Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AF6593

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
31-03-2003
Zaaknummer
172705 eindvonnis
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Haarlem

sector kanton, locatie Haarlem

zaak/rolnummer: 172705 /CV EXPL CV 02-2588

datum uitspraak: 26 maart 2003

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

in de zaak van

ADP NEDERLAND B.V.

te Rotterdam

eisende partij

hierna te noemen ADP

gemachtigde mr. J.A. Trimnach

--tegen--

VAN LAMMEREN HOLDING B.V.

te Heemstede

gedaagde partij

hierna te noemen Van Lammeren

gemachtigde mr. J.M. de Bruijn

De verdere beoordeling van het geschil

1. De kantonrechter volhardt bij hetgeen in het tussenvonnis van 27 november 2002 is overwogen en beslist. Bij dat vonnis is de zaak naar de rol verwezen om ADP in de gelegenheid te stellen alsnog op de eerst bij dupliek gevoerde weren te reageren. Verder is ADP verzocht om aan te geven welke algemene voorwaarden zij bij repliek heeft overgelegd; niet duidelijk was van wanneer die voorwaarden zijn, terwijl Van Lammeren een afwijkende set in het geding heeft gebracht die kennelijk uit 2000 stammen.

ADP heeft op 8 januari 2003 een akte genomen.

2. Van Lammeren heeft betwist dat de algemene voorwaarden van ADP op de overeenkomst van toepassing zijn. ADP heeft daartegenover gesteld dat Van Lammeren die toepassing uitdrukkelijk heeft aanvaard door ondertekening van de opdrachtbevestiging waarin die aanvaarding is opgenomen en dat een wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden, zoals Van Lammeren, ook dan aan de algemene voorwaarden is gebonden als bij het sluiten van de overeenkomst de gebruiker begreep of moest begrijpen dat Van Lammeren de inhoud daarvan niet kende. Dat standpunt van ADP is naar het oordeel van de kantonrechter correct. Daarbij geldt dat ook het beroep dat Van Lammeren nog doet op het bepaalde in de artikelen 6:233 jo. 6:234 BW niet kan slagen, omdat Van Lammeren haar jaarrekening via de Kamer van Koophandel openbaar had gemaakt en haar daarom ingevolge het bepaalde in artikel 6:235 BW geen beroep toekomt op de in artikel 6:233 BW genoemde vernietigbaarheden. Van Lammeren heeft niet betwist dat zij haar jaarrekening heeft gepubliceerd, zodat van de juistheid van het standpunt van ADP ter zake wordt uitgegaan. Van Lammeren kan daarom niet met succes een beroep doen op de artikelen 6.233 BW en 6:234 BW.

3. Van Lammeren heeft voorts betoogd dat ADP niet voldaan heeft aan haar informatieplicht, doordat ADP heeft verzuimd Van Lammeren erover te informeren dat ADP nieuwe algemene voorwaarden 2002 in gebruik had genomen en ADP eenzijdig de overeenkomst heeft gewijzigd.

Ook dat betoog kan Van Lammeren niet helpen. In de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden 1992 van toepassing zijn verklaard en de bepalingen waarop ADP in deze procedure een beroep doet maken nu juist deel uit van die algemene voorwaarden 1992. Dat ADP in de loop van 2002 nieuwe voorwaarden in gebruik heeft genomen staat geheel buiten deze zaak, aldus ADP, en van schending van de informatieplicht is geen sprake. De kantonrechter gaat daarin met ADP mee, evenals met het standpunt van ADP dat de overeenkomst niet eenzijdig is gewijzigd. Ook het daarop gebaseerde verweer wordt daarom verworpen.

4. Van Lammeren heeft verder aangevoerd dat artikel 6:237 onder i BW analoog moet worden toegepast omdat de bepalingen in de algemene voorwaarden waar ADP een beroep op doet, als onredelijk bezwarend moeten worden beschouwd. Zoals hierboven overwogen komt Van Lammeren geen beroep toe op artikel 6:233 BW, dat handelt over onredelijk bezwarende voorwaarden. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor een analoge toepassing als door Van Lammeren verlangd. Niet is gebleken dat Van Lammeren een op consumenten gelijkende wederpartij is, terwijl artikel 4.7 van de algemene voorwaarden niet bepaalt dat de wederpartij altijd een vergoeding verschuldigd is behoudens in geval van beëindiging wegens tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit die overeenkomst. Ook dat verweer wordt verworpen.

