Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AF4556

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
15/035574-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/035574-01

Uitspraakdatum: 14 februari 2003

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 januari 2003 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Flevoland, HvB Almere Binnen, Caissonweg 2.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I (a en b) aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

Op vordering van de officier van justitie is de tenlastelegging van de feiten 1 en 2 ter terechtzitting gewijzigd. Een kopie van die vordering is als bijlage II (a en b) bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan op de wijze als vermeld in de van dit vonnis deel uitmakende bijlage III.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

medeplegen van moord;

feit 2:

poging tot moord.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en met name uit de bespreking aldaar van het ten behoeve van een eerdere strafzaak vanwege de Stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland uitgebrachte rapport d.d. 4 april 2000 en het vanwege het Pieter Baan Centrum uitgebrachte rapport d.d. 5 december 2002 van een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is samen met zijn mededader betrokken geweest bij twee afschuw wekkende delicten.

Kennelijk op zoek naar avontuur reden verdachte en zijn metgezel in de vroege ochtend van 9 september 2001, in het bezit van een vuurwapen, in een auto. In die situatie stelde verdachte's metgezel aan de orde of verdachte voldoende lef zou hebben om iemand neer te schieten. Verdachte heeft vervolgens, op aanwijzingen van zijn metgezel en met behulp van het door deze schietklaar gemaakte vuurwapen een volstrekt willekeurige passante, die hij eerst met de auto enige tijd had gevolgd, op een moment dat beide auto's voor een verkeerslicht moesten wachten zonder waarschuwing vooraf beschoten. Slechts door snel weg te duiken heeft het slachtoffer deze aanslag overleefd. Het slachtoffer, dat op dat moment vreesde voor haar leven, ondervindt nog steeds ernstige psychische gevolgen van deze traumatische gebeurtenis en draagt de rest van haar leven de sporen van verminking als gevolg van het schampschot in haar schouder.

In de nacht van 15 op 16 oktober 2001 was het verdachte's mededader die op een nietsvermoedende persoon schoten afvuurde. Verdachte en zijn mededader hebben deze aanslag op de afnemer van een partij drugs waarmee een flink bedrag aan geld gemoeid was, tevoren gepland hetgeen mede blijkt uit de omstandigheid dat beiden tassen met kleding in de auto hadden gezet teneinde even weg te kunnen blijven, maar ook uit het feit dat verdachte en zijn mededader met het slachtoffer zijn gereden naar een plaats waar op dat moment geen publiek verwacht hoefde te worden. Terwijl verdachte de aandacht van het slachtoffer afleidde, schoot zijn mededader het slachtoffer van dichtbij met behulp van het meegenomen vuurwapen door het hoofd. Vervolgens heeft deze mededader nog een aantal kogels op het slachtoffer, dat trachtte weg te komen, afgevuurd. De rol van verdachte heeft er onder meer uit bestaan dat hij het slachtoffer aan de praat hield, zodat deze het vuurwapen bij de schutter niet zou bemerken. Verdachte en zijn mededader hebben zich hierop met de auto snel uit de voeten gemaakt en hebben het slachtoffer achtergelaten. Door deze moord is op brute en volstrekt oninvoelbare wijze een man van het leven beroofd en is aan de nabestaanden van dit slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht.

Kenmerkend voor beide delicten is dat geen van beide slachtoffers de verdachte of zijn mededader iets had aangedaan. De een was slechts een toevallige en onbekende passante en de ander was een relatie van verdachte's mededader in de XTC-handel, met wie het - zo is uit het onderzoek ter terechtzitting duidelijk geworden - goed zaken doen was. Met beide delicten heeft verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor het leven van een ander mens.

Dergelijke feiten schokken de rechtsorde in ernstige mate en brengen daarnaast bij de burgers gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid teweeg.

De onderzoekers van het Pieter Baan Centrum komen tot de conclusie dat de feiten - indien bewezen - verdachte volledig kunnen worden toegerekend. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de jeugdige leeftijd van verdachte. Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte's mededader bij beide delicten een initiërende rol heeft gespeeld.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 1], broer van het slachtoffer [naam slachtoffer], heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.649,71 ingediend tegen verdachte; deze betreft een vergoeding van de kosten van de begrafenis van zijn broer.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit 1 primair. De vordering zal dan ook worden toegewezen. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank zal bepalen dat, indien de medeverdachte het bedrag van € 4.649,71 geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte voor dat deel in zoverre zal zijn bevrijd.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.129,47 ingediend tegen verdachte, waarvan € 4.129,47 wegens materiële schade en € 5.000,00 wegens immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat deze materiële en immateriële schade tot het gevorderde bedrag eenvoudig zijn vast te stellen en rechtstreeks voortvloeien uit het onder 2 bewezenverklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank zal bepalen dat, indien de medeverdachte het bedrag van € 9.129,47 geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om een schadevergoe-dingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] is toegewezen, te weten € 4.649,71.

De rechtbank acht eveneens termen aanwezig om een schadevergoe-dingsmaatregel aan verdachte op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] is toegewezen, te weten € 9.129,47.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 10, 27, 36f, 45, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VEERTIEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 4.649,71 en veroor-deelt verdach-te tot betaling van dit bedrag aan [naam benadeelde partij 1], voornoemd, rekeningnummer [nummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroor-deelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 4.649,71, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 46 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] en/of de staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1].

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 9.129,47 en veroor-deelt verdach-te tot betaling van dit bedrag aan [naam benadeelde partij 2], voornoemd, rekeningnummer [nummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 9.129,47, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] en/of de staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2].

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Verpalen, voorzitter,

mrs. Sicking en De Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Thijs,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 februari 2003.