden overgegaan. De omstandigheid dat de door de verdediging bedoelde anderen, die weer op een andere wijze bij de brand betrokken waren, niet zijn vervolgd - terwijl dit mogelijk wel had gekund - doet daaraan niet af.

Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3.

Het openbaar ministerie is evenwel niet ontvankelijk in de vervolging van de feiten 4 en 5.

Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.

Aan verdachte zijn - onder 4 en 5 - twee in of omstreeks de periode van 31 december 2000 tot en met 1 januari 2001 begane overtredingen van de Bouwverordening Edam-Volendam ten laste gelegd. Het recht op strafvervolging terzake zou - behoudens stuiting van de verjaring - na ommekomst van een termijn van twee jaren zijn komen te vervallen.

Op 13 december 2002 heeft de officier van justitie bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, een nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek ingediend, strekkende tot uitbreiding van het reeds lopende gerechtelijk vooronderzoek tot - onder meer - deze twee overtredingen. Deze daad van vervolging is - zo is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken - niet voor ommekomst van de verjaringstermijn ter kennis gekomen van verdachte. Derhalve is de verjaring niet door die daad van vervolging tijdig gestuit.

De stelling van het openbaar ministerie dat deze overtredingen reeds besloten lagen in het op 21 mei 2001 bij de rechter-commissaris gevorderde en kort nadien ter kennis van verdachte gebrachte gerechtelijk vooronderzoek kan niet als juist worden aanvaard. Immers in die vordering, die overigens betrekking had op feiten van een geheel andere aard en ernst, komen niet alle bestanddelen voor die deel uitmaken van de onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten. Verdachte behoefde er dan ook niet op bedacht te zijn dat hij ook voor deze overtredingen zou worden vervolgd.

Evenmin juist is de stelling dat de verjaring is gestuit door het verhoor van brandpreventiemedewerker Bont in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek, waarin aan de orde is gekomen dat de panieksluiting ondersteboven was gemonteerd. Uit dat verhoor valt immers in het geheel niet af te leiden dat de officier van justitie voornemens was verdachte voor de overtreding van de Bouwverordening Edam-Volendam te vervolgen.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 heeft begaan in dier voege dat hij

1.

in de periode van 15 november 2000 tot en met 1 januari 2001 te Volendam aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of nalatig:

brandbare kerstversiering, waaronder blauwspartakken en papieren kerstklokken en lametta op een bespanning van nylon draad, op meer plaatsen in café De Hemel zodanig laag heeft laten ophangen en heeft laten hangen dat, naar hij had kunnen vermoeden, brandende aanstekers en/of sterretjes, althans open vuur daarmee in aanraking zou(den) kunnen komen /worden gebracht, en welke brandende sterretjes ook daadwerkelijk op 1 januari 2001 in aanraking met die kerstversiering zijn gekomen

mede tengevolge waarvan op 1 januari 2001 die kerstversiering vlam heeft gevat, en aldus brand is ontstaan in café De Hemel te Volendam,

welke brand aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is,

terwijl dat feit telkens (mede) de dood van [de namen van veertien slachtoffers] ten gevolge heeft gehad,

en terwijl door dat feit levensgevaar voor de in café De Hemel aanwezige personen, bezoekers en personeel, is ontstaan.

2.

te Volendam aanmerkelijk nalatig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of onnadenkend:

in de periode van 15 november 2000 tot en met 1 januari 2001 in café De Hemel

- op de deur van de nooduitgang aan de zijgevel een balk vlak boven een ondersteboven gemonteerde panieksluiting aanwezig heeft gehad en heeft gehouden, waardoor die panieksluiting bij een noodsituatie onvoldoende direct zichtbaar en onvoldoende direct bruikbaar was en

- achter een deur waarboven een transparantverlichting met de aanduiding nooduitgang hing een naar binnen draaiende draai/kanteldeur zonder panieksluiting aanwezig heeft gehad en heeft gehouden, welke

draai/kanteldeur uitkwam op een plat dak zonder vluchttrap,

en

brandbare kerstversiering, waaronder blauwspartakken en papieren kerstklokken en lametta op een bespanning van nylon draad op meer plaatsen in café De Hemel zodanig laag heeft laten ophangen en heeft laten hangen dat, naar hij had kunnen vermoeden, brandende aanstekers en brandende sterretjes, althans open vuur daarmee in aanraking zou(den) kunnen komen/worden gebracht en welke brandende sterretjes ook daadwerkelijk in aanraking met die kerstversiering zijn gekomen

en

in de nacht van 31 december 2000 op 1 januari 2001 ongeveer 250 à 300 personen en aldus aanmerkelijk meer personen dan verantwoord was, heeft toegelaten in café De Hemel en op de toegangstrap naar café De Hemel, (mede) tengevolge van welke bovengenoemde omstandigheden op 1 januari 2001:

voornoemde kerstversiering heeft vlamgevat en aldus brand is ontstaan in café De Hemel en

meerdere aanwezigen in café de Hemel, toen in dat café op 1 januari 2001 brand ontstond, niet, althans onvoldoende snel, voornoemd café konden verlaten,

tengevolge waarvan het telkens aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is dat:

