Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AF5062

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
186895 /VV expl 02-230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Haarlem

sector kanton, locatie Haarlem

zaak/rolnummer: 186895 /VV EXPL 02-230

datum uitspraak: 6 februari 2003

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

in de zaak van

[EISER]

te Lelystad

eisende partij

hierna te noemen [EISER]

gemachtigde mr. E.A. van Wieren

--tegen--

SCHIPHOL DIENSTVERLENING B.V.

te Luchthaven Schiphol

gedaagde partij

hierna te noemen Schiphol Dienstverlening

gemachtigde mr. E.E. Matthijsen

De procedure

[EISER] heeft Schiphol Dienstverlening op 24 oktober 2002 gedagvaard. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 november 2002, waarbij de gemachtigden zich hebben bediend van pleitnotities. Ter zitting is afgesproken dat [EISER] zich nog nader zou uitlaten. Dat heeft [EISER] gedaan, onder overlegging van producties. Vervolgens heeft Schiphol Dienstverlening zich uitgelaten over die producties onder overlegging van eigen producties. Tot slot heeft [EISER] zich nog bij brief van 21 januari 2002 uitgelaten over die laatste producties.

De feiten

a. [EISER] is op 1 april 2000 bij Schiphol Dienstverlening in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, te weten tot en met 31 juli 2002, in de functie van kruier/regulateur tegen een brutoloon van € 1.356,69 exclusief vakantietoeslag en andere emolumenten.

b. In de aanstellingsbrief zoals partijen die op of omstreeks 27 maart 2000 hebben getekend staat onder meer:

"Het niet inzetbaar zijn voor beveiligingstaken kan tot gevolg hebben dat de arbeidsovereenkomst op 31 juli 2002 niet zal worden verlengd maar via rechtswege zal eindigen."

c. In de op 1 april 2000 door partijen getekende overeenkomst staat in artikel XIV:

"In verband met het aangaan van deze arbeidsovereenkomst kan met betrekking tot uw antecedenten een onderzoek worden uitgevoerd. Indien dit voor uw functie van toepassing is, of in de toekomst voor deze of een andere functie binnen onze vennootschap van toepassing wordt, kan in het kader van de Bescherming Burgerluchtvaart tevens een veiligheidsonderzoek worden uitgevoerd. Met nadruk wijzen wij U erop dat, indien U medewerking aan een zodanig onderzoek zou weigeren, of uit het onderzoek van (veiligheids)bezwaren jegens U zou blijken, wij het dienstverband met onmiddellijke ingang zullen beëindigen."

d. [EISER] verrichtte zijn werkzaamheden op de Luchthaven Schiphol. Ten behoeve van zijn werkzaamheden is [EISER] door de dienst Airport Security een Schipholpas afgegeven. Een dergelijke pas wordt eerst afgegeven nadat het ministerie van Binnenlandse Zaken na een veiligheidsonderzoek te kennen heeft gegeven dat er geen bezwaar bestaat tegen de vervulling van de bij de aanvraag opgegeven vertrouwensfunctie. Een dergelijke pas heeft een geldigheidsduur van drie jaar, waarna opnieuw een pas moet worden aangevraagd.

e. Voor het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden is ingevolge de Wet op de Particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (PBO) nog een andere pas noodzakelijk, de zogenaamde grijze pas. Alvorens een dergelijke pas wordt afgegeven, wordt een antecedentenonderzoek uitgevoerd door de Koninklijke Marechaussee, welk onderzoek diepgaander is dan het veiligheidsonderzoek voor de Schipholpas. Airport Security gaat bij het afgeven van de groene/grijze pas geheel af op het advies van de Koninklijke Marechaussee.

Zolang de betrokken werknemer nog niet het diploma Algemeen Beveiligingsmedewerker heeft behaald en wel aan de andere vereisten voldoet, ontvangt hij niet de grijze pas maar in plaats daarvan gedurende zijn opleiding de zogenaamde groene pas. Verder komt het voor dat de procedure voor de groene pas wordt overgeslagen en dat direct bij het behalen van het diploma een grijze pas wordt verstrekt.

f. Op 20 maart 2001 heeft [EISER] het diploma Algemeen Beveiligingsmedewerker behaald.

g. Zowel bij brief van 31 mei 2000, van 2 juli 2002 als van 14 augustus 2002 heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken [EISER] laten weten dat gelet op de uitkomst van het veildigheidsonderzoek er geen bezwaar tegen bestaat dat hij de vertrouwensfunctie waarvoor de aanvraag is gedaan ("categorie/functienummer B") vervult.

