Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AF4436

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
02-1867 ROA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gelet op bewoordingen “Herziene werkwijze ter vervanging van Stappenplan III” dient de asielzoeker te worden uitgenodigd voor een zienswijze gesprek.

Beëindiging voorzieningen ingevolge de Regeling opvang asielzoekers. Ten tijde van het bestreden besluit was op verzoeker de zogenoemde "herziene werkwijze ter vervanging van Stappenplan III" van toepassing. Uitgangspunt van deze werkwijze is dat rechtmatig verwijderbare asielzoekers alleen recht op verstrekkingen behouden als zij medewerking verlenen bij het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument in verband met de terugkeer naar het land van herkomst. In dit verband rust op de asielzoeker zelf een inspanningsverplichting. Gelet op de bewoordingen van het Stappenplan dient de asielzoeker te worden uitgenodigd voor een zienswijze gesprek. Er bestaat dus bezwaar tegen het aangrijpen van een spontane melding van de asielzoeker op het stadskantoor om het zienswijze gesprek te houden, omdat de asielzoeker zich in zo'n geval niet heeft kunnen voorbereiden op het gesprek.

Bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. Voorts biedt de ROA geen grond voor het met terugwerkende kracht beëindigen van de verstrekkingen.

Schorst het bestreden besluit.

Het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk, verweerders.

mr. A.C. Terwiel-Kuneman

Regeling Opvang Asielzoekers

Wijzigingsregeling opvang asielzoekers III

Herziene werkwijze ter vervanging van Stappenplan III

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Reg. nr: Awb 02 - 1867 ROA

Uitspraakdatum: 5 februari 2003

RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

(artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht)

op een verzoek om voorlopige voorziening

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart, advocaat te Beverwijk,

-- tegen --

burgemeester en wethouders van Beverwijk,

verweerders,

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 19 november 2002, verzonden op 19 november 2002, hebben verweerders de door hen aan verzoeker toegekende voorzieningen ingevolge de Regeling opvang asielzoekers (hierna: Roa) met ingang van 4 november 2002 beëindigd.

Hierop heeft verzoekers bij brief van 26 november 2002 gereageerd.

Bij brief van 17 december 2002 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 22 januari 2003, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. E.P.A. Zwart en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door R.W. Bouman.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2. Voor ligt een besluit - in de zin van artikel 1:3 Awb - tot beëindiging van de aan verzoeker door verweerders toegekende verstrekkingen ingevolge de Roa. Eerst dient te worden beoordeeld of aan het connexiteitsvereiste, dat tevens bezwaar aanhankelijk is, wordt voldaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt de brief van 26 november 2002 (tevens) als een bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 19 november 2002, aan te merken. Deze als bezwaarschrift aan te merken brief is binnen de bezwaartermijn ingediend, zodat aan dit vereiste is voldaan.

2.3. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit tevens rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank (vreemdelingenkamer) en tevens verzocht een voorlopige voorziening hangende beroep te nemen. Onder verwijzing naar artikel 3a Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: Wet Coa), heeft hij betoogd dat niet deze voorzieningenrechter bevoegd is, maar de vreemdelingenrechter om over het onderhavige geschil tot beëindiging van verstrekkingen aan een asielzoeker te oordelen.

2.4. Artikel 3a, eerste lid Wet Coa, zoals dat sedert 1 april 2001 geldt, luidt als volgt:

"in afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zijn de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet".

De vreemdelingenrechter is (behalve in die zaken waarin ingevolge de artikelen 44 en 45 Vreemdelingenwet 2000 een zogeheten meeromvattende beschikking is genomen) bevoegd te achten in zaken waarin een afzonderlijk besluit tot beëindiging van verstrekkingen is genomen, ongeacht of de asielaanvraag is ingediend en onherroepelijk is afgewezen ná dan wel vóór de invoering van de Vreemdelingenwet 2000 (tenzij deze verstrekkingen los van de beslissing op de asielaanvraag worden beëindigd). Uit de bewoordingen van artikel 3a Wet Coa volgt echter dat het hier dient te gaan om besluiten (van ná 1 april 2001) in het kader van het beëindigen van verstrekkingen bij of krachtens de Wet Coa. (Hierbij wordt verwezen naar onder meer de uitspraken gepubliceerd in JV 2002/89 en AB 2003/431).

