Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AG2349

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
15/035615-02
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2004:AR3622
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar voor een serie misdrijven, waaronder een overval op een 87- jarige winkelierster in een sigarenwinkel in Haarlem en een tweetal overvallen op taxi's.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummers: 15/035615-02 en 15/040653-02

Uitspraakdatum: 17 juni 2003

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 juni 2003 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende: [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Noord Holland Noord, Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag.

De rechtbank heeft ter terechtzitting de zaken onder bovenstaande parketnummers gevoegd.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaardingen is omschreven. Een kopie van die dagvaardingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

De in de dagvaarding opgenomen feiten heeft de rechtbank gevoegd en van doorlopende nummers voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

Op vordering van de officier van justitie is de tenlastelegging van feit 1 subsidiair, feit 5 primair en subsidiair, feit 8 primair en subsidiair (alsmede de tekst van de ad informandum gevoegde feiten 3, 14, 21 en 23) ter terechtzitting gewijzigd. Een kopie van die vordering is als bijlage Ia bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 8 primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 primair, 6, 7, 8 subsidiair en 9 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan op de wijze als vermeld in de van dit vonnis deel uitmakende bijlage II.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 primair, 6, 7, 8 subsidiair en 9 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1 subsidiair: Medeplegen van voorbereiding van afpersing, terwijl de dader opzettelijk voorwerpen kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft en voorhanden heeft;

2: Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3 en 4 telkens: Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

5 primair: Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oog-merk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zich-zelf of aan andere deelnemers aan het misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

6: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

7: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd;

8 subsidiair: Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

9 primair: Diefstal.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 21 mei 2003, opgemaakt door T.P. de Bot, reclasseringswerker.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft met een groep mededaders van wisselende samenstelling in een periode van vijf maanden een reeks van inbraken en overvallen gepleegd, waarbij de rechtbank - gelet op de inhoud van het dossier - verdachte in de meeste gevallen als initiator beschouwt.

Met twee mededaders heeft verdachte een overval op een tabakszaak beraamd. Hij heeft daartoe een bivakmuts gekocht en is ter plaatse gaan onderzoeken hoe de overval het beste kon plaatsvinden. Hierbij werd doelbewust een winkel uitgezocht die werd gedreven door een ouder echtpaar, omdat dit een gemakkelijk doelwit zou zijn.

Voorts hebben verdachte en twee mededaders een oudere vrouw op straat met geweld van haar handtas beroofd. Zij waren ervan op de hoogte dat deze tas een waardevolle inhoud had, omdat verdachte en een van zijn mededaders de klanten in een bank hadden geobserveerd om te ontdekken wie een geschikte prooi zou zijn.

Tevens hebben zij getracht een 87-jarige vrouw in haar winkel te beroven, waarbij een mededader over het onderste deel van de winkeldeur naar binnen is gesprongen en die vrouw op gewelddadige wijze heeft vastgepakt.

Verder is bewezenverklaard dat verdachte en zijn mededaders een taxichauffeur onder bedreiging van een vuurwapen dat zij in zijn nek hadden gezet en vervolgens doorlaadden, hebben gedwongen geld aan hen af te geven.

Vier dagen later heeft verdachte samen met mededaders wederom onder bedreiging van een vuurwapen een taxichauffeur geld afgeperst.

Met name deze overvallen zijn zeer ernstige feiten, en de slachtoffers hebben- zo blijkt uit de stukken - nog lange tijd onder de psychische gevolgen ervan geleden. Het meest schrijnende voorbeeld is wellicht de poging tot diefstal met geweld c.q. afpersing van de 87-jarige vrouw, die na dit feit zeer angstig was, alleen nog met het licht aan durfde te gaan slapen en die al haar levenslust had verloren.

Naast het persoonlijke leed dat de directe slachtoffers is aangedaan, veroorzaken dergelijke gewelddadige feiten tevens in de samenleving grote gevoelens van onrust en onveiligheid.

Tevens heeft verdachte, telkens om wraak te nemen voor - in zijn ogen - hem aangedaan onrecht, de auto's van de personen met wie hij onenigheid had in brand gestoken en op deze wijze enorm veel schade aangericht.

Daarnaast is verdachte onder valse voorwendselen als werknemer bij McDonald's aan het werk gegaan achter de kassa en heeft hij in die hoedanigheid bekenden te veel wisselgeld teruggegeven, om op deze - geraffineerde - wijze een rekening die hij naar zijn zeggen had met een uitzendbureau, te vereffenen.

Ook zijn nog een bedrijfsinbraak en een diefstal van benzine bij een tankstation bewezenverklaard.

Tenslotte bevat de dagvaarding een lijst van 23 gekwalificeerde diefstallen, met name bedrijfs- en auto-inbraken, die door de verdachte zijn bekend en die de rechtbank zal meenemen in haar strafoplegging. De rechtbank gaat ervan uit dat de officier van justitie verdachte hiervoor niet meer apart zal vervolgen.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte al vele malen voor met name vermogens- en geweldsdelicten is veroordeeld, laatstelijk bij vonnis van 14 november 2000 tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met een gedeelte van 9 maanden voorwaardelijk, van welke veroordeling verdachte tijdens het plegen van de onderhavige feiten nog in een proeftijd liep. Kennelijk weerhouden veroordelingen, al dan niet met "een stok achter de deur" in de vorm van een voorwaardelijke straf, verdachte er niet van om strafbare feiten te plegen.

Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat verdachte binnen 48 uur na zijn vrijlating uit een detentie van enkele dagen, op 2 november 2002 wederom een ernstig strafbaar feit begaat, te weten de afpersing van een taxi-chauffeur.

Uit het dossier, het aantal door verdachte gepleegde feiten en zijn rol daarin, de documentatie, de inhoud van het reclasseringsrapport en zijn- veelal ontkennende - houding ter terechtzitting, komt verdachte thans naar voren als een onverbeterlijke veelpleger, die ter bescherming van de maatschappij tot een langdurige vrij-heidsbenemende straf veroordeeld dient te worden. Alleen op grond van de nog jeugdige leeftijd van ver-dachte, komt de rechtbank tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Vorderingen benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 541,67 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 2 tenlastegelegde feit zou hebben gele-den.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade, gelet op de verklaring van de benadeelde partij met betrekking tot het bedrag dat zij uit de pinautomaat heeft opgenomen, tot een bedrag van € 516, 67 eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde feit. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

De rechtbank zal voorts bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] is door diens gemachtigde [naam gemachtigde] een vordering tot schadevergoeding van € 825,= ingediend tegen verdachte wegens schade die hij als gevolg van het onder 4 tenlastegelegde feit zou hebben geleden. De vordering betreft materiële schade ten bedrage van € 125,= en immateriële schade ten bedrage van € 700,=.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de materiële als de immateriële schade tot het gevorderde bedrag eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde feit, terwijl de immateriële schade tot het gevorderde bedrag redelijk en billijk voorkomt. De vordering zal dan ook geheel worden toegewezen.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, ver-dachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 853,= ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de onder 8 tenlastegelegde feiten zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit deze bewezenverklaarde feiten. De vordering dan ook worden toegewezen

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 25,87 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 9 tenlastegelegde feit zou heb-ben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde feit. De vordering dan ook worden toegewezen

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6330,= ingediend tegen verdachte wegens materië-le schade die zij als gevolg van het onder 14 ad informandum gevoegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat aangezien deze schade niet rechtstreeks voortvloeit uit enig aan verdachte tenlastegelegd feit, deze vordering zich niet leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal dan ook niet in de vordering kunnen worden ontvangen.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om telkens een schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet terug gegeven voorwerpen (waarvan door verdachte, zoals uit de stukken blijkt, reeds afstand is gedaan), te weten

- 2 handschoenen,

- 100 lire munt (Italië),

- een afschrift van de Postbank (a 1301-03-01),

- een zonnebril (a13030-01),

- sieraad (diverse onder nummer A1301-01),

- een sleutel

- een portemonnee, kleur bruin (H 1302)

dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezenver-klaarde feiten met behulp van dan wel met betrekking tot die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een bivakmuts,

- een pistool (A1402-01),

- een bivakmuts (A1304-01),

- een patroondoosje (H2102-01),

- een patroonkogel (H2101-04-02),

dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bewezenver-klaarde feiten met behulp van die voorwerpen (waarvan verdachte blijkens de stukken reeds afstand heeft gedaan) zijn begaan of voorbereid, dan wel dat die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen, terwijl die voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. terwijl het ongecontroleerde bezit van het pistool, het patroondoosje en de patroonkogel in strijd is met de wet en het ongecontroleerde bezit van de bivakmutsen in strijd is met het algemeen belang, aangezien deze voor afdreiging geschikt zijn.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

24, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 46, 47, 57, 157, 310, 311, 312, 317.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder 1 primair en 8 primair tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 primair, 6, 7, 8 subsidiair en 9 primair ten-lastegelegde feiten heeft begaan zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 primair, 6, 7, 8 subsidiair en 9 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 516,67 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij voornoemd, rekeningnummer 119701642 tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het meer of anders gevorderde.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade, te weten een bedrag van € 825,= en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij voornoemd, rekeningnummer 499649 tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuit-voerlegging alsnog te maken.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] geleden schade, te weten een bedrag van € 853,= en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij voornoemd, rekeningnummer 653033451 tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeel-de partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 4]geleden schade, te weten een bedrag van € 25,87 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij, voornoemd, rekeningnummer 373506538 tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 516,67 bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voorzover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een mededader aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte inzoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 825,= bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 16 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voorzover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een mededader aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte inzoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 853,= bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 17 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 25,87 bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart verbeurd::

- 2 handschoenen,

- 100 lire munt (Italië),

- een afschrift van de Postbank (a 1301-03-01),

- een zonnebril (a13030-01),

- sieraad (diverse onder nummer A1301-01),

- een sleutel

- een portemonnee, kleur bruin (H 1302)

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een bivakmuts,

- een pistool (A1402-01),

- een bivakmuts (A1304-01),

- een patroondoosje (H2102-01),

- een patroonkogel (H2101-04-02),

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Diender, voorzitter,

mrs.Wolfs en Raymakers, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier Struijk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juni 2003.

Mr. Raymakers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.