h. De manager P & O van Schiphol Dienstverlening, heeft op 31 juli 2002 van de Koninklijke Marechaussee vernomen dat die definitief tot een negatief advies kwam voor de afgifte van die groene/grijze pas. Zij heeft diezelfde dag geprobeerd [EISER] te bereiken, maar dat is niet gelukt.

i. Schiphol Dienstverlening heeft [EISER] opgeroepen voor werkzaamheden op 1 augustus 2002. [EISER] heeft die dag daadwerkelijk werkzaamheden voor Schiphol Dienstverlening verricht.

j. In de loop van 1 augustus 2002 heeft de manager P&O [EISER] bij zich geroepen en zij heeft [EISER] mondeling meegedeeld dat zij van de Koninklijke Marechaussee heeft vernomen dat die een negatief advies geeft ter zake van het afgeven van de groene pas en dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege per 31 juli 2002 is geëindigd.

k. Bij brief van 27 augustus 2002 heeft Schiphol Dienstverlening [EISER] onder meer bericht: "(…) Uit dit onderzoek is gebleken de "groene pas" niet aan u kan worden verstrekt. (…) Wanneer het besluit om u geen pas te verstrekken gehandhaafd blijft zien wij ons op basis van lid XIV uit de arbeidsovereenkomst genoodzaakt de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen.(…)"

l. [EISER] heeft de nietigheid van die opzegging ingeroepen. Ondanks aanmaning heeft Schiphol Dienstverlening vanaf 1 augustus 2002 geen loon meer aan [EISER] betaald.

De vordering

[EISER] vordert bij wijze van voorlopige voorziening (samengevat) veroordeling van Schiphol Dienstverlening tot doorbetaling van het loon ad € 1.356,69 bruto per maand vanaf augustus 2002 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal eindigen, een en ander vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. Verder vordert [EISER] dat Schiphol Dienstverlening wordt veroordeeld om zorg te dragen voor een deugdelijke specificatie op straffe van verbeurte van een dwangsom.

[EISER] stelt daartoe onder meer het volgende.

De overeenkomst is op 1 augustus 2002 zonder tegenspraak voortgezet. [EISER] heeft geheel te goeder trouw gehandeld, er is geen sprake van dat hij Schiphol Dienstverlening op enigerlei wijze heeft misleid. Nimmer is hem verteld dat beëindiging van het dienstverband zou volgen als hij de groene (grijze) pas niet kreeg. Verder meende hij dat de verklaring van geen bezwaar voor afgifte van de groene/grijze pas was verstrekt; hij had geen reden om bijvoorbeeld aan te nemen dat de verkeerde pas was aangevraagd omdat de Schipholpas nog steeds geldig was. Hij is naar Airport Security gegaan en heeft daar zijn handtekening gezet op een grijze pas die nog wel geseald moest gaan worden. Zelfs de heer Korver, hoofd van Airport Security ging er dus vanuit dat die grijze pas zonder bezwaar aan [EISER] kon worden verstrekt.

Hij heeft te goeder trouw gevolg gegeven aan de oproep van Schiphol Dienstverlening voor werkzaamheden op 1 augustus 2002. Toen hem uiteindelijk duidelijk werd dat de Koninklijke Marechaussee een negatief advies gaf voor wat betreft de afgifte van een groene/grijze pas, was het hem niet duidelijk dat hij daartegen nog bezwaar had kunnen indienen. De gang naar de Ombudsman, welke weg [EISER] wel had ingeslagen, bleek uiteindelijk geen soelaas te bieden. Dat hem (nog) geen groene/grijze pas is verstrekt, kan [EISER] niet worden verweten.

Anders dan Schiphol Dienstverlening stelt is er geen sprake van een rechtsgeldige ontbindende voorwaarde in de gesloten arbeidsovereenkomst, ook niet in artikel XIV. Het gesloten stelsel van regels betreffende de beëindiging van de arbeidsovereenkomst laat een ontbindende voorwaarde nauwelijks toe, en een beëindiging als hier voorgestaan, met dringende reden en zonder toestemming van het CWI is niet toegelaten. Daarnaast kan uit de bewoordingen van die tekst niet worden opgemaakt dat men spreekt over het strengere veiligheidsonderzoek in het kader van de grijze pas, in plaats van het veiligheidsonderzoek in het kader van de Burgerluchtvaart.

[EISER] heeft de nietigheid van het hem gegeven ontslag ingeroepen.

[EISER] is dan ook van mening dat de arbeidsovereenkomst nog steeds bestaat alsook de loondoorbetalingsverplichting. Om toch enig inkomen te genereren is hij op uitzendbasis per 4 augustus 2002 bij de KLM aan de slag gegaan.

