Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AH9116

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-06-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
15/00007703
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft geoordeeld dat het gebruik van vluchtgegevens in algemene zin voorzover noodzakelijk in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten niet in strijd is met de Wet bescherming persoonsgegevens en niet onrechtmatig is.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Wet bescherming persoonsgegevens 9
Wet bescherming persoonsgegevens 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WBP 2009/43

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

VESTIGING SCHIPHOL

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/ 00007703

Uitspraakdatum: 17 juni 2003

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 juni 2003 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in P.I. Pollart te Roermond.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijsverweer

De verdediging heeft betoogd dat het opvragen en verstrekt krijgen van de vluchtgegevens, op basis waarvan de bagage van verdachte is gecontroleerd, onrechtmatig is geweest. De verdediging wijst daarbij op het "verzoek terbeschikkingstelling persoonsgegevens" ondertekend door de officier van justitie d.d. 23 december 2002 welk verzoek zich in het dossier bevindt. In dit verzoek is vermeld dat de officier van justitie een opsporingsonderzoek heeft ingesteld naar een of meer strafbare feiten. Dit is aldus de raadsvrouw onjuist, omdat verdachte op het moment dat dit verzoek werd gedaan nog geen verdachte was en de vluchtgegevens niet dienden voor een opsporingsonderzoek maar voor een controle door douaneambtenaren. Hieruit volgt dat al het bewijs dat is gevolgd op het gebruik van de vluchtgegevens onrechtmatig is verkregen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt het verweer op grond van het navolgende. Het verzoek van de officier van justitie op basis waarvan de vluchtgegevens zijn verkregen is gebaseerd op de artikelen 8 aanhef en onder e, alsmede artikel 43 en 9 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Uit deze bepalingen blijkt dat persoonsgegevens kunnen worden verstrekt aan de officier van justitie voorzover dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat vluchtgegevens kunnen worden opgevraagd niet alleen ten behoeve van opsporing van reeds begane strafbare feiten, maar ook ten behoeve van controle en toezicht op de luchthaven Schiphol, welke controle niet alleen is gericht op voorkoming van strafbare feiten, maar ook - zoals de ervaring leert - vaak uitmondt in opsporing van strafbare feiten. In het verzoek deelt de officier van justitie mee dat de ter beschikking te stellen persoonsgegevens uitsluitend gebruikt zullen worden ten behoeve van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten.

Nu het betreffende verzoek van algemene aard is en derhalve niet specifiek gericht is op verdachte, ziet de rechtbank niet in dat sprake zou zijn van een onjuiste weergave van de gronden waarop dit algemene verzoek is gebaseerd. De vluchtgegevens zijn derhalve naar het oordeel van de rechtbank rechtmatig verkregen.

De verdediging heeft betoogd dat - nu één der gehoorde getuigen heeft gesproken over richtlijnen op basis waarvan pillen worden bemonsterd en een representatieve hoeveelheid daarvan wordt gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut - die richtlijnen aan het dossier dienen te worden toegevoegd zodat kan worden beoordeeld of de monsterneming conform die richtlijnen is geschied. Nu die richtlijnen zich niet in het dossier bevinden moet ervan worden uitgegaan dat er niet conform die richtlijnen is gehandeld en dat de ingezonden monsters - nu de hoeveelheid ingezonden pillen per aangetroffen soort onduidelijk is gebleven - niet representatief zijn, zodat het onderzoek van het laboratorium geen bewijs vormt voor het feit dat het zou gaan om MDMA. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.

Subsidiair voert de verdediging aan dat het gewicht van de totale telastegelegde hoeveelheid XTC pillen niet vaststaat omdat er drie soorten pillen waren en elke soort een ander gewicht had. Uit het dossier blijkt niet hoeveel pillen van elke soort zijn aangetroffen.

De rechtbank overweegt het volgende. Ter terechtzitting heeft de getuige, douaneambtenaar [X] verklaard dat er "een soort richtlijn" is op basis waarvan 50 pillen als monster naar het laboratorium worden gezonden om te testen op de aanwezigheid van stoffen als bedoeld in lijst I behorend bij de Opiumwet. De getuige heeft daarbij verklaard dat hij conform die richtlijn heeft gehandeld en dat hij 50 pillen naar het NFI heeft gestuurd.

Nu de getuige onder ede ter zitting heeft verklaard dat hij conform de richtlijn heeft gehandeld, ziet de rechtbank geen reden te gelasten dat deze richtlijn - zo deze al op schrift zou zijn gesteld - aan het dossier wordt toegevoegd. De rechtbank is van oordeel, dat nu 50 pillen naar het laboratorium zijn gestuurd en dat de monsters onder 3 verschillende registratienummers zijn ingeschreven bij het NFI per soort, sprake is geweest van representatieve monsters.

Ten aanzien van het door de verdediging subsidiair gestelde overweegt de rechtbank het volgende. Uit het dossier blijkt dat het totale nettogewicht van de aangetroffen pillen door middel van weging van al die pillen is vastgesteld.

Derhalve mist het verweer feitelijke grondslag en wordt dit verweer verworpen.

De verdediging voert tevens aan dat de verdachte geen opzet op de hoeveelheid pillen heeft gehad, aangezien door verdachte en organisator geen bedrag was afgesproken.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij dacht dat het om 1 kilogram pillen ging. Door opzettelijk over te gaan tot het transport van pillen MDMA, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in zijn koffer meer dan de overeengekomen hoeveelheid zou worden verpakt. Die kans heeft zich hier gerealiseerd.

Bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat hij op 18 januari 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 3.956,5 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet (oud) gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van ongeveer 3.956,5 gram van een materiaal bevattende MDMA. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De uitgevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Bij deze illegale handel wordt veel winst gemaakt.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een ticket, dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat ticket dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

24, 33, 33a van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet (oud).

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals

hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJF EN TWINTIG MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- een vliegticket SWISSAIR.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Don, voorzitter,

mrs. Bijvoet en Scherpenhuijsen Rom, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van Leer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juni 2003.