Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AF5656

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
15/031127-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/031127-02

Uitspraakdatum: 4 maart 2003

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 februari 2003 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord, Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat hij

op 18 november 2002 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in de

richting van de borstkas en in de rechterbovenarm van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen aan verdachte onder primair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

5. Strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweer-exces. Hij heeft daartoe gesteld dat het slachtoffer is begonnen zich agressief tegenover de verdachte uit te laten waarop hij hem vervolgens in de buik heeft geschopt. Het slachtoffer vormde daarmee een onmiddellijk gevaar voor verdachte en van hem kon in die situatie niet worden verwacht anders te handelen dan zoals hij heeft gedaan. Voor zover de reactie van verdachte buiten proportie was, kwam dit door de hevige gemoedsbeweging die het latere slachtoffer, middels de reeds in een eerder stadium gedane beledigingen richting verdachte en zijn moeder, heeft veroorzaakt. In dat verband heeft de raadsman opgeworpen dat er tevens sprake zou kunnen zijn van psychische overmacht. Verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, zo concludeert de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Op basis van het strafdossier gaat de rechtbank er van uit dat verdachte met mes in zijn hand op het slachtoffer is afgestormd. Verdachte heeft zich daarmee zelf in de situatie gebracht dat het tot een confrontatie kwam tussen hem en het slachtoffer. In een dergelijk geval, waarin iemand zichzelf willens en wetens in een situatie brengt waarin een confrontatie als de onderhavige is te verwachten, kan naar het oordeel van de rechtbank een beroep op noodweer dan wel noodweerexces niet slagen. De omstandigheid dat verdachte zichzelf, vanuit een situatie waarin hij vrijelijk kon kiezen, in deze gevechtstoestand heeft gebracht staat ook in de weg aan een geslaagd beroep op psychische overmacht.

Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland, Ressort Amsterdam, Units Arrondissement Amsterdam uitgebrachte rapport van 21 januari 2003 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Het bewezen verklaarde feit vond kennelijk zijn grondslag in een ruzie welke enige weken eerder had plaatsgevonden in een uitgaansgelegenheid en waarbij het reeds eerder tot een treffen is gekomen tussen verdachte en het slachtoffer. De bewezenverklaarde steekpartij vond plaats in een publieke ruimte waar veel reizigers passeren. Misdrijven als het onderhavige veroorzaken grote onrust en brengen gevoelens van onveiligheid teweeg in de samenleving. Daar komt bij dat verdachte aldus de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft geschonden op een zodanig grove manier, dat een en ander ook fataal had kunnen aflopen. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten nog lange tijd de nadelige gevolgen ervan ondervinden.

In de omstandigheden van het onderhavige geval echter, mede gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en het gegeven dat hij nog niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is geweest, vindt de rechtbank aanleiding om een lagere onvoorwaardelijke straf op te leggen dan de - op zichzelf voor een dergelijk feit passende - straf die door de officier van justitie is gevorderd.

Een gedeelte van de na te noemen op te leggen vrijheidstraf behoeft vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd om verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw soortgelijke feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de Reclassering Nederland gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

De rechtbank acht daarnaast tevens een werkstraf van na te noemen duur op zijn plaats.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.521,65 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder primair tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 633,70 (€ 300, -- aan immateriële schade,

€ 50,-- aan (herstel)schade aan de jas, € 250,-- aan gederfde inkomsten en € 33,70 aan gemaakte kosten ter verkrijging van een medische verklaring) eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezenverklaarde feit. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 633,70.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een rood zakmes, merk Black Eagle, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Dit mes behoort de verdachte toe.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat mes is begaan. Het ongecontroleerde bezit van voormeld, inbeslaggenomen mes is in strijd met het algemeen belang.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45 en 287.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder primair tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot vier maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, Ressort Amsterdam, Units Arrondissement Amsterdam, thans in de persoon van [x], zolang die instelling dit nodig acht, ook als zulks inhoudt het volgen van een cursus conflicthantering in het behandelcentrum "De Waag" te Amsterdam.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van honderdvijftig uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door 75 dagen hechtenis.

[BV1]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 633.70 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het meer of anders gevorderde.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 633,70, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door twaalf dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een rood zakmes, merk Black Eagle.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van:

- een beige jas, merk Diesel, lammy coat.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een zwarte jas, merk Zara, nylon jack, halflang, maat 38 (M).

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip, waarop de in deze zaak ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de thans opgelegde gevangenisstraf.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Toeter, voorzitter,

mrs. Vogel en Kerkman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Rovers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 maart 2003.

Mr. Kerkman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.