[EISER] heeft ook recht en belang bij een bruto/netto-specificatie van het ten tijde van dit vonnis verschuldigde.

Het verweer

Schiphol Dienstverlening betwist de vordering en voert daartoe onder meer het volgende aan.

Primair stelt zij zich op het standpunt dat aan de arbeidsovereenkomst per 31 juli 2002 een einde is gekomen. Artikel XIV van de arbeidsovereenkomst bevat wel degelijk een ontbindende voorwaarde, die in werking is getreden nu [EISER] niet beschikt over een (groene/)grijze pas. Zonder die pas kan Schiphol Dienstverlening [EISER] niet inzetten voor de beveiligingswerkzaamheden. In mei 2002 was het advies van de Marechaussee al aangevraagd. Schiphol Dienstverlening liet in de tussentijd [EISER] ander werk doen, omdat Schiphol Dienstverlening [EISER] graag als werknemer wilde behouden. [EISER] leverde op zich goed werk af.

Een medewerker van de afdeling Lost & Found heeft in de week voorafgaand aan 31 juli 2002 aan [EISER] gevraagd of [EISER] op 1 augustus 2002 op de afdeling kon werken en daarbij expliciet de vraag gesteld of het contract van [EISER] afliep. In strijd met de waarheid heeft [EISER] hem toen gezegd dat het volgens P&O in orde was. [EISER] had hem echter moeten melden dat hij op 1 augustus 2002 niet meer kon komen werken omdat zijn contract van rechtswege per 31 juli 2002 zou eindigen. Door dat niet te doen was [EISER] in zijn handelen niet te goeder trouw. Toen de manager P&O vernam dat [EISER] toch op 1 augustus 2002 aan het werk was, heeft zij hem bij zich geroepen en meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst al per 31 juli 2002 van rechtswege was geëindigd.

Verder is Schiphol Dienstverlening van mening dat als de overeenkomst wel is blijven bestaan, deze met niet meer dan één jaar is verlengd.

Subsidiair is Schiphol Dienstverlening van mening dat [EISER] vanaf 1 augustus 2002 geen loon toekomt omdat hij daartegenover geen arbeid heeft gesteld. In tegendeel, vanaf 4 augustus 2002 werkt [EISER] voor de KLM. [EISER] vordert ook geen wedertewerkstelling, enkel loon en dergelijke. Verder betoogt Schiphol Dienstverlening dat op een eventueel [EISER] toekomend loon het inkomen dat hij nu elders verwerft in mindering behoort te worden gebracht.

Tot slot ziet Schiphol Dienstverlening geen aanleiding om een dwangsom te stellen op afgifte van specificaties. Over augustus 2002 heeft Schiphol Dienstverlening die al verstrekt, maar [EISER] kan daarvan een nieuw exemplaar krijgen.

De beoordeling van het geschil

1. De kernvraag van deze procedure is of aan de hand van de thans bekende feiten en omstandigheden de verwachting gewettigd is dat de rechter, in een aan te spannen bodem-procedure, tot de slotsom zal komen dat de arbeidsovereenkomst ook na 31 juli 2002 is blijven bestaan.

2. De kantonrechter gaat er op grond van de volgende vaststellingen en overwegingen voorshands van uit dat Schiphol Dienstverlening de arbeidsovereenkomst inder-daad niet (op de wettelijk vereiste wijze) heeft beëindigd en dat die overeenkomst en daarmee de loonbetalingsverplichting nog voortduren.

3. Schiphol Dienstverlening heeft [EISER] immers opgeroepen voor werkzaamheden na het verstrijken van de bepaalde termijn waarvoor de arbeidsovereenkomst was aangegaan. [EISER] heeft aan die oproep gevolg gegeven en hij heeft op 1 augustus 2002 voor Schiphol Dienstverlening gewerkt. Dat de ene leidinggevende binnen de onderneming van Schiphol Dienstverlening [EISER] heeft opgeroepen terwijl de andere leidinggevende dat niet van plan was en dat er kennelijk sprake was van miscommunicatie, is een omstandigheid die voor rekening van Schiphol Dienstverlening dient te blijven. Het resulteert naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter wel in dat de overeenkomst zonder tegenspraak is voortgezet.

4. Dat [EISER] te kwader trouw heeft gehandeld betreffende het aanbieden en accepteren van arbeid op 1 augustus 2002 is in deze procedure niet gebleken. Gelet op de door beide partijen in het geding gebrachte stukken en het verhandelde ter zitting bestond er kennelijk niet alleen bij [EISER] verwarring over de vraag wanneer welke pas is aangevraagd. Zelfs de directeur van Airport Security was kennelijk zodanig in verwarring gebracht dat hij [EISER] een grijze pas liet tekenen. Dat die pas door de Marechaussee niet is doorgeleid en uiteindelijk niet aan [EISER] is afgegeven, doet aan die verwarring niet af.