[de namen van veertien slachtoffers]

zodanig letsel, te weten inhalatietrauma en/of verstikking en/of zuurstoftekort en/of uitgebreide en/of ernstige brandwonden en/of zodanig ander letsel hebben bekomen, dat deze (mede) aan de gevolgen daarvan zijn

overleden, zulks terwijl dat feit is begaan in de uitoefening van zijn beroep.

3.

te Volendam aanmerkelijk nalatig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of onnadenkend:

in de periode van 15 november 2000 tot en met 1 januari 2001 in café De Hemel

- op de deur van de nooduitgang aan de zijgevel een balk vlak boven een ondersteboven gemonteerde panieksluiting aanwezig heeft gehad en heeft gehouden, waardoor die panieksluiting bij een noodsituatie onvoldoende direct zichtbaar en onvoldoende direct bruikbaar was, en

- achter een deur waarboven een transparantverlichting met de aanduiding nooduitgang hing een naar binnen draaiende draai/kanteldeur zonder panieksluiting aanwezig heeft gehad en heeft gehouden, welke

draai/kanteldeur uitkwam op een plat dak zonder vluchttrap,

en

brandbare kerstversiering, waaronder blauwspartakken en papieren kerstklokken en lametta op een bespanning van nylon draad op meer plaatsen in café De Hemel zodanig laag heeft laten ophangen en heeft laten hangen dat, naar hij had kunnen vermoeden, brandende aanstekers en brandende sterretjes, althans open vuur daarmee in aanraking zou(den) kunnen komen/worden gebracht en welke brandende sterretjes op 1 januari 2001 ook daadwerkelijk in aanraking met die kerstversiering zijn gekomen

en

in de nacht van 31 december 2000 op 1 januari 2001 ongeveer 250 à 300 personen en aldus aanmerkelijk meer personen dan verantwoord was, heeft toegelaten in café De Hemel en op de toegangstrap naar café De Hemel, (mede) tengevolge van welke bovengenoemde omstandigheden op 1 januari 2001:

voornoemde kerstversiering heeft vlamgevat en aldus brand is ontstaan in café De Hemel en

meerdere aanwezigen in café de Hemel toen in dat café op 1 januari 2001 brand ontstond, niet, althans onvoldoende snel, voornoemd café konden verlaten, tengevolge waarvan het telkens aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is dat:

[de namen en geboortedata van 109 slachtoffers]

zwaar lichamelijk letsel, te weten 2e en/of 3e graads brandwonden en/of

inhalatietrauma en/of een gebroken rug heeft/hebben bekomen, zulks terwijl dat feit is begaan in de uitoefening van zijn beroep.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1. Aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl het feit iemands dood tengevolge heeft en terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat, meermalen gepleegd;

2. Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl het misdrijf is gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep, meermalen gepleegd;

3. Aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl het misdrijf is gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de hoofdstraffen en de bijkomende straf

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Op 1 januari 2001, kort na de jaarwisseling, heeft zich, mede als gevolg van aanmerkelijke nalatigheid, onoplettendheid, onachtzaamheid en onnadenkendheid van verdachte, in de door hem geëxploiteerde bar De Hemel te Volendam een ramp voorgedaan. Door een korte, hevige brand die in die bar heeft gewoed zijn 14 jonge mensen om het leven gekomen en zijn honderden andere jonge mensen gewond geraakt, van wie velen ernstig. Voor de familie en vrienden van de dodelijke slachtoffers heeft de ramp onpeilbaar en blijvend verdriet tot gevolg gehad. Velen van de gewonden zullen hun leven lang met de - veelal ernstige en zichtbare - gevolgen van de opgelopen verwondingen geconfronteerd blijven. De rechtbank is zich er van bewust dat geen enkele bestraffing recht kan doen aan de pijn en het verdriet die de slachtoffers en nabestaanden tengevolge van de ramp te dragen hebben gekregen. De gevolgen voor slachtoffers en nabestaanden zal de rechtbank bij de strafoplegging betrekken.

Ook betrekt de rechtbank daarbij dat verdachte - door tot aan de terechtzitting na te laten om op passende wijze blijk te geven van medeleven met slachtoffers en nabestaanden - veel direct en indirect door de ramp getroffen Volendammers extra leed heeft toegebracht. Verdachtes stelling dat die houding voortkomt uit een daartoe strekkend advies van zijn voormalige raadslieden moge daarvoor een verklaring vormen, een rechtvaardiging daarvoor is zij niet, te minder nu verdachte ook zonder erkenning van schuld aan de ramp van zijn betrokkenheid bij het leed van de hiervoor bedoelde getroffenen blijk had kunnen geven.

Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte zich kort na het plaatsvinden van de ramp intensief heeft ingezet bij de hulpverlening aan de slachtoffers en dat hij door het verlies van een neef bij de ramp ook persoonlijk door die ramp is getroffen.

Verder neemt zij in aanmerking dat verdachte tot op de dag van vandaag in de tamelijk gesloten Volendamse gemeenschap door velen wordt aangekeken op zijn - als weinig fijngevoelig en coöperatief ervaren - houding bij de afwikkeling van de gevolgen van de ramp en dat er voor deze zaak veel - deels voor verdachte belastende - media-aandacht is (geweest).

Voorts betrekt de rechtbank in haar oordeel dat ook verdachte de ramp niet heeft gewild en dat ook andere feiten en omstandigheden dan verdachtes aanmerkelijke schuld hebben bijgedragen aan het ontstaan van de ramp en aan de ernst van de gevolgen daarvan.

Bij beschouwing van de verwijten die aan verdachte kunnen worden gemaakt en die naast de hiervoor genoemde factoren de rechtbank tot leidraad hebben gediend bij de strafoplegging, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat verdachte als exploitant van de bar De Hemel een bijzondere verantwoordelijkheid had voor de gezondheid en veiligheid van de bezoekers van die bar tijdens hun verblijf aldaar. Deze bijzondere verantwoordelijkheid komt ook tot uitdrukking in artikel 24 van de Drank- en Horecawet zoals dat ten tijde van de brand van kracht was. Dat artikel verplichtte verdachte, die blijkens zijn eigen verklaring als exploitant de enig leidinggevende was van de bar De Hemel, ertoe om in die bar aanwezig te zijn tijdens de openingstijd van de bar.

Allereerst heeft verdachte als horeca exploitant gehandeld in strijd met de plaatselijke regelgeving (artikel 2 onder 4 van bijlage 4 van de bouwverordening Edam-Volendam) doordat hij op sommige plaatsen in de bar De Hemel op een hoogte van minder dan 2.50 meter gerekend vanaf het vloeroppervlak kerstversiering had laten aanbrengen, terwijl die versiering bovendien gemakkelijk ontvlambaar was.

Ook overigens heeft verdachte er onvoldoende zorg voor gedragen dat de kerstversiering, die in grote hoeveelheden was aangebracht, niet op betrekkelijk gemakkelijke wijze met door barbezoekers ontstoken open vuur in aanraking kon komen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het niet ongebruikelijk is dat bezoekers van horecagelegenheden met boven het hoofd gehouden brandende aanstekers of - rond oud en nieuw - met brandende sterretjes meedeinen op de ten gehore gebrachte muziek, hetgeen blijkens een in het dossier aanwezige verklaring kennelijk ook in de bar De Hemel het geval is geweest Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte onvoldoende instructies heeft gegeven en toezicht heeft gehouden om te voorkomen dat - mede door eigen personeel - sterretjes werden verstrekt en ontstoken.

Daarenboven valt het verdachte in het bijzonder te verwijten dat hij juist op een avond als die van oud op nieuwjaar, waarop zich in een horecagelegenheid als een jongerenbar in het centrum van Volendam veel onverwachte en ongewenste gebeurtenissen kunnen voordoen, op uitgerekend het tijdstip dat die gebeurtenissen zich bij uitstek kunnen voordoen, niet in die bar aanwezig is geweest.

Daarmee heeft hij zich voorafgaand aan de ontstane brand de mogelijkheid ontnomen om voldoende toezicht te houden.

Verdachte heeft daarnaast onvoldoende maatregelen getroffen om te voorkomen dat er op het moment van het ontstaan van de brand aanzienlijk meer publiek in de bar De Hemel aanwezig was dan uit veiligheidsoverwegingen verantwoord was.

Daarenboven heeft hij onvoldoende maatregelen getroffen om te voorkomen dat er te jeugdige personen zonder begeleiding van ouderen in die bar aanwezig waren.

Ook hier geldt dat verdachte, gelet op zijn hiervoor vermelde bijzondere verantwoordelijkheid, in aanmerkelijke mate tekort is geschoten in zijn plicht ervoor zorg te dragen dat een te ruime toelating van deels ook nog te jeugdig publiek werd voorkomen. Immers verdachte heeft het barcomplex verlaten, kort voor het moment dat - naar op grond van ervaringen uit het verleden te verwachten viel - zeer veel jongeren toegang wilden tot de bar De Hemel.

