Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2003:AF3485

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
88645 - KG ZA 02-688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2003, 55
Gst. 2003, 84 met annotatie van A.H.M. Dölle
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 88645/KG ZA 02-688

Vonnisdatum: 28 januari 2003

264

RECHTBANK TE HAARLEM,

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

STADSPARTIJ LEEFBAAR HAARLEM,

gevestigd te Haarlem,

eisende partij,

procureur mr. J.W. Spanjer,

-- tegen --

[gedaagde],

wonende te Spaarndam, gemeente Haarlem,

gedaagde partij,

procureur mr. P.G. Muller,

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Stadspartij respectievelijk [gedaagde].

1. Het verloop van het geding

1.1 Ter terechtzitting van 14 januari 2003 heeft de Stadspartij overeenkomstig de dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna onder 3. weergegeven en die vordering toegelicht aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. [gedaagde] heeft tegen deze vordering verweer gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.2 Na verder debat in tweede termijn hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op heden of zoveel eerder als mogelijk.

2. De vaststaande feiten

2.1 In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

a. Op 13 november 2002 heeft de Stadspartij een door de fractievoorzitter van de Stadspartij J.P. van Vulpen (hierna: Van Vulpen) en [gedaagde], lid van de Haarlem-se gemeenteraad namens de Stadspartij, in overleg opgesteld en ondertekend pers-bericht (verder: het persbericht) doen uitgaan met de volgende inhoud:

De fractie van de Stadspartij leefbaar Haarlem deelt hierbij mede dat, mede namens haar fractielid [gedaagde], unaniem, in goed en uitvoerig overleg, besloten is dat het belang van het functio-neren van de gemeenteraad mede brengt, gezien de feiten en de ontstane publiciteit, [gedaagde] zijn zetel opgeeft.

De fractie betreurt deze gang van zaken en hoopt op een verder samenwerking binnen de Stadspar-tij Leefbaar Haarlem met [gedaagde].

b. Van Vulpen heeft het persbericht aan de burgemeester van de gemeente Haarlem, J. Pop (hierna: de burgemeester), gezonden met een begeleidende brief d.d. 13 no-vember 2002, waarin onder meer het volgende staat vermeld:

Bijgevoegd de persverklaring, welke na goed en uitvoerig overleg is opgesteld, en welke inhoud door [gedaagde] is ondertekend en door mij namens de fractie.

Het behoeft geen betoog dat een dergelijke affaire zorgvuldig overleg behoeft, waartoe de daartoe bevoegden als volwassenen hun verantwoordelijkheid ook hebben genomen.

Over de afhandeling ook op ander gebied, zou ik het op prijs stellen als nog bepaald overleg tussen u en mij mogelijk zal blijken.

c. Artikel X 2 van de Kieswet bepaalt, voor zover ten deze van belang:

1. Een lid van een vertegenwoordigend orgaan, tot wiens toelating onherroepelijk is beslo-ten, kan te allen tijde zijn ontslag nemen. (…)

2. Hij bericht dit schriftelijk aan de voorzitter van het vertegenwoordigend orgaan. (…)

d. De burgemeester beschouwt de brief van Van Vulpen d.d. 13 november 2002 en het daarbij gevoegde persbericht bij nader inzien niet als een schriftelijk bericht in de zin van artikel X 2 lid 2 van de Kieswet.

e. [gedaagde] is teruggekomen op zijn besluit zijn zetel in de gemeenteraad op te ge-ven.

f. Bij brief d.d. 9 december 2002, heeft [gedaagde] de burgemeester onder meer het volgende bericht:

Hierbij deel ik u mede dat in tegenstelling tot het persbericht van 13 november '02 ik op persoon-lijke titel in de gemeenteraad verder ga.