5. Het artikel XIV van de schriftelijke arbeidsovereenkomst van 1 april 2002 is naar het oordeel van de kantonrechter geen ontbindende voorwaarde waarop Schiphol Dienstverlening met succes een beroep kan doen. De bewoordingen laten ruimte voor een interpretatie zoals [EISER] die in deze procedure gegeven heeft. Een dergelijke, voor diverse uitleg vatbare ontbindende voorwaarde past naar het oordeel van de kantonrechter niet in het gesloten systeem ter zake van beëindiging van een arbeidsovereenkomst.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen loopt vooralsnog de arbeidsovereenkomst door en wel voor een periode van een jaar, gelet op het bepaalde in artikel 7:668 BW. Ook de loonbetalingsverplichting bestaat nog steeds. Op zich dient Schiphol Dienstverlening [EISER] vanaf 1 augustus 2002 het loon door te betalen. Schiphol Dienstverlening heeft nog gesteld dat [EISER] geen arbeid voor Schiphol Dienstverlening heeft kunnen verrichten omdat [EISER] niet beschikte over een groene pas. Of het onder de gegeven omstandigheden nog zinvol is het dienstverband voort te zetten, is een vraag waarvan de beantwoording niet thuishoort in deze procedure.

Vooralsnog zou Schiphol Dienstverlening wel gebruik van de diensten van [EISER] kunnen maken; Schiphol Dienstverlening heeft immers eerder [EISER] tijdelijk ander werk laten doen, ook al was dat uit nood geboren. Dat zou nu ook nog kunnen.

7. Aan de andere kant heeft [EISER] echter aangegeven dat hij inkomen genereert door te werken voor KLM, al is dat op uitzendbasis. Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de stelling van Schiphol Dienstverlening dat dat inkomen in mindering dient te strekken op het loon dat Schiphol Dienstverlening [EISER] zou moeten betalen. Daarom zal met dat inkomen rekening gehouden worden zoals hierna aan te geven. [EISER] zal daarvoor Schiphol Dienstverlening zijn (met stukken gestaafde) inkomsten uit arbeid elders moeten opgeven over de periode waar het hier om gaat.

8. De wettelijke verhoging wordt afgewezen, omdat de kantonrechter het niet onwaarschijnlijk acht dat in een bodemprocedure die verhoging wordt gematigd.

9. Schiphol Dienstverlening zal daarnaast wel worden veroordeeld tot afgifte van een specificatie, maar gezien de (op)stelling ter zitting van Schiphol Dienstverlening dat zij die (nogmaals) zonder mankeren aan [EISER] zal toesturen, ziet de kantonrechter geen aanleiding daarop een dwangsom te stellen.

10. De proceskosten komen voor rekening van Schiphol Dienstverlening omdat deze in het onge-lijk is gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Schiphol Dienstverlening bij wijze van voorlopige voorziening:

a) om aan [EISER] te betalen € 1.356,-- bruto per maand vanaf 1 augustus 2002 tot de dag waarop rechtsgeldig een einde zal zijn gekomen aan de arbeidsovereenkomst doch uiterlijk tot 1 augustus 2003, op welke betaling in mindering strekt hetgeen [EISER] over diezelfde periode aan inkomen door arbeid elders heeft verworven, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid;

b) om aan [EISER] een deugdelijke bruto-nettospecificatie van alle verrichte en nog te verrichten betalingen te verstrekken, zulks vanaf de maand augustus 2002;

- veroordeelt Schiphol Dienstverlening tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [EISER] tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd, en bepaalt dat de explootkosten worden verhoogd met een percentage dat overeenkomt met het percentage, bedoeld in art. 9, 1e lid, van de Wet op de Omzetbelasting 1968, omdat [EISER] de haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet op grond van genoemde wet kan verrekenen en dit nadrukkelijk verklaart, en de gerechtsdeurwaarder aan de voet van het exploot verklaart dat de kosten in verband daarmee zijn verhoogd:

exploot € 65,18

vastrecht € 152,--

salaris gemachtigde € 450,--.

De explootkosten, € 76,-- aan vastrecht en het salaris gemachtigde moeten aan de griffier van de rechtbank Haarlem worden betaald door storting op rekeningnummer 19.23.25.833 t.n.v. Arrondissement 540 Haarlem onder vermelding van het zaaknummer, het restant moet rechtstreeks worden betaald aan de gemachtigde van [EISER];

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Harts en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.