Het te grote aantal aanwezige - deels te jeugdige - personen in de bar De Hemel heeft tot gevolg gehad dat er ook aanzienlijk meer slachtoffers, onder wie personen onder de leeftijd van zestien jaar, te betreuren zijn dan wanneer verdachte zorg had gedragen voor een verantwoord toelatingsbeleid.

Ook dat valt verdachte in aanmerkelijke mate te verwijten.

Verdachte heeft er in de loop der tijd - zo blijkt uit het dossier en het ter terechtzitting besprokene - blijk van gegeven dat het eerst en vooral verdachte zelf is die bepaalt aan welke regels hij zich heeft te houden.

Deze eigenzinnige houding heeft er in belangrijke mate toe bijgedragen dat er ten tijde van de ramp onvoldoende goed bruikbare vluchtwegen in de bar De Hemel aanwezig waren. Verdachte heeft er, hoewel hij daartoe op grond van zijn hiervoor bedoelde bijzondere zorgplicht gehouden was, niet voor gezorgd dat de nooduitgang aan de zijkant van de bar gemakkelijk bruikbaar was. Evenmin had hij - door de wijze waarop de nooduitgang aan de achterzijde was geconstrueerd en aangegeven en het ontbreken van een trap naar beneden - voor een gemakkelijk bruikbare vluchtweg aan de achterkant van de bar gezorgd.

Ook dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan, te meer omdat hij er in brieven van de gemeente op was gewezen dat zijn horecagelegenheid niet voldeed aan de eisen van brandveiligheid. Die moeilijk bruikbare vluchtwegen, in combinatie met het te grote aantal toegelaten jongeren, hebben tot gevolg gehad dat minder mensen dan anders mogelijk zou zijn geweest, zonder de ernstige gevolgen die zich nu bij hen tengevolge van de ontstane brand hebben voorgedaan, de bar De Hemel vlot konden verlaten.

Aldus is verdachte ook in dit opzicht aanmerkelijk tekort geschoten in de op hem rustende plicht zorg te dragen voor een veilig verblijf van en een veilige ontsnappingsmogelijkheid voor in de bar toegelaten publiek en personeel.

Tenslotte houdt de rechtbank er bij de strafoplegging op de voet van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening mee dat verdachte - zij het voor andersoortige misdrijven en niet onherroepelijk - is veroordeeld tot straf.

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur op zijn plaats. Hoewel er voldoende grond is om deze in onvoorwaardelijke vorm op te leggen, kiest de rechtbank voor een oplegging in voorwaardelijke vorm, allereerst om verdachte niet de mogelijkheid te ontnemen om tot een voor alle betrokkenen bevredigende afwikkeling van de gevolgen van de ramp te komen.

Daarnaast acht de rechtbank het van belang om door middel van een voorwaardelijke straf verdachte het belang in te scherpen van de naleving van door de overheid gestelde regels, in het bijzonder van die regels die beogen de gezondheid en veiligheid van personen te garanderen.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte niet naleeft de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan nieuwe strafbare feiten.

Naast die voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf acht de rechtbank oplegging van de maximaal mogelijke werkstraf op zijn plaats. De rechtbank acht die straf passend en geboden, allereerst om in zekere mate te vergelden hetgeen verdachte door zijn aanmerkelijke schuld mede heeft veroorzaakt, maar bovendien omdat het de rechtbank passend voorkomt dat verdachte zijn - door de bewezenverklaarde feiten veroorzaakte - schuld aan de gemeenschap inlost, door om niet en met inachtneming van door anderen aan hem te geven aanwijzingen in het belang van de gemeenschap werkzaam te zijn.

Zoals hiervoor al meermalen is overwogen, is verdachte bij de uitoefening van zijn beroep in verschillende opzichten aanmerkelijk tekort geschoten in de bijzondere zorgplicht die hij als exploitant van een bar had. Daarom acht de rechtbank het passend en geboden dat verdachte als bijkomende straf uit het recht wordt ontzet het horecabedrijf uit te oefenen voor na te melden duur, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat verdachte er ook ter terechtzitting onvoldoende blijk van heeft gegeven zich bewust te zijn van de verantwoordelijkheden die op een horecaondernemer rusten. Voor wat betreft de duur van de op te leggen ontzetting houdt de rechtbank er tenslotte rekening mee dat verdachte sinds de brand in de bar De Hemel feitelijk al tweeëneenhalf jaar niet in staat is geweest het cafébedrijf uit te oefenen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31, 55, 57, 63, 158, 176, 307, 308 en 309

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de feiten 4 en 5.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder de feiten 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF MAANDEN, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 UREN taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.

De taakstraf moet worden voltooid binnen de termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Ontzet verdachte uit het recht het beroep van horecaondernemer uit te oefenen voor de tijd van TWEE JAREN.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Toeter, voorzitter,

mrs. Grosheide en Vogel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Melchers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 juli 2003.