Reeds op 17 november jl. heb ik mijn fractiegenoten schriftelijk geïnformeerd dat ik bewuste pers-verklaring terug trek.

g. De Stadspartij wenst niet langer samen te werken met [gedaagde] en is voornemens hem te royeren als lid van de Stadspartij.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De Stadspartij vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis al datgene te doen en niets na te laten om af te treden als raadslid van de ge-meente Haarlem en aldus zijn raadszetel ter beschikking te stellen;

2. [gedaagde] te veroordelen om aan de Stadspartij te betalen, indien [gedaagde] van-af twee dagen na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, een dwangsom van € 2.000,-- per dag tot een maximum van € 50.000,--;

3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2 Aan deze vordering legt de Stadspartij primair ten grondslag dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat [gedaagde] zijn zetel in de gemeenteraad zou opgeven. Om die reden staat het [gedaagde] in de visie van de Stadspartij niet meer vrij om terug te komen op zijn besluit om zijn zetel op te geven. Subsidiair legt de Stadspartij aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrecht-matig jegens haar handelt. Door de weigering van [gedaagde] om zijn raadszetel op te geven, worden de belangen van de Stadspartij ernstig geschaad, aangezien zij daar-door slechts met zes in plaats van de haar op grond van de laatste gemeenteraadsver-kiezingen toekomende zeven zetels is vertegenwoordigd in de Haarlemse gemeente-raad. Daarbij komt dat zij reeds toezeggingen heeft gedaan aan een andere partijge-noot, die bereid is om de zetel van [gedaagde] namens de Stadspartij in te nemen, aldus de Stadspartij.

4. Het verweer en de slotsom daarvan

4.1 Tegen de vordering heeft [gedaagde] een aantal weren gevoerd die als volgt kunnen worden samengevat:

1. Tussen [gedaagde] en de Stadspartij is geen overeenkomst gesloten waarin [gedaagde] zich heeft verbonden om ontslag te nemen als gemeenteraadslid.

2. Hoogstens is sprake geweest van een eenzijdige rechtshandeling, te weten een toe-zegging van [gedaagde] aan fractieleden van de Stadspartij in de gemeenteraad om ontslag te zullen nemen als gemeenteraadslid. Die fractieleden zijn individuele personen en vormen niet het bestuur van de Stadspartij.

3. Ook als sprake is van een overeenkomst tussen [gedaagde] en de Stadspartij om ont-slag te nemen als lid van de gemeenteraad, is een dergelijke overeenkomst niet rechtsgeldig. Dit omdat ontslag nemen als gemeenteraadslid geen onderwerp kan vormen van een overeenkomst. [gedaagde] baseert die stelling op artikel X 2 lid 2 van de Kieswet en de memorie van toelichting op dat artikel. Uit de stringente wij-ze waarop het ontslag van een lid van een vertegenwoordigend orgaan is geregeld volgt, dat het dat lid niet vrijstaat om daarover afdwingbare overeenkomsten met derden te sluiten. In dit verband heeft [gedaagde], daarnaar door de voorzieningen-rechter gevraagd, verwezen naar artikel 129 lid 6 van de Grondwet, waarin staat vermeld dat de leden van (onder meer) de gemeenteraad stemmen zonder last. Als door [gedaagde] een overeenkomst tot het nemen van ontslag uit de gemeenteraad is gesloten, is die overeenkomst dan ook in strijd met artikel 3:40 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wegens strijd met de wet, de goede zeden en/of de openbare orde.

4.2 [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering met veroordeling van de Stadspartij in de kosten van het geding.

5. De gronden van de beslissing

5.1 Nu de burgemeester bij nader inzien de door [gedaagde] ondertekende persverklaring niet beschouwt als een schriftelijk bericht als bedoeld in artikel X 2 lid 2 van de Kies-wet, moet er voorshands van worden uitgegaan dat [gedaagde] niet rechtsgeldig ontslag als gemeenteraadslid heeft genomen. De vordering van de Stadspartij is er ook op ge-baseerd dat hij dat alsnog zal doen.