5. Tot slot heeft Van Lammeren ten aanzien van de toepasselijkheid van die betreffende artikelen uit de algemene voorwaarden nog een beroep gedaan op de redelijkheid en de billijkheid. Partijen hebben over een langere periode een goede verstandhouding opgebouwd en Van Lammeren heeft een redelijk voorstel tot het oplossen van deze kwestie gedaan, welke ADP van de hand heeft gewezen, aldus Van Lammeren, en het is onder die omstandigheden niet redelijk en billijk dat ADP een beroep op die artikelen doet.

6. ADP heeft daartegenover aangevoerd dat Van Lammeren de toepasselijkheid van de voorwaarden uitdrukkelijk had geaccepteerd en dat ADP geen reden had om aan te nemen dat dat toch niet het geval was. Daarnaast is het evident dat ADP schade heeft geleden en volgens ADP valt niet in te zien dat zij onredelijk of onbillijk handelt door die schade (deels) op Van Lammeren te verhalen. Zij mocht, doordat Van Lammeren de overeenkomst voor 1 oktober 2000 niet had opgezegd, ervan uitgaan dat de overeenkomst na 31 december 2000 nog minimaal een jaar zou voortduren; de nu door ADP gederfde winst moet Van Lammeren aan ADP vergoeden. ADP heeft eerst op 23 oktober 2000 de opzegging ontvangen hetgeen duidelijk veel te laat is, terwijl een opzegtermijn van drie maanden niet onredelijk is. ADP ziet dan ook niet in dat haar handelen in strijd zou zijn met de redelijkheid en de billijkheid.

7. Ook hierin is het gelijk te vinden aan de kant van ADP. Niet is gebleken dat Van Lammeren eerder dan tijdens deze kwestie moeite had met de algemene bepalingen van ADP en met de artikelen 4.1, 4.2 en 4.7 in het bijzonder. Daar was naar het oordeel van de kantonrechter ook geen reden voor. De opzegtermijn van drie maanden sluit aan bij de termijn genoemd in het eerder door Van Lammeren aangehaalde artikel 6:237 BW, maar dan onder l. Daarin wordt vermoed dat het voor een consument, een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, onredelijk bezwarend is als een opzegtermijn wordt bepaald die langer is dan drie maanden. Niet valt in te zien dat voor een minder zwak geachte partij dan een consument een opzegtermijn van niet langer dan drie maanden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Evenmin is naar diezelfde maatstaven onaanvaardbaar dat ADP de schade die zij lijdt doordat Van Lammeren niet tijdig de overeenkomst heeft opgezegd, door Van Lammeren vergoed wenst te zien. Dat het voor de bedrijfsvoering van ADP van belang is te weten voor welke periode zij diensten gaat verlenen aan een klant, is te begrijpen. Dat zij wat Van Lammeren betreft er vanaf 1 oktober 2000 ervan uitging dat dat zou voortduren tot 31 december 2001 is ook begrijpelijk. Dat zij de te derven winst over die periode (deels) op Van Lammeren wil verhalen is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Van Lammeren zal aan ADP de schade moeten vergoeden.

8. Van Lammeren heeft verder nog betoogd dat het bedrag dat ADP ter zake van die schadevergoeding verlangt niet redelijk en billijk is. ADP heeft echter verwezen naar artikel 4.7 van de toepasselijke algemene voorwaarden dat bepaalt dat ADP, indien de opdrachtgever niet op de in die voorwaarden voorgeschreven wijze opzegt, bij wijze van schadevergoeding een bedrag in rekening mag brengen gelijk aan 25 % van de bedragen die ADP Van Lammeren in rekening heeft gebracht in de twaalf maanden direct voorafgaande aan de maand waarin Van Lammeren geen of te weinig verwerkingsgegevens heeft verstrekt met een minimum van ƒ 1.000,-- (€ 453,78) en nog onverlet de gemaakte initiële kosten.

Aangezien de initiële kosten nog buiten die schadevergoeding vallen, wordt ook het verweer van Van Lammeren verworpen voorzover gebaseerd op het betoog dat de initiële kosten in de jarenlange relatie allang zijn terugverdiend.

9. De kantonrechter is van oordeel dat die via de algemene voorwaarden overeengekomen schadevergoeding van 25 % van de omzet van het voorafgaande jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Van Lammeren heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat dat wel het geval zou zijn. Van die maatstaf van 25 % van de jaaromzet wordt daarom uitgegaan.

