Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AF4437

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
177244 CV EXPL 02-4236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

sector kanton, locatie Haarlem

zaak- en rolnummer: 177244 \ CV EXPL 02-4236

woensdag 12 februari 2003

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake:

de vereniging met rechtspersoonlijkheid

Huurders Vereniging Velsen

te IJmuiden, gemeente Velsen

eiseres

nader te noemen: HV Velsen

gemachtigde: mr M.J. Meijer

contra

de stichting met rechtspersoonlijkheid

Stichting Woningbedrijf Velsen

te IJmuiden, gemeente Velsen

gedaagde

nader te noemen: WB Velsen

gemachtigde: mr O.A.H. van Dalsum

1 Het verloop van de procedure:

Bij dagvaarding van 6 juni 2002 is tegen WB Velsen een vordering ingesteld als in de dagvaarding nader omschreven.

WB Velsen is in de procedure verschenen om verweer te voeren. Nadat de kantonrechter heeft besloten dat de zaak zich niet leende voor een comparitie van partijen na antwoord hebben partijen respectievelijk een conclusie van repliek en een conclusie van dupliek genomen.

De inhoud van die stukken kan als hier ingelast en herhaald worden beschouwd.

Vonnis werd (nader) bepaald op heden.

2 De vordering en het verweer:

HV Velsen vordert de veroordeling van WB Velsen tot betaling van:

primair: 19 x € 105,11 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2002, tot aan de dag der voldoening;

subsidiair: van 19 x € 79,46 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten in redelijkheid te stellen op 15% van de hoofdsom;

alles voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van WB Velsen in de proceskosten.

HV Velsen heeft de vordering ingesteld namens 19 van haar leden die haar daartoe hebben gemachtigd. De machtigingen zijn in het geding gebracht.

Het zijn de huurders van de appartementen die deel uitmaken van het appartementencomplex aan de De Noostraat en wel de nummers 3 tot en met 157 en van de Van Broekhovenstraat 24 te IJmuiden, gemeente Velsen.

WB Velsen heeft aan die huurders bedragen in rekening gebracht als servicekosten voor het onderhoud van de groenvoorziening aan de achterzijde van het complex waar de woningen deel van uitmaken. Eén van de bewoners van het complex, [bewoner] heeft op 1 juli 1998 de huurcommissie verzocht uitspraak te doen over de juistheid van de in rekening gebrachte kosten. De huurcommissie heeft bij uitspraak van 7 april 1999 geoordeeld dat het niet redelijk is dat een huurder van het complex een bijdrage moet leveren in de kosten van onderhoud van de groenvoorziening, nu deze een openbaar karakter heeft en niet exclusief voor de bewoners toegankelijk is. WB Velsen heeft verklaard tegenover de huurcommissie, zoals in de uitspraak van de huurcommissie ook is vermeld, dat de uitspraak van toepassing zal zijn op alle tot dit complex behorende woningen, zolang de situatie ter plaatse niet is gewijzigd.

WB Velsen heeft aan [bewoner] de over de jaren 1997, 1998 en 1999 in rekening gebrachte tuinkosten gerestitueerd en voorts met ingang van 1 juli 1999 voor alle bewoners van het complex het voorschot tuinkosten van het complex vervallen verklaard. Zij weigert echter de tuinkosten die die huurders over de jaren 1997 tot en met 1999 reeds hebben betaald, terug te betalen. De uitspraak is echter door de huurcommissie van toepassing verklaard op het gehele complex. WB Velsen erkent dit ook nu zij wel de nog niet vervallen tuinkosten heeft laten vervallen.

Bij conclusie van repliek heeft HV Velsen haar gronden aangevuld door de vordering mede te baseren onverschuldigde betaling door de huurders van de tuinkosten cq ongerechtvaardigde verrijking van WB Velsen.

WB Velsen heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd, waarop, voorzover terzake, bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

3 De beoordeling van het geschil:

Op grond van wat partijen over en weer aan de orde hebben gesteld en niet of onvoldoende hebben betwist staan de volgende feiten vast:

- HV Velsen vertegenwoordigt de huurders van de woningen aan de De Noostraat 11, 25, 35, 51, 65, 69, 85, 87, 89, 91, 97, 105, 107, 111, 113, 117, 127, 141 en de voormalige huurder van de woning aan de Van Broekhuizenstraat 24, allen te IJmuiden, gemeente Velsen, waarvan de namen zijn vermeld op de door hen ondertekende machtigingen die in het geding zijn gebracht.

