Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AF6613

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-03-2003
Datum publicatie
31-03-2003
Zaaknummer
195521 AZ VERZ 03-81
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Kanton

Locatie Zaanstad

Beschikking artikel ex artikel 7:685 B.W.

Zaaknummer: 195521 AZ VERZ 03-81

Datum beschikking: 28 maart 2003

In de zaak van:

GTI N.V.

te Bunnik,

gemachtigde: mr. C.A.J. Hoek,

nader te noemen GTI,

tegen:

[VERWEERDER]

te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M.H. Andreae,

nader te noemen [verweerder].

B E S C H I K K I N G

Het verzoek wordt afgewezen.

Iedere partij moet de eigen kosten dragen.

***********************

1 Verloop van de procedure

1.1 Verzoek.

Op 10 februari 2003 is een verzoekschrift ontvangen dat strekt tot ontbinding van een tussen partijen gesloten arbeidsovereen-komst.

1.2 Verweer.

[verweerder], die verweer voert tegen de verzochte ontbinding, heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 Mondelinge behandeling.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 27 maart 2003.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen op de terechtzitting is voorgevallen. Deze worden op verzoek uitgewerkt in een proces-verbaal.

De gemachtigde van GTI heeft een pleitnota overgelegd.

De inhoud van alle processtukken wordt hier als hier overgenomen beschouwd.

De uitspraak is tenslotte bepaald op vandaag te 14.00 uur.

2 Vaststaande feiten

2.1 In deze procedure zijn de volgende feiten voldoende komen vast te staan.

2.1.1 [Verweerder], thans 39 jaar oud, is sinds 17 juli 1999 bij GTI werkzaam, tot 1 januari 2000 via een uitzendbureau, daarna tot 1 januari 2001 op arbeids-contract voor bepaalde tijd en sindsdien voor onbepaalde tijd. Zijn functie is calculator/werkvoorbereider. Het laatstverdiende salaris bedraagt € 2.562,81 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslag. De arbeid wordt gewoonlijk verricht te Zaandam.

2.1.2 [Verweerder] heeft sinds zijn 28e levensjaar een verslavingsverleden. Dat heeft hij voor indiensttreding niet aan GTI gemeld. Zijn ziekteverzuim in het jaar 2001 was bovengemiddeld. Op 16 oktober 2002 heeft [verweerder] zich opnieuw ziek gemeld. Het bleek dat hij moest worden opgenomen in een (gesloten) ontwenningskliniek. Inmiddels is hij overgeplaatst naar een open centrum. Vooralsnog is onduidelijk wanneer hij bij GTI kan terugkeren.

2.1.3 Tijdens de afwezigheid van [verweerder] werden zijn werkzaamheden overgenomen door een collega. Die is daardoor zo overbelast geraakt dat deze zich op zijn beurt heeft ziek gemeld.

2.1.3 Op 6 juli 2001 heeft [verweerder] een officiële waarschuwing gehad wegens zijn functioneren. Over 2001 volgde vervolgens een slechte functiebeoordeling.

3 Het verzoek

3.1 Achtergrond van het verzoek.

Het verzoek is gebaseerd op gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 7:685 BW, te weten enerzijds de voortdurende afwezigheid van [verweerder], die tot een onwerkbare situatie heeft geleid en anderzijds diens disfunctioneren. Daarbij komt nog dat het vertrouwen in [verweerder] is komen weg te vallen nu hij voor indiensttreding heeft nagelaten te melden dat hij (nog steeds) verslaafd was aan harddrugs. Dat had [verweerder] volgens GTI wel moeten melden, nu hij wist of had moeten begrijpen dat deze verslaving hem op enigerlei tijdstip zou verhinderen om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. GTI tilt daar zwaar aan en meent dat [verweerder] zich in zoverre geen goed werknemer heeft betoond. GTI wil op korte termijn een nieuwe kracht aantrekken en wil niet het risico lopen dat [verweerder] zich na zekere tijd weer meldt om te komen werken.

4 Het verweer

4.1 Verweer.

[verweerder] erkent dat hij vanaf zijn 28e levensjaar drugs gebruikte. Hij wist zijn gebruik echter terug te brengen tot incidenteel. Daarom is het niet juist dat hij bij indiensttreding vanwege die achtergrond wist, of behoorde te begrijpen dat hij daardoor in de toekomst zou uitvallen. Integendeel; het ging toen juist erg goed met hem. Hij bouwde heel bewust aan zijn toekomst, ging trouwen en kreeg kinderen. Juist is dat hij uiteindelijk is teruggevallen in zijn verslaving, toen hij op het werk werd geconfronteerd met overbelasting en een projectleider met wie hij niet goed overweg kon.

Betwist wordt dat [verweerder] disfunctioneert. Er wordt inhoudelijk verweer gevoerd tegen de in dat verband door GTI geuite verwijten.