Vastgesteld moet worden dat het onderhavige besluit ziet op de beëindiging van de door verweerders aan verzoeker destijds verleende verstrekkingen in het kader van de Roa, welke regeling op dit punt losstaat van de Wet Coa. Gelet hierop is de rechtbank Haarlem en mitsdien deze voorzieningenrechter bevoegd over het onderhavige geschil te oordelen en niet de rechtbank 's-Gravenhage.

2.5. Ingevolge artikel III van de (per 1 april 2001 in werking getreden) Wijzigingsregeling opvang asielzoekers eindigen de toegekende verstrekkingen, indien het een vreemdeling betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag, op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge de mededeling van de Korpschef dient te verlaten.

2.6. Onbetwist is dat verzoeker, die de Ethiopische nationaliteit heeft, een uitgeprocedeerde asielzoeker is, die rechtmatig verwijderbaar is. Ten tijde van het nemen van het hier bestreden besluit was op verzoeker de zogenoemde "herziene werkwijze ter vervanging van Stappenplan III" van toepassing. Hierin worden de te nemen stappen aangegeven om te komen tot, in het uiterste geval, beëindiging van de aan de asielzoeker verleende verstrekkingen. Uitgangspunt van deze werkwijze is dat rechtmatig verwijderbare asielzoekers alleen recht op verstrekkingen behouden als zij medewerking verlenen bij het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument in verband met de terugkeer naar het land van herkomst. In dit verband rust op de asielzoeker zelf een inspanningsverplichting. Uit de stukken blijkt dat een ambtenaar van de IND verzoeker op 31 oktober 2002 heeft gevorderd voor een zogenoemd terugkeergesprek. In dat gesprek heeft deze IND ambtenaar vastgesteld dat verzoeker niet bereid is mee te werken aan terugkeer naar het land van herkomst. Overeenkomstig het Stappenplan is het terugkeerdossier opgestuurd naar verweerders en is hum verzocht gebruik te maken van de bevoegdheid alle voorzieningen die verzoeker ontvangt in het kader van de Roa te beëindigen. Verweerders hebben deze brief van de IND op 4 november 2002 ontvangen.

2.7. In de herziene werkwijze voor Stappenplan III is vervolgens neergelegd dat hierop verweerders de asielzoeker uitnodigen voor een zogenaamd zienswijze gesprek. De asielzoeker wordt in dit gesprek in kennis gesteld van het feit dat de opvangverlenende instantie voornemens is de voorzieningen te beëindigingen. De asielzoeker kan hierop zijn zienswijze kenbaar maken. Indien de opvangverlenende instantie na een marginale toets geen redenen ziet om de voorzieningen alsnog te continueren, zal worden overgegaan tot het opmaken en uitreiken van een beëindigingsbeschikking.

2.8. Uit het dossier blijkt niet dat verweerders verzoeker voor een dergelijk zienswijze gesprek hebben uitgenodigd. Op de zitting hebben verweerders verklaard dat een spontane melding van verzoeker op het stadskantoor op 19 november 2002 is aangegrepen voor het houden van het zienswijze gesprek. Verweerders stellen zich op het standpunt dat uit het gesprek en de marginale toets niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden.

2.9. Gelet op de bewoordingen van het Stappenplan dient de asielzoeker te worden uitgenodigd voor een zienswijze gesprek. Er bestaat dus bezwaar tegen het aangrijpen van een spontane melding om het zienswijze gesprek te houden, omdat de asielzoeker zich in zo'n geval niet heeft kunnen voorbereiden op het gesprek. Voorts is in dit geval de communicatie tussen de ambtenaar en verzoeker niet vlekkeloos verlopen, waardoor de ambtenaar ten onrechte de indruk heeft gekregen dat verzoeker geen advocaat had. De conclusie kan geen andere zijn dan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. Voorts biedt de Roa geen grond voor het met terugwerkende kracht beëindigen van de verstrekkingen. Naar verwachting zal dit besluit in de hoofdzaak geen stand kunnen houden.

2.10. Uit het voorgaande volgt dat, gelet op de betrokken belangen (de verstrekkende gevolgen die een beëindiging van de opvang meebrengt), onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek daartoe zal derhalve op de hierna vermelde wijze worden toegewezen.

2.11. Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerders.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

3.1. schorst het bestreden besluit van 19 november 2002;

3.2. veroordeelt verweerders in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoeker begroot op € 644,-, te betalen door de gemeente Beverwijk aan de griffier;

3.3. gelast dat de gemeente Beverwijk het door verzoeker betaalde griffierecht van € 29,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op :

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.