10. Partijen verschillen verder van mening wat een redelijke schadevergoeding is. Daarbij speelde aanvankelijk mee dat partijen het niet eens waren over de omvang van de omzet van het voorafgaande jaar, oftewel van de facturen die ADP Van Lammeren gedurende dat jaar in rekening heeft gebracht. Van Lammeren stelt zich op het standpunt dat zij over de voorgaande 12 maanden van ADP slechts facturen tot een totaalbedrag van ƒ 2.989,46 heeft ontvangen en dat de schadevergoeding daarom niet meer mag bedragen dan ƒ 747,37 (€ 339,14), welk bedrag Van Lammeren heeft aangeboden te betalen om de zaak op minnelijke wijze af te doen, welk aanbod ADP heeft afgeslagen.

ADP heeft bij conclusie van repliek gesteld dat zij Van Lammeren € 6.423,36 in rekening had gebracht. Zij heeft recht op betaling van 25 % daarvan zijnde € 1.605,97, aldus ADP, en zij heeft Van Lammeren voor dat bedrag op 11 december 2000 een factuur gezonden voor een schadevergoeding van ƒ 3.012,-- gebaseerd op ƒ 12.047,-- aan in rekening gebrachte werkzaamheden te betalen per 1 januari 2001, waar Van Lammeren nimmer tegen heeft geprotesteerd anders dan dat zij meende dat de algemene voorwaarden niet van toepassing waren.

Van Lammeren heeft daarop bij conclusie van dupliek gereageerd door te betogen dat zij in de bedoelde periode voorafgaande aan de opzegging ƒ 2.989,46 heeft betaald en dat zij een schadevergoeding van ƒ 747,37 c.q. ƒ 1.000,-- alleszins redelijk en billijk vindt.

Daarmee heeft Van Lammeren echter naar het oordeel van de kantonrechter de nadere onderbouwing van ADP ter zake niet weersproken; artikel 4.7 van de algemene voorwaarden neemt (terecht) niet de verrichte betalingen als maatstaf, maar de rekeningen die naar aanleiding van de verrichte werkzaamheden zijn verstuurd. Van Lammeren heeft niet meer betwist dat de rekeningen tezamen ƒ 12.047,-- hebben bedragen. Omgerekend naar euro is dat € 5.466,69 en niet, zoals ADP meent, € 6.423,36. Volgens haar eigen stellingen heeft ADP recht op 25 % daarvan, zijnde € 1.366,67 en dat is gelijk aan het door ADP in haar factuur van 11 december 2000 opgegeven bedrag van ƒ 3.012,--. Waar ADP vandaan haalt dat zij in dat verband aanspraak kan maken op € 1.605,97 is de kantonrechter onduidelijk; voorover het gevorderde schadebedrag dat bedrag van € 1.366,67 te boven gaat, wordt de vordering als ongegrond afgewezen.

11. ADP heeft verder nog vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, welke vordering mede is gebaseerd op de algemene voorwaarden. Behalve ten aanzien van de toepasselijkheid van die voorwaarden, waarover hiervoor al een beslissing is genomen, heeft Van Lammeren geen verweer gevoerd tegen dat deel van de vordering. Van Lammeren dient deze incassokosten te voldoen, omdat deze een redelij-kerwijs te verwachten gevolg zijn van het feit dat Van Lammeren niet op tijd aan haar verplichtingen heeft vol-daan. Het staat ADP immers vrij om ter verzekering van haar rechten incas-somaatregelen te nemen. Van Lammeren heeft niet betwist dat de opgevoerde kosten door ADP zijn gemaakt, zodat dit vast staat. Het ter zake gevorderde bedrag is, gerelateerd aan de toe te wijzen hoofdsom, ook overeenkomstig de staffel behorende bij het rapport Voorwerk II van de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak Ook de gevorderde en op de algemene voorwaarden gebaseerde rente is toewijsbaar over de toe te wijzen hoofdsom, nu Van Lammeren met tijdige betaling in verzuim is gekomen.

12. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

13. De proceskosten komen voor rekening van Van Lammeren omdat deze grotendeels in het ongelijk is gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Van Lammeren tot betaling aan ADP van € 1.638,67 te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 1,5 % per maand over € 1.366,67 vanaf 1 januari 2001 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt Van Lammeren tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van ADP tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

exploot € 65,18

vastrecht € 152,--

salaris gemachtigde € 337,50;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.