Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AF6605

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-03-2003
Datum publicatie
31-03-2003
Zaaknummer
192934
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

sector kanton, locatie Haarlem

zaaknummer: 192934

datum uitspraak: 27 maart 2003

Beschikking ontbinding arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

COÖPERATIEVE RABOBANK BEVERWIJK U.A.,

te Beverwijk,

verzoekster,

hierna: de Rabobank,

gemachtigde mr. H.J. van der Hauw,

--tegen--

[VERWEERSTER],

te [woonplaats],

verweerster,

hierna: [verweerster],

gemachtigde mr. C.B.C. van Tuinen-Andringa.

1. De procedure

1.1 Op 8 januari 2003 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van de Rabobank, strekkende tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. [Verweerster] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 maart 2003. Op deze zitting hebben partijen hun standpunt nader toegelicht. De gemachtigden van partijen hebben pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is verhandeld.

1.3 Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

1.4 De inhoud van de stukken dient als hier ingelast te worden beschouwd.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro-ken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partij-en het volgende vast:

a. [Verweerster] is 34 jaar oud. Zij is sedert 1 april 1990 bij de Rabobank in dienst, momenteel op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De hui-dige functie van [verweerster] is cliënt adviseur A tegen een salaris van thans €1.051,11 bruto per maand op basis van 20 uur per week, exclusief emolumen-ten.

b. [Verweerster] heeft zichzelf, zonder overleg en/of toestemming van een daartoe bevoegde medewerker van de Rabobank, op 2 december 2002 een zogenaamd COF-krediet van €2.000,00 verschaft door zichzelf in het systeem van de Rabo-bank een overbruggingskrediet te geven.

c. Een COF-krediet is een mogelijkheid om een klant ter overbrugging alvast ruimte te geven om betalingen te kunnen verrichten.

d. De Rabobank heeft na ontdekking van deze handeling door [verweerster] haar onmiddellijk geschorst.

e. Uit intern onderzoek is gebleken dat één klantadviseur C en één klantadviseur A eveneens zichzelf zonder daartoe bevoegd te zijn een COF-krediet hebben ver-schaft. De arbeidsrelatie met die klantadviseur C is inmiddels beëindigd, terwijl de arbeidsovereenkomst van de andere klantadviseur A bij beschikking van he-den per 1 april 2003 wordt ontbonden.

3. Het verzoek

3.1 De Rabobank verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De Rabobank baseert het verzoek primair op een dringende reden en subsidiair op veranderingen in de omstandigheden.

3.2 Ter toelichting heeft de Rabobank het volgende - samengevat - gesteld.

Uit een intern onderzoek is gebleken dat [verweerster] zichzelf op 2 december 2002 een zogenaamd COF-krediet heeft weten te verschaffen door zichzelf in het systeem van de Rabobank een overbruggingskrediet te geven. Zij heeft dit gedaan zonder daartoe de bevoegdheid te hebben en zonder enig overleg met haar superieuren.

De handelwijze van [verweerster] vormt een dringende reden voor ontslag op staande voet.

Door haar handelwijze heeft [verweerster] het door de Rabobank in haar gestelde vertrouwen volledig verspeeld. Er is sprake van een onherstelbare vertrouwensbreuk die elke verdere samenwerking tussen de Rabobank en [verweerster] onmogelijk maakt.

4. Het verweer

[Verweerster] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] om toekenning van een vergoeding waarbij de correctiefactor op minimaal 2 wordt gesteld.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW. Daarvan is in dit geval geen sprake.

5.2 Omtrent de vraag of zich gewichtige redenen voordoen die tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst moeten leiden, wordt het volgende overwogen.

Tussen partijen staat vast dat [verweerster] geen bevoegdheid had om zichzelf door gebruikmaking van het systeem van de bank en zonder toestemming van een daartoe wel bevoegde medewerker van de Rabobank een COF-krediet te verschaffen. [Verweerster] had als bankmedewerkster met lange ervaring moeten weten dat het zichzelf toekennen van een dergelijk krediet op haar eigen rekening niet mag geschieden zonder die toestemming. Dit is een regel die bij iedere bankmedewerker voorop behoort te staan, waarbij het niet uitmaakt of die regel nu wel of niet op schrift is gesteld. In beginsel is schending van die regel voldoende voor beëindiging van de arbeidsovereen-komst wegens een dringende reden.