5.2 In dit kort geding is niet komen vast te staan dat [gedaagde] met de Stadspartij een overeenkomst heeft gesloten tot het nemen van ontslag uit de gemeenteraad. [gedaagde] heeft weliswaar bepaalde toezeggingen gedaan aan raadsleden die namens de Stads-partij in de gemeenteraad zitting hebben, maar voor zover deze toezeggingen reeds als een zodanige overeenkomst zouden kunnen worden opgevat, geldt dat zij niet zijn ge-daan aan (het bestuur van) de Stadspartij. De raadsleden die namens de Stadspartij in de gemeenteraad zitting hebben, zijn andere personen dan de bestuursleden van de Stadspartij. Naar van de kant van de Stadspartij ter zitting is erkend, vormen het be-stuurslidmaatschap van de Stadspartij en lidmaatschap van de gemeenteraad voor de Stadspartij ook niet te verenigen functies.

5.3 Maar ook als wel sprake zou zijn van een overeenkomt tussen de Stadspartij en [gedaagde] tot het nemen door laatstgenoemde van ontslag als lid van de gemeenteraad, kan een dergelijke overeenkomst niet tot toewijzing van het gevorderde leiden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is een zodanige overeenkomst nie-tig wegens strijd met het in artikel 129 lid 6 van de Grondwet neergelegde verbod van last. Op grond van dit verbod worden de leden van vertegenwoordigende organen zo-als de gemeenteraad geacht vrij, naar eigen inzicht en overtuiging te stemmen. Het verbod strekt ertoe dat een lid van een vertegenwoordigend orgaan, in dit geval de gemeenteraad, bij zijn standpuntbepaling - ook ten aanzien van een eventueel vertrek uit de gemeenteraad - niet rechtens gebonden kan zijn aan overeenkomsten die hij met anderen heeft gesloten of toezeggingen die hij aan anderen heeft gedaan.

5.4 Blijkens de memorie van toelichting op artikel 68 van de Grondwet, dat een gelijklui-dend verbod van last bevat voor de leden van de Staten-Generaal, is het politieke par-tijen op grond van dat verbod niet toegestaan om tussentijds een einde te maken aan het lidmaatschap van - in dit geval - een lid van de gemeenteraad. Indien een ge-meenteraadslid het vertrouwen verliest van zijn partij of fractie kan die partij het be-trokken raadslid derhalve niet dwingen om zijn zetel op te geven, ook al heeft de be-trokkene toegezegd zulks te zullen doen. Dit zou immers in strijd komen met de zelf-standige en onafhankelijke positie die een lid van een vertegenwoordigend orgaan als de gemeenteraad in ons staatkundige bestel heeft en behoort te behouden.

5.5 Het hiervoor overwogene komt er voor het onderhavige geval op neer dat [gedaagde] niet juridisch afdwingbaar zijn ontslag als lid van de gemeenteraad heeft kunnen over-eenkomen. Dit ontslag nemen kan geen voorwerp zijn van een overeenkomst. Het staat partijen niet ter vrije dispositie. Ontslag nemen als lid van de gemeenteraad kan uitsluitend op de wijze als bepaald in artikel X 2 lid 2 van de Kieswet. Daarom verzet ook artikel 3:14 BW (verbod tot het uitoefenen van een burgerlijk recht in strijd met het publiek recht) zich tegen toewijzing van de vordering van de Stadspartij.

5.6 Of [gedaagde] door zijn onderhavige toezegging aan raadsleden die voor de Stadspartij in de gemeenteraad zitten geen gestand te doen, onrechtmatig jegens de Stadspartij handelt, zoals door de Stadspartij subsidiair is gesteld, kan, in het midden blijven, nu, als dat het geval is, zulks, gezien hetgeen hiervoor onder 5.3 tot en met 5.5 is overwo-gen, in ieder geval niet tot toewijzing van de vordering zal kunnen leiden.

5.7 Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevraagde voorzieningen moeten worden geweigerd. De Stadspartij zal daarbij als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

6.2 Veroordeelt de Stadspartij in de kosten van dit geding, tot de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 193,-- aan verschotten en € 703,36 aan salaris voor de procureur.

6.3 Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer, voorzieningenrechter van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 28 januari 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.