[Verweerder] benadrukt dat hij de nodige hulp heeft ingeroepen en hard vecht om weer gezond te worden. In die strijd kan hij het tussentijds verlies van zijn baan er echt niet bij hebben. Hij wil na zijn genezing weer aan de slag. Hij begrijpt dat dit moeilijk zal zijn in de vestiging Zaandam, maar GTI heeft dusdanig veel andere vestigingen dat een overplaatsing mogelijk is. Het ontslagverbod bij ziekte behoort daarom onverkort te worden toegepast in de onderhavige zaak.

5 Beoordeling van het verzoek

5.1 Ontvankelijkheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden komen vast te staan, die zouden nopen tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek.

5.2 Ontslagverboden.

Ik heb mij ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een verbod tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst of een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 648, 670 en 670a van het Burgerlijk Wetboek, of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Dat blijkt inderdaad het geval, hetgeen hoort te leiden tot afwijzing van het verzoek.

5.3 Nadere overwegingen met betrekking tot de geweigerde ontbinding.

Voorop gesteld moet worden dat [verweerder] sinds 16 oktober 2002 wegens ziekte verhinderd is zijn werkzaamheden uit te voeren. Dat deze ziekte is terug te voeren tot zijn verslavingsproblematiek doet daaraan niet af. Aan [verweerder] komt daarom in beginsel ook in een procedure als de onderhavige vooralsnog ontslagbescherming toe. Dat GTI door deze ziekte in organisatorische problemen is geraakt mag waar zijn, maar dat ligt bij een ziekmelding van een sleutelfiguur (bij een krappe bezetting) nu eenmaal in de lijn der verwachtingen en behoort tot het gewone ondernemersrisico.

Voor de door GTI voorgestane informatieplicht aan de kant van [verweerder], die in de visie van GTI op eigen initiatief melding had moeten maken van zijn verslavingsproblematiek, kan geen deugdelijke aanknoping in de wet worden gevonden. Gelet op het bepaalde in artikel 4 van de Wet op de medische keuringen en artikel 3 van het Besluit aanstellingskeuringen was een medische keuring niet aan de orde. In het verlengde daarvan hoefde [verweerder] bij zijn sollicitatie dan ook in beginsel geen melding te maken van zijn ziekelijke predispositie.

Een uitzondering op dat beginsel kan alleen dán worden aanvaard, indien sprake was van een gebrek waarvan [verweerder] wist, of in redelijkheid behoorde te begrijpen, dat hij daardoor ongeschikt was voor de geambieerde functie. Daarvan is in dit geval evenwel niet gebleken. Drugsverslaving is weliswaar (vrijwel) niet te genezen, maar wel te behandelen. Zo blijkt menige verslaafde na het succesvol ondergaan van een behandeling uiteindelijk in staat deze neiging te onderdrukken en clean te blijven. Overigens zien vele verslaafden in de praktijk kans om de negatieve gevolgen van hun verslavingsgedrag dusdanig te beperken of te maskeren, dat zij maatschappelijk normaal kunnen functioneren. Dat laatste is kennelijk het geval geweest toen [verweerder] bij GTI kwam werken, want GTI heeft hem niet voor niets, na een periode als uitzendkracht en een aansluitend contract voor bepaalde tijd, voor onbepaalde duur in dienst genomen. Anders gezegd: [verweerder] was klaarblijkelijk (in elk geval) tot en met medio 2001 heel wel geschikt voor de door hem uitgeoefende functie.

Daarna is het naar mijn inschatting echter inderdaad verkeerd gegaan. Ik houd het erop dat [verweerder] in de loop van 2001 is teruggevallen in zijn verslavingsgedrag, waarvan de gevolgen uiteindelijk niet meer waren te maskeren. Het ligt dan ook voor de hand dat hij toen wel degelijk slechter is gaan functioneren. Zo bezien is dat disfunctioneren evenwel als een gevolg van zijn ziekte aan te merken en niet als een zelfstandige grond voor de verzochte ontbinding.

Ik ben het met [verweerder] eens dat hij onder de gegeven omstandigheden onverminderd recht heeft op de door de wet voorziene ontslagbescherming. Het door GTI gewenste einde van de dienstbetrekking zou zijn genezingsproces op onaanvaardbare wijze belemmeren, althans in gevaar brengen. [verweerder] moet de kans krijgen om zonder de extra druk van een ontslag aan zijn herstel te werken, waarbij van GTI mag worden gevergd dat zij te zijner tijd haar wettelijke reïntegratieverplichtingen nakomt.

6 Kosten

6.1 Proceskosten.

Omtrent de proceskosten moet worden geoordeeld zoals hiervoor bij de beslissing bepaald.

Aldus gegeven door mr. F.M.Visser, kantonrechter in de rechtbank Haarlem, locatie Zaanstad, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.