- De onderhavige woningen maken deel uit van een appartementencomplex dat eigendom is van WB Velsen.

- De huurder van de woonruimte aan de De Noostraat 119 heeft bij verzoekschrift van 1 juli 1998 de huurcommissie gevraagd uitspraak te doen wat zijn betalingsverplichting is met betrekking tot de in artikel 12 lid 1 Huurprijzenwet Woonruimte bedoelde boven de huurprijs in rekening te brengen kosten. Daarbij ging het om de door WB Velsen in rekening gebrachte kosten voor het tuinonderhoud.

- Bij uitspraak van 17 maart 1999 heeft de huurcommissie geoordeeld dat de vergoeding voor de kosten van het tuinonderhoud over de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 nihil is.

- Geen van de betrokken partijen heeft zich binnen twee maanden na de verzending van de uitspraak tot de kantonrechter gewend teneinde de bijkomende kosten te laten vaststellen.

- WB Velsen heeft aan [bewoner] de betaalde kosten voor tuinonderhoud over de jaren 1997 tot en met 1999 terugbetaald. Met ingang van 1 juli 1999 heeft zij die kosten ook voor de overige huurders van woningen binnen het complex afgeschaft.

In alinea 4 van de conclusie van repliek stelt HV Velsen de vordering te vermeerderen. Naast de hierboven reeds genoemde aanvulling van de grondslag geeft zij aan dat de huurprijs tot 1 oktober 1999 moet worden herzien en opnieuw moet worden vastgesteld. Het petitum wordt echter niet aangepast, terwijl door HV Velsen in het geheel gronden voor herziening van de huurprijzen voor de betreffende woning worden aangevoerd, zodat zij in die vermeerdering van eis, indien al ingesteld, niet kan worden ontvangen.

WB Velsen erkent met zoveel woorden te hebben toegezegd dat de uitspraak van de huurcommissie van toepassing zal zijn op alle tot dit complex behorende woningen, zolang de situatie ter plaatse niet zal zijn veranderd.

Op grond van die verklaring kon van de betrokken huurders niet worden verwacht dat zij, na de uitspraak van de huurcommissie, die weliswaar niet voor het gehele complex gold, maar wel betrekking had op feiten die voor de overige woningen niet anders waren, zoals HV Velsen onweersproken heeft gesteld, zich ieder afzonderlijk met een gelijk verzoek als [bewoner] tot die huurcommissie zouden wenden. Niet alleen is dit wel bijzonder inefficiënt maar bovendien zou dit voor hen maar ook voor WB Velsen nodeloos hoge kosten met zich meebrengen.

De formulering van de verklaring van WB Velsen laat geen ruimte voor de interpretatie dat dit alleen voor de toekomst zou gelden. De uitspraak had immers nu juist betrekking op de periode waarop de vorderingen betrekking hebben.

Echter, de vordering is duidelijk gebaseerd op de Huurprijzenwet Woonruimte. Artikel 38 lid 1 van die wet kent een vervaltermijn voor het instellen van de vordering tot terugbetaling van hetgeen onverschuldigd is betaald. Gerekend vanaf de dag waarop de uitspraak van de huurcommissie in de zaak van [bewoner] onherroepelijk is geworden en derhalve is gaan gelden als overeengekomen tussen partijen, zou die termijn verre zijn overschreden. Dat dan een vordering ingesteld door een huurder die geen partij was in de behandeling door de huurcommissie wel ruimschoots na het verstrijken van die termijn zou kunnen worden ingesteld, moet op grond van de beginselen van redelijkheid en billijkheid, die de verhouding tussen partijen beheersen, onaanvaardbaar worden geacht. HV Velsen heeft haar - althans de door haar vertegenwoordigde huurders hebben hun - recht in deze dan ook verwerkt.

Van enige ongerechtvaardigde verrijking van WB Velsen is niet gebleken in deze.

Het vorenstaande leidt er toe dat zowel de primaire als de subsidiaire vordering zal worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de nevenvorderingen nu deze van het lot van de hoofdvordering afhankelijk zijn.

HV Velsen zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de proceskosten als hierna volgt.

Hetgeen partijen voor het overige naar voren hebben gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden en behoeft dan ook geen nadere behandeling.

4 De beslissing:

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt HV Velsen in de proceskosten, aan de zijde van WB Velsen tot op heden begroot op € 270,00 aan salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr C.J. Baas en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.