Gelet echter op het lange dienstverband van [verweerster] en het feit dat niet gebleken is dat op haar functioneren tot de thans verweten gedraging ooit aanmerkingen zijn gemaakt, is de kantonrechter van oordeel dat de verweten gedraging in dit geval van onvoldoende gewicht is om de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden te ontbinden. De Rabobank had voor minder ver gaande maatregelen moeten kiezen en moeten onderzoeken op welke manier het geschonden vertrouwen had kunnen worden hersteld. Het verzoek kan daarom niet op de primaire grondslag worden toegewezen.

Het verzoek kan wel op grond van wijziging in de omstandigheden worden toegewezen. Ter zitting is namelijk overduidelijk geworden dat de arbeidsrelatie inmiddels zodanig is verstoord dat een vruchtbare samenwerking in de toekomst niet meer valt te verwachten. Voor die samenwerking ontbreekt het noodzakelijke wederzijdse vertrouwen.

Voor aanhouding van de beslissing en het horen van getuigen bestaat geen aanleiding. Ook indien de stellingen van [verweerster] juist mochten blijken te zijn, brengt één en ander geen wijziging in het bovenstaande oordeel. [verweerster] heeft immers haar eigen verantwoordelijkheid als bankmedewerkster en zij dient deze te nemen los van de vraag hoe anderen binnen de Rabobank opereren. Zij heeft die verantwoordelijkheid niet genomen, maar zelf het vertrouwen van de Rabobank in haar geschaad. Bovendien is het zo dat, ook indien binnen de Rabobank de door [verweerster] gestelde "cultuur" bestaat, van de Rabobank niet verlangd kan worden die cultuur in stand te laten/houden wanneer blijkt dat dit in strijd komt met haar bedrijfsvoering en bedrijfsbeleid.

5.3 Er zijn dus voldoende gewichtige redenen de arbeidsovereenkomst op korte termijn te ontbinden. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 april 2003. De kantonrechter houdt daarbij geen rekening met de fictieve opzegtermijn, omdat deze blijkens de wetsgeschiedenis voor rekening van [verweerster] behoort te blijven.

5.4 Omtrent de vraag of de omstandigheden van het geval meebrengen dat [verweerster] naar billijkheid een vergoeding behoort te worden toegekend, wordt het volgende overwogen.

Zoals hierboven reeds is overwogen rechtvaardigt de verweten handeling van [verweerster] in beginsel een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden.

Daar staat tegenover dat van de Rabobank had mogen worden verwacht dat zij de mogelijkheden van minder ingrijpende maatregelen had onderzocht. Niettemin blijft het toch de gedraging van [verweerster] waardoor het vertrouwen in haar is geschonden.

Dat de Rabobank geen schade zou hebben geleden, zoals [verweerster] heeft aange-voerd, is niet relevant omdat dit niets afdoet aan het geschonden vertrouwen. [Verweer-ster] heeft immers de meergenoemde regel, waarvan zij zich bewust had moeten zijn, geschonden. Dat op zich heeft het vertrouwen in haar geschaad.

Tegenover de handelwijze van [verweerster] is uiteindelijk onvoldoende gebleken dat de Rabobank in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt op grond waarvan aan [verweerster] toch een vergoeding moet worden toegekend.

5.5 De kantonrechter is op grond van het bovenstaande van oordeel dat voor toekenning van een vergoeding aan [verweerster] geen aanleiding bestaat.

5.6 Nu geen vergoeding wordt toegekend is het verzoek aanstonds toewijsbaar en kan de zaak bij eindbeslissing worden afgedaan.

5.7 Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in deze beschikking is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

5.8 Gezien de aard van de procedure worden de kosten tussen partijen gecompen-seerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De kantonrechter:

Ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 april 2003.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.

NB: De beslissing op een hangende deze procedure door verweerster gedaan verzoek tot dagbepaling van een voorlopig getuigenverhoor is gepubliceerd onder LJN-nummer AF6607.