Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AH9094

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-05-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
15/000884-03 / 10-111133-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is gefouilleerd op grond van artikel 52 lid 4 Wet Wapens en Munitie. De politierechter heeft geoordeeld dat de fouillering onrechtmatig is geweest, omdat de plaats waar de verdachte is gefouilleerd niet als 'een voor aankomst en vertrek bestemd gedeelte van een luchtvaartterein' kan worden aangemerkt. Door de onrechtmatigheid van de fouillering wordt de aangetroffen pistool met de patronen en het verder daarop gedane technisch onderzoek van bewijs uitgesloten. Verdachte is van het tenlastegelegde feit vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers: 15/000884-03 (hoofdzaak)

10-111133/02 (TUL)

Datum uitspraak: 22 mei 2003 (bij vervroeging)

Tegenspraak

V O N N I S

van de politierechter in de rechtbank te Haarlem, vestiging Schiphol in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland te Haarlem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 mei 2003.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 15/000884-03. Van deze dagvaarding is een kopie (bijlage I) aan dit vonnis gehecht.

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie heeft gerekwireerd -zakelijk weergegeven- de bewezenverklaring van het ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en onttrekking aan het verkeer van een pistool.

NIET BEWEZEN

Tijdens een fouillering hebben opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee "in de broeksband" van verdachte een pistool met patronen aangetroffen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat men verdachte, voordat hij werd gefouilleerd, had zien staan in de buurt van een informatiebalie in aankomsthal 3 van luchthaven Schiphol. Deze plek is gelegen in een gebied dat aan de ene kant wordt begrensd door een glazen wand van de aankomsthal (afscheiding douanegebied) en aan de andere kant door winkels van het zogeheten Plaza Shopping Centre. Voor de duidelijkheid is een kopie van een plattegrond als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is ook komen vast te staan, dat er, voordat hij werd gefouilleerd, tegen verdachte geen bezwaren waren in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, maar dat de fouillering is toegepast op grond van de in artikel 52, lid 4 van de Wet Wapens en Munitie aan de betreffende opsporingsambtenaren gegeven (controle)bevoegdheid.

Hoewel er tijdens het onderzoek ter terechtzitting op dit punt geen verweer is gevoerd, heeft de politierechter zich ambtshalve afgevraagd of de hierboven genoemde bevoegdheid ook geldt op de hierboven omschreven plek.

Vast staat dat de opsporingsambtenaren in deze zaak op zich bevoegd zijn om personen die zich bevinden op een voor aankomst en vertrek van reizigers bestemd gedeelte van een luchtvaartterrein (als omschreven bij of krachtens de Luchtvaartwet) aan hun kleding te onderzoeken. Tevens staat vast, dat de plek waar de opsporingsambtenaren verdachte hadden zien staan deel uit maakt van het "luchtvaartterrein" Schiphol.

Rest de vraag of die plek een voor aankomst en vertrek van reizigers bestemd gedeelte is. De politierechter beantwoordt die vraag negatief.

De plek waar de opsporingsambtenaren verdachte hebben zien staan, ligt in een deel dat voor iedereen vrij toegankelijk is. Weliswaar komen daar reizigers, na het passeren van de douane, door deuren in de glazen wand "naar buiten", maar het is voornamelijk het gebied waar door niet-reizigers op Schiphol aankomende of aangekomen reizigers worden opgewacht. Daarnaast is er vrij toegang voor mensen die daar om andere hen moverende reden willen zijn. Bijvoorbeeld, het enkel daar zijn voor winkel- en/of horecabezoek of "mensenkijken" is toegestaan.

Naar het oordeel van de politierechter volgt uit deze omschrijving al, dat de bedoelde plek niet een voor aankomst en vertrek van reizigers bestemd gedeelte is als bedoeld in het betreffende artikellid. Taalkundig gezien lijkt de bevoegdheid zich te beperken tot een gebied met een zekere exclusiviteit voor aankomende en/of vertrekkende reizigers. Ook de wetsgeschiedenis lijkt op die exclusiviteit het oog te hebben gehad. Uit die wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat de bevoegdheid in de wet is opgenomen om een juridische basis te geven aan de toen en ook nu nog bestaande praktijk om passagiers voor het binnengaan van een vliegtuig te fouilleren. Wat er verder ook van zij, vast staat dat de plaatsen waar die fouilleringen werden en thans nog worden gehouden niet voor iedereen vrij toegankelijk zijn. Ze zijn alleen bestemd voor passagiers en speciaal bevoegd verklaarde personen.

Uit bovenstaande volgt dat het antwoord op de hierboven genoemde (ambtshalve) vraag moet luiden, dat de door de opsporingsambtenaren gebruikte bevoegdheid niet geldt op de plek waar men verdachte heeft zien staan. Dit leidt weer tot het oordeel, dat de fouillering van verdachte onrechtmatig is geweest. Dat in overleg met het Openbaar Ministerie door de Koninklijke Marechaussee deze plek wordt aangemerkt als een gebied vallende onder de strekking van het bedoelde artikellid doet hieraan niet af.

Een onrechtmatige fouillering kan leiden tot bewijsuitsluiting, maar er kan ook aanleiding zijn tot strafvermindering als bedoeld in artikel 359a, lid 1 sub a van het Wetboek van Strafvordering. Juist omdat er tegen verdachte geen enkele verdenking bestond toen hij werd gefouilleerd, dient in deze zaak het aantreffen van het pistool met de patronen en het verder daarop gedane technisch onderzoek van bewijs te worden uitgesloten. Feiten en/of omstandigheden die op dit punt tot een ander oordeel moeten leiden zijn niet gevonden.

Omdat er naast het aantreffen en het resultaat van het gedane technisch onderzoek onvoldoende wettige bewijsmiddelen zijn, moet verdachte van wat hem ten laste is gelegd worden vrijgesproken.

ONTTREKKING AAN HET VERKEER

Hoewel verdachte wordt vrijgesproken zullen het betreffende pistool en de betreffende patronen worden onttrokken aan het verkeer. Op zich is het voorhanden hebben van deze voorwerpen een strafbaar feit. Het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is in strijd met de wet en het onderhavige feit is met betrekking tot deze voorwerpen begaan.

DE VORDERING NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de tenuitvoerlegging wordt gelast van een op 20 november 2002 door de Politierechter in de rechtbank Rotterdam tegen de verdachte uitgesproken voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand.

De beslissing in deze vordering valt of staat met de beslissing in de hoofdzaak. Vrijspraak in de hoofdzaak leidt in deze zaak tot afwijzing van de vordering.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De maatregel van onttrekking aan het verkeer is gebaseerd op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht

BESLISSING

De politierechter:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart onttrokken aan het verkeer:

-een pistool, merk FN Browning, kaliber 7.65mm met bijbehorende patroonhouder en 6 patronen;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte en beveelt diens onmiddellijke invrijheidstelling;

- wijst af de vordering na voorwaardelijke veroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Ruijter, politierechter, in tegenwoordigheid van mr.Van